Misschien wel de spannendste ontdekking die ik deed tijdens mijn promotieonderzoek naar het Gereformeerd Politiek Verbond, de gereformeerde politieke partij de in 2000 in de ChristenUnie is opgegaan, was het plan van GPV-Kamerlid Bart Verbrugh in 1972 om de komst van een links kabinet onder leiding van Joop den Uyl tegen te houden. Uiteraard kwam er van dit plan niets terecht, maar het is een leuk verhaal dat ik graag nog een keer vertel, zeker nu het formatiespel vandaag weer begint en er in de pers, op TV en op sociale media druk gespeculeerd wordt over allerlei mogelijke coalities. 

 

Polarisatie

In 1970 had Joop den Uyl zijn visie over progressieve samenwerking uitgewerkt in het beroemd geworden artikel ‘De smalle marge van de democratische politiek’. Hierin betoogde de PvdA-voorman dat de maatschappelijke revolutie van de jaren zestig niet door middel van buitenparlementaire actie gekanaliseerd moest worden, maar via de smalle marge van de parlementaire weg. Dit kon alleen als de PvdA samenwerkte met andere progressieve partijen.[1] Om Nederland in progressieve zin te veranderen had de PvdA de polarisatiestrategie omarmd, die zich