In deel VIII van Ewouts Erflaters staat Johan Willem Ripperda centraal, een edelman uit Groningen die begin achttiende eeuw, zij het voor even, één van de machtigste mannen van Europa werd.

Tot dusverre zijn alle Erflaters waarover u heeft kunnen lezen helden geweest. Erasmus, Willem van Oranje, P.C. Hooft, Johan Evertsen, Baruch Spinoza, Rembrandt van Rijn en Pierre Bayle hebben op intellectueel, politiek, militair of artistiek gebied veel bijgedragen aan de Nederlandse beschaving. Maar ook sommige schurken verdienen een plekje in de galerij van Ewouts Erflaters, al was het maar voor de balans. De Nederlandse geschiedenis heeft immers niet alleen maar witte bladzijden, er zit ook veel grijze en zwarte bladzijden tussen. Eén van de interessantste schurken van ons land is Johan Willem Ripperda, een oplichter van het ergste soort die voor korte tijd één de machtigste mannen van Europa was. Zijn leven is als een spannende speelfilm. Hoe slaagde Ripperda er in zo machtig te worden? En waarom liep zijn politieke carrière uiteindelijk op een grote mislukking uit?

Opportunistische Oranjeklant

Johan Willem Ripperda

Johan Willem Ripperda

Johan Willem Ripperda werd op 7 maart 1682 geboren te Oldehove. Hij kwam uit een geslacht van landjonkers die katholiek waren gebleven. Ripperda was vervuld van politieke ambitie. In 1704 spande hij een proces aan bij de Hoge Justitiekamer van Stad en Lande, het hoogste rechtscollege in de Ommelanden (de provincie Groningen minus de stad), tegen Lewe van Aduard die zijn politieke carrière tegenwerkte. Ripperda had de Jensemaborg van zijn vader geërfd, maar mocht geen openbare functies in het Westerkwartier vervullen omdat zijn vader katholiek was. Omdat Ripperda (uit opportunisme) was overgegaan op het protestantse geloof meende hij dat hij recht had om ambten te bekleden. Lewe van Aduard was echter een van de machtigste mannen van de Ommelanden en Ripperda verloor de rechtszaak. Niettemin had hij zich wel voor het eerst laten gelden en op deze manier een visitekaartje afgegeven: de mensen in Groningen die ertoe deden wisten nu wie Ripperda was.

In 1704 trouwde Ripperda ook met Alida van Schellingwou. Zij kwam uit een rijke Amsterdamse familie en nam ook een flink vermogen mee, dat Ripperda aanwendde om in de Ommelanden veel stukken land op te kopen. Land zorgde immers voor macht. In 1706 had Ripperda genoeg land opgekocht om de ‘grietenij en buurrechten’ van Oldehove en Niehove uit te oefenen en een jaar later kreeg hij de rechtstoel van De Campen in zijn bezit. Deze rechterlijke ambten waren zeer lucratief, omdat de bezitter ervan de opgelegde boetes deels in eigen zak kon steken.

Hoewel Ripperda zijn machtspositie langzaam maar zeker wist uit te breiden ging het naar zijn beleving veel te traag. Hij besloot daarom partij te kiezen voor de Friese stadhouder Johan Willem Friso van Oranje, die na het overlijden van zijn achterneef stadhouder Willem III hoopte in alle zeven gewesten als stadhouder te zullen worden erkend. Ripperda liet zich puur leiden door eigenbelang en beschouwde de Friese Oranje als een kruiwagen voor zijn eigen carrière.

Op 24 februari 1708 legde Johan Willem Friso in het provinciehuis van de Ommelanden de stadhouderseed voor Groningen af, terwijl er op dat moment maar weinig Ommelander afgevaardigden aanwezig waren. De enige Ommelanders die wel in het provinciehuis waren, waren ‘toevallig’ voorstander van de benoeming van de Friso tot stadhouder, een sterke aanwijzing dat het allemaal doorgestoken kaart was. Vermoedelijk was Ripperda het brein achter deze actie. De meeste Ommelanders beschouwden de benoeming van Friso tot stadhouder als oneigenlijk en besloten zich hiertegen te verzetten. Ripperda was de jonkers van de Ommelanden echter te slim af en bedroog tegelijkertijd de stad Groningen. Hij stelde de stad voor hem een groot geldbedrag te lenen, 200.000 gulden, waarmee Ripperda veel stukken land kon opkopen, vooral in Aduard om zijn concurrent Lewe van Aduard een voet dwars te zetten. De macht die Ripperda hierdoor kreeg zou hij aanwenden om de invloed van de stad op de Ommelanden te doen vergroten.

