Utopisten willen niet slechts een betere samenleving, maar ook een betere mens. De nobele wilde is zo’n utopische mens. Hij is anders, exotisch en primitief, en juist om die reden zo woest aantrekkelijk.

Wat hebben Jean-Jacques Rousseau, Dennis Diderot, Joanie de Rijke en Sunny Bergman met elkaar gemeen? Ze dromen allemaal van de nobele wilde, de primitieve mens die leeft in de natuurstaat, die niet gecorrumpeerd is door de verderfelijke westerse beschaving en geen last heeft van seksuele schaamte. De nobele wilde is de utopische mens, waarop zij hun exotische en erotische verlangens projecteren.

De zwarte prins op het witte paard

Veel mensen geloven dat het begrip ‘nobele wilde’ bij de achttiende-eeuwse Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau vandaan komt. In zijn boek Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes idealiseerde deze Verlichtingdenker en romanticus immers de natuurlijke toestand van de primitieve mens, die nog niet besmet was met de beschaving en de daarbij horende ongelijkheid tussen de mensen. Maar hoewel deze ideale natuurmens in alles de nobele wilde was gebruikte Rousseau de term ‘bon sauvage’ nergens in zijn boek.

Rousseau was zeker niet de eerste schrijver die de primitieve wilde idealiseerde. Romeinse geschiedschrijvers keken soms met bewondering naar de dappere Germanen, die Übermenschen met blauwe ogen, en de Europese ontdekkingsreizigers hadden een zwak voor de vriendelijke onbeschaafde volkeren die ze tegenkwamen op hun vele tochten. De beschavingen van de Azteken, de Maya’s en de Inca’s werden vernietigd, maar uit schuldgevoel hierover werden de onbeschaafde indianen dikwijls omarmd. Dat had trouwens ook grote rampen tot gevolg, want tegen de nieuwe ziektes die de Europese ontdekkingsreizigers mee brachten hadden de indianen geen weerstand opgebouwd en ze stierven massaal.

Wat de ontdekkingsreizigers meemaakten op hun tochten naar ‘de West’ werd filosofisch verwerkt door de Franse humanist Michel de Montaigne. Eind zestiende eeuw schreef hij zijn roemruchte essay ‘Des cannibales’ (Over de kannibalen), waarin hij de normen en waarden van het christelijke Europa relativeerde. Wij vinden het opeten van mensen verkeerd en inhumaan, maar Montaigne legt in zijn essay uit dat de Tupinambá-indianen uit Brazilië hun gedode vijanden opeten om ze op die manier als krijgers eer te bewijzen. Bovendien betoogt hij dat deze indianen eigenlijk beschaafder zijn dan de christenen, want die zetten in de zestiende eeuw ketters op de brandstapel. En wat dat betreft heeft Montaigne volkomen gelijk.

Maar de nobele wilde is meer. Hij is mens die van nature goed is. Montaigne idealiseert de kannibalen niet. Zij zijn volgens hem andere mensen met een andere moraal, niet beter en ook niet slechter dan de Europeanen. Maar vanaf het einde van de zeventiende eeuw beginnen Europese schrijvers hun idealen en verlangens op de niet-westerse mens te projecteren. Hij is niet slechts de exotische ander, maar de utopische mens: nobel, frank en vrij.

Het begrip nobele wilde werd in 1672 voor het eerst gebruikt in het toneelstuk The Conquest of Granada van John Dryden. Daarin zegt de hoofdpersoon:

I am as free as nature first made man,
Ere the base laws of servitude began,
When wild in woods the noble savage ran.

Dit ideaalbeeld zien we ook terug in de in 1688 verschenen roman Oroonoko van de Britse schrijfster Aphra Behn. Haar boek gaat over de zwarte prins Oroonoko die als slaaf naar Zuid-Amerika wordt verscheept. Daar aangekomen besluit hij een slavenopstand te leiden, die echter mislukt. Oroonoko betaalt hiervoor de ultieme prijs en wordt in stukken gehakt. Gelukkig ondergaat zijn geliefde Imoinda dit lot niet, want zij is (op haar eigen verzoek) door Oroonoko gedood en sterft in zijn armen. Een bitterzoet einde.