Ripperda gebruikte zijn invloed in 1710 om de Ommelanden ertoe te bewegen Johan Willem Friso nu ook echt als stadhouder te accepteren. Deze overwinning bleek echter maar van korte duur, want een jaar later verdronk Friso in het Hollandsch Diep. Hij was alleen van Friesland en Groningen stadhouder geweest. Met de dood van Friso kwam ook een einde aan de plannen van Ripperda om carrière te maken in dienst van de prins. De rasopportunist koos eieren voor zijn geld en besloot nu om republikein te worden. Hij wendde zijn invloed aan om ervoor te zorgen dat Friso’s zoon, de in 1711 geboren Willem Karel Hendrik Friso, niet zou worden erkend als stadhouder in de provincie Groningen. Hierna beproefde Ripperda zijn geluk in Den Haag en bood zijn diensten aan raadspensionaris Heinsius aan.

Spaanse avonturen

Toen hij nog een aanhanger van Johan Willem Friso was stuurde Ripperda de stadhouder veel kruiperige brieven waarin hij hem zijn aanhankelijkheid betoonde. Dezelfde methode beproefde hij nu, met meer succes, bij Heinsius. Ripperda was in Utrecht toen daar in 1712 en 1713 onderhandeld werd over de vrede tussen Engeland en Frankrijk, die een einde moest maken aan de Spaanse Successieoorlog. De wereld van diplomatie smaakte naar meer. In 1713 kwam de stad Groningen er echter achter dat men door Ripperda was bedrogen. Ripperda bleek namelijk geen rente te betalen over het geld dat hij van de stad had geleend en verdedigde in Den Haag niet de Groningse belangen. Dankzij een rechterlijke uitspraak verloor Ripperda de bezittingen en titels die hij had verworven dankzij het Groningse geld. Hij had bovendien een schuld van 50.000 gulden bij de stad uitstaan. De positie van Ripperda begon te wankelen. Het geslijm bij Heinsius wierp echter net op tijd zijn vruchten af: Ripperda kreeg in 1715 de positie van Extra-ordinaris Envoyé (een soort ambassadeur) in Madrid. Daar begon hij aan een gloednieuw avontuur.

In 1715, het jaar dat Zonnekoning Lodewijk XIV overleed, was er in Europa een nieuw machtsevenwicht ontstaan. Frankrijk en Spanje vormden één blok, Engeland, de Nederlandse Republiek en Oostenrijk vormden het andere blok. De Spaanse Successieoorlog had een Bourbon, de kleinzoon van Lodewijk XIV, op de Spaanse troon gebracht, maar Spanje had haar Italiaanse bezittingen en België moeten afstaan aan Oostenrijk. Tussen Spanje en Oostenrijk boterde het daarom – eufemistisch gezegd – niet bepaald.

Ripperda moest in Spanje de Nederlandse belangen vertegenwoordigen maar kwam – het zal u lezers inmiddels niet meer verbazen – alleen voor zijn eigenbelang op. Ripperda werkte veel samen met Giulio Alberoni, ambassadeur van het hertogdom Parma en vertrouweling van de Spaanse Koningin. Alberoni wilde dat Spanje een alliantie met Engeland en de Republiek zou sluiten, om op deze manier de aan Oostenrijk verloren bezittingen terug te winnen. Ripperda ondersteunde Alberoni, uiteraard met behoud van zijn eigen agenda. In 1717 overleed Ripperda’s vrouw, die in Nederland was achtergebleven. Ripperda zag zijn kans schoon, nam ontslag als ambassadeur, trad toe in Spaanse dienst en ging (weer) over tot het katholieke geloof.

Ripperda’s macht in Spanje groeide snel. Nadat Alberoni in ongenade viel en werd ontslagen probeerde Ripperda bij de Spaanse Koningin in de gunst te komen. Ook versterkte hij zijn invloed door in 1721 te hertrouwen met een rijke Spaanse vrouw, Fransisca Eusebia Xarava del Castillo. Om zijn macht in Spanje te consolideren kwam Ripperda met een uitgekiend plan, dat het Europese machtsevenwicht enorm zou verstoren. Spanje moest de Oostenrijkers niet langer als vijanden beschouwen maar een bondgenootschap met ze aangaan. Dit bondgenootschap zou er uiteindelijk toe moeten leiden dat de Spaanse en Oostenrijkse kroon weer werden verenigd, net zoals dat het geval was ten tijde van Karel V tweehonderd jaar eerder. De Koningin had wel oren naar dit ambitieuze plan en Ripperda vertrok in november 1724 naar Wenen om de Keizer te overtuigen.

Hoewel het resultaat van Ripperda’s onderhandelingen nogal magertjes was – de Keizer wilde geen alliantie sluiten met Spanje om Gibraltar te heroveren op Engeland en slechts één dochter uithuwelijken – werd de vrede met Oostenrijk in Madrid feestelijk gevierd. Het diplomatieke succes van Ripperda was echter maar van korte duur, want wéér had hij zijn hand overspeeld. Allereerst had Ripperda de Keizer een bedrag van drie miljoen gulden beloofd om het Oostenrijkse leger uit te rusten, een belofte die hij niet kon nakomen omdat de Spaanse schatkist nagenoeg leeg was. Ten tweede had hij tegen het Spaanse hof gezegd dat de Oostenrijkse Keizer, als blijk van waardering en vertrouwen in de nieuwe alliantie, graag zag dat de Spaanse Koning Ripperda tot hertog en Grande (eerste minister) van Spanje zou benoemen. Dit was uiteraard uit Ripperda’s duim gezogen.

In 1726 kwam Ripperda ten val. De Oostenrijkers ontdekten al snel dat Spanje de drie miljoen gulden helemaal niet kon betalen. Toen Ripperda daarna per ongeluk een deel van de geheime overeenkomst tussen Oostenrijk en Spanje verklapte aan een Engelse diplomaat kwam ook zijn andere leugen aan het licht: de Oostenrijkse Keizer had de Spaanse Koning nooit gevraagd om Ripperda tot hertog en eerste minister te benoemen. In plaats van hem te radbraken of te vierendelen, in die tijd de straf voor hoogverraad, kwam Ripperda er buitengewoon genadig vanaf. Hij werd opgesloten in een kasteel in Segovia en leidde daar voor een paar jaar een relatief comfortabel bestaan.

Net geen Koning van Corsica

Theodor von Neuhoff, de eerste en tevens laatste koning van Corsica

Theodor von Neuhoff, de eerste en tevens laatste koning van Corsica

Het avontuur eindigde niet in Segovia. Ripperda wist dankzij de hulp van een dienstmeisje, dat verliefd op hem was geworden, in 1728 te ontsnappen en vluchtte naar Engeland. De Engelse Koning verleende hem een audiëntie en Ripperda kon een groot huis betrekken aan Soho Square. Hij hoopte nu voor de Engelsen aan de slag te gaan, maar die hadden daar uiteindelijk toch geen trek in. De diplomatieke betrekkingen tussen Engeland en Spanje waren ondertussen weer quite splendid en onze antiheld werd in 1731 vriendelijk doch dringend verzocht zijn koffers te pakken.

Terug in Nederland bleef de rusteloze Ripperda broeden op plannen die hem fortune and glory zouden bezorgen. Hij kwam in contact met een diplomaat uit Marokko die hem een grootse toekomst in dienst van de Sultan van dat land voorspiegelde. De Marokkanen wilde graag de Spaanse enclave Cueta heroveren op Spanje en wilden de diensten van de voormalige eerste minister van dat land graag gebruiken.

Ripperda’s opportunisme was echter niet grenzeloos. In tegenstelling tot Arnoud van Doorn bekeerde Ripperda zich niet omwille van zijn carrière tot de islam. Als hij wel moslim was geworden had hij een hoge post in Marokko kunnen krijgen dus Ripperda maakte zich met zijn weigering niet populair bij de Sultan. Toen het Marokkaanse leger bij Cueta door de Spanjaarden bovendien in de pan werd gehakt kreeg Ripperda een soort van huisarrest. Hij mocht zijn nieuwe vaderland niet meer verlaten. De Spanjaarden, inmiddels op de hoogte dat Ripperda betrokken was geweest bij de Marokkaanse veldtocht, besloten bovendien hem al zijn titels te ontnemen. Hoewel Ripperda in 1726 in ongenade was gevallen hadden de Spanjaarden hem zijn oneigenlijk verkregen titels nog niet afgepakt.

Na het mislukte Marokkaanse avontuur zou Ripperda nog één keer van zich doen laten horen. Hij smeedde met de Duitse avonturier Theodor Anton Freiherr von Neuhoff een complot om Corsica te veroveren op Genua. Vanuit Marokko zouden de kanonnen worden geregeld, vanuit Nederland de schepen en de wapens. Doel was om Ripperda tot Koning van Corsica te kronen. Helaas voor Ripperda ging dit avontuur niet door, want hij mocht niet weg uit Marokko. Von Neuhoff landde in 1736 met zijn bootjes op Corsica, veroverde binnen drie maanden het eiland en riep zichzelf uit tot Koning Theodor I, een Koningschap dat amper een half jaar duurde omdat de avonturier al snel door Franse en Genuaanse troepen werd verjaagd. Had Ripperda wel toestemming gekregen om naar Corsica te gaan dan was niet Von Neuhoff maar hij vereeuwigd door Voltaire als één van de zes koningen in Candide.

Ripperda overleed op 7 oktober 1737 in de Marokkaanse stad Tétouan roemloos in de goot. Hij wist zich uit zijn haren omhoog te trekken uit de Groninger klei, maar zijn plannen waren helaas op drijfzand gebouwd. Niettemin verdient deze fantasierijke rasopportunist en avonturier plek in de illustere serie Ewouts Erflaters. Er zijn op onze aarde immers maar weinigen die de wereldgeschiedenis een paar keer net niet hebben veranderd.