In alles is Oroonoko de nobele wilde. Hij is knap, een prins van koninklijke bloede, romantisch en trouw tot in de dood. Daarnaast leefden Oroonoko en zijn Afrikaanse broeders in een soort van mythische gouden eeuw, totdat de witte westerlingen kwamen die de vrede wreed verstoorden. Oroonoko is de zwarte prins op het witte paard, de schaars geklede held waar de beschaafde westerse vrouw heimelijk naar hunkert. Zij wil Imoindi zijn.

Zijn de erotische dromen van Aphra Behn nog impliciet, de Franse filosoof Dennis Diderot bejubelt de seksuele vrijheid van de inboorlingen van het eiland Tahiti in zijn gefingeerde reisverhaal Supplément au voyage de Bougainville uit 1772. Dit boek is zogenaamd een aanvulling op het echte reisverhaal van de Franse ontdekkingsreiziger Louis Antoine de Bougainville, die in dezelfde tijd als James Cook een reis om de wereld had gemaakt.

In Tahiti zijn, aldus Diderot, overspel en incest normaal en kunnen mannen en vrouwen voluit van hun seksuele vrijheid genieten. Dit is ‘natuurlijke seksualiteit’ zoals God, in Diderots deïstische ogen de onpersoonlijke horlogemaker, het bedoeld heeft. De Europese beschaving, met name de Rooms-katholieke Kerk, had echter roet in het eten gegooid met haar benepen moraal van celibaat en monogamie binnen het huwelijk. Met zijn pleidooi voor polyamorie en zijn kruistocht tegen het monogame drama was Diderot het seksuele utopisme van Simone van Saarloos ruim twee eeuwen vooruit.

Toch laat Diderot zich in zijn boekje niet volledig meeslepen in zijn fantasie. Hij is per slot van rekening filosoof en heeft een naam hoog te houden. De inboorlingen van Tahiti luisteren alleen naar de wetten van de natuur. Seks is daarom alleen goed als dit leidt tot zwangerschap. De consequentie hiervan is dat oudere vrouwen helemaal geen seks meer mogen hebben, iets wat Diderot onrechtvaardig vindt. Hoewel Diderot de natuurlijke moraal prefereert boven de christelijke blijft hij gereserveerd. De nobele wilde was in zijn ogen geen volmaakt wezen.

Perzische brieven

Om de nobele wilde goed te kunnen plaatsten moeten we ook kijken naar de andere archétypes over niet-westerse vreemdelingen uit de tijd van de Verlichting. In zijn fenomenale boek La crise de la conscience européenne uit 1935 noemt literatuurwetenschapper Paul Hazard er vijf: de wijze Egyptenaar, de mohammedaanse Arabier, de spotzieke Pers, de tolerante Siamees en de Chinese filosoof. De spotzieke Pers springt boven al deze andere karakters uit, en dat is te danken aan de briljante Lettres persanes van niemand minder dan Charles de Secondat, baron de Montesquieu.

In de Lettres persanes staan de (door Montesquieu verzonnen) brieven van de Perzische edelen Usbek en Rica centraal, die voor de sjah naar Frankrijk zijn gereisd. Ze schrijven uitgebreid over de Franse politiek en samenleving en het christendom, en becommentariëren dit met een frisse, intelligente blik. Heel veel normen en waarden die Frankijk vanzelfsprekend zijn vinden de Perzische reizigers maar vreemd. Net als Montaigne gebruikt Montesquieu de niet-westerse vreemdeling om de Europese cultuur te bekritiseren, maar hij doet het nu met nobele beschaafden.

De wijze Egyptenaar was daarnaast een geliefd archétype. Voor de Egyptenaren hadden de Verlichte Europeanen nog steeds bewondering, omdat ze als een van de eerste volkeren in de wereld een hoogwaardige beschaving hadden ontwikkeld. De rest van Afrika zou worden bewoond door wilden, al dan niet nobel, maar Egypte was de grote uitzondering daarop. ‘Veertig eeuwen kijken op u neer’, zou Napoleon tegen zijn troepen hebben gezegd toen hij in 1798 Egypte probeerde te veroveren.

Voor de islam kreeg de Verlichte Europeaan meer waardering. Lange tijd beschouwden christenen de islam als dé grote vijand. Tijdens de Verlichting kwam er veel kritiek op het christelijke geloof, dat inderdaad nogal wat zwarte kantjes had, en begonnen mensen ook het positieve van de islam te zien. Het alleenrecht van het christendom op de waarheid werd door de Verlichte mens niet langer geloofd. Dit kwam vooral naar voren in de beroemde parabel Nathan de Weise van de Duitse filosoof Gotthold Ephriam Lessing. Een vader (God) gaf zijn drie zoons elk een ring, maar elke zoon meende dat hij als enige een ring had gekregen en dus de ware erfgenaam van zijn vader was. Ze waren het echter alle drie. De drie zoons stonden uiteraard symbool voor het Joodse geloof, het christendom en de islam.

De tolerante Siamees bestond in het echt. Eind zeventiende eeuw probeerden de Fransen Siam, het tegenwoordige Thailand, te bekeren tot het christendom. Hoewel de Franse missionarissen vriendelijk werden ontvangen mislukten hun bekeringsactiviteiten. De Siamese koning ontkende de exclusieve christelijke waarheidsclaim. Als de goddelijke voorzienigheid had gewild dat er één godsdienst op de wereld heerste, dan was voor God niets gemakkelijker geweest dat plan uit te voeren. God had dat echter niet gedaan en andere godsdiensten getolereerd, voor de koning het bewijs dat God liever had dat elk schepsel op zijn eigen manier in hem geloofde. Exact hetzelfde dus wat Lessing honderd jaar later zou betogen.

Ook het Chinese keizerrijk werd niet tot het christendom bekeerd. Dankzij de missionarissen wisten de Europeanen nu wel veel van het land. De Chinezen bleken het al duizenden jaren zonder een geloof te doen, de filosofie van Confucius was niet-theïstisch. Vrijdenkers waren enthousiast over China, want zij wilden immers een Europa zonder God. Het archétype van de Chinese filosoof was volgens Paul Hazard dan ook het meest populair onder diegenen die de Europese geest wilden veranderen. Waar romantici een nobele wilde wilden, daar verlangden rationalisten naar een nobele filosoof.

Dan is dat jammer voor de werkelijkheid

In de achttiende eeuw werden niet-westerse mensen door de Europeanen nog als min of meer gelijkwaardig beschouwd. Dit veranderde drastisch in de negentiende eeuw als gevolg van het opkomende racisme. In de negentiende eeuw waren de Europese naties als gevolg van de industriële revolutie machtiger dan ooit, maar dit leidde bij Europeanen ook tot een misplaatst gevoel van raciale superioriteit. Het racisme was een bastaard van het darwinisme, de wetenschappelijke leer van natuurlijke selectie. Volgens sociaaldarwinisten gold de evolutieleer van Charles Darwin niet alleen voor dieren maar ook voor mensen. De blanken waren de edelste soort. De mensheid zou daarnaast net als de dierenwereld in een constante strijd om het bestaan verwikkeld zijn. De superieure blanke mens van het Noordse of Germaanse ras moest in deze strijd rücksichtslos zijn plek onder de zon opeisen.

Negentiende-eeuwers deden lacherig over het archétype van de nobele wilde. Het was toch duidelijk dat wilden minderwaardig waren? Op de vele wereldtentoonstellingen, waar Europese landen aan de rest van de wereld hun macht en pracht lieten zien, behoorde het ‘negerdorp’ tot de vaste attracties. Het ging natuurlijk om het contrast: het machtige, ontwikkelde Westen versus de achtergebleven, achterlijke rest. De zwarte mens zou op de evolutieladder ergens tussen de aap en de blanke mens instaan.

In onze politiekcorrecte tijden worden de koloniale en racistische misstappen van vroeger enorm uitvergroot. Niet alleen toen maar nu nog steeds zijn alle blanken, witten genoemd, racistisch. Tegenwoordig zijn ze dit uiteraard vooral heimelijk of onbewust. Vandaar ook dat de nobele wilde aan een revival bezig is. Het geloof in hem, vooral beleden door witte feministen, is een vorm van boetedoening, met als doel de witte schuld weg te wassen.

Niettemin zit er ook een koloniaal, racistisch element in de verheerlijking van de nobele wilde.  Zoals negentiende-eeuwse Victoriaanse mannen fantaseerden over de onverzadigbare zwarte vrouw en de verleidelijke moslima die onder haar sluier een en al oosterse geilheid was, zo verlangen Helper Whitey’s Sunny Bergman en Joanie de Rijke naar hun ideale niet-westerse man, nobel van karakter maar een beest in bed. Dat Sunny Bergman zwarte seksualiteit verheerlijkt in haar documentaire The Sunny side of seks en tegelijkertijd zeer gepassioneerd ten strijde trekt tegen Zwarte Piet en andere vormen van fantoomracisme betekent gewoon  – en hiervoor hoef je echt geen gepromoveerd antropoloog te zijn – dat ze van de nobele wilde dankbaarheid in natura terugverlangt. Eigenlijk betaalt Sunny hem dus voor seks. De zwarte man is voor haar een hoer.

Joanie de Rijke daarentegen speelt liever een onderdanige rol. In haar boek, met de dubbelzinnige titel In handen van de Taliban, beschrijft ze haar verkrachter in lyrische termen. Commandant Ghazi Gul is met zijn ‘lange warrige zwarte haar, de kromming van zijn neus onder de zware wenkbrauwen, zijn fonkelende ogen en krullende baard’ gewoon de ideale islamitische man. De Rijke wil haar verkrachter dan ook absoluut niet veroordelen. Dat is racisme en islamofobie. Het is pas een echte verkrachting als een witte man de dader is.

De houding van Joanie de Rijke is de houding van de tegenwoordige feministen, die intersectioneel zijn. Hun reactie op de massa-aanrandingen in Keulen op 1 januari 2016 laat zien hoe pervers het ideaal van de nobele wilde soms kan zijn. Feministen kwamen niet voor de rechten van de vrouw op, maar verdedigden de islamitische Noord-Afrikaanse mannen die zich aan de aanrandingen hadden schuldig gemaakt. Noord-Afrikaanse mannen konden als nobele wilden gewoon niet slecht zijn, dat paste niet in het intersectionele beeld. En als het ideaal niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, dan is dat jammer voor de werkelijkheid.

Er bestaan naast de nobele wilde ook nog andere positieve archétypes van niet-westerse mensen. Je hebt nu de slimme Aziaat, die vooral heel goed met computers is, en de spirituele boeddhist, waar rugzaktoeristen dol op zijn. Onze moslimvrienden, die in de tijd van de Verlichting nog tot de beschaving werden gerekend, zijn in het linkse, feministische wereldbeeld echter gedegradeerd tot nobele wilden. Niet de dissidente islamitische intellectuelen en de Iraanse demonstranten worden verheerlijkt, maar de jihadi’s en antisemieten als Appa en Abou Jahjah, want zij doen tenminste wat en moeten worden begrepen. En de Arabische lente is nog steeds helemaal geweldig.

De nobele wilde is, het moet blijven worden benadrukt, een archétype, waarop de verlangens van de witte westerling worden geprojecteerd. De nobele wilde bestaat niet in het echt, hoewel er ongetwijfeld nobele mensen bestaan die uit een cultuur afkomstig zijn die niet erg geavanceerd is. De achterlijke wilde, de racistische tegenhanger van de nobele wilde, is uiteraard ook een archétype. Deze achterlijke wilden bestaan in werkelijkheid ook, hoewel het niet politiekcorrect is ze aan te wijzen als zodanig.

Voor alle archétypes geldt dat ze een versimpeling, een vereenvoudiging, een zeer ongenuanceerde weergave van de complexe werkelijkheid zijn. Je hebt goede en slechte mensen, beschaving kan helpen om mensen beter te maken, maar is soms ook een vernisje die de achterbaksheid van de mens moet versluieren. Het idealiseren van mensen is per definitie verkeerd, hoewel ik na het schrijven van dit stuk nu wel zin heb gekregen in een nobele wilde. Aan deze hunkering ontkomt blijkbaar niemand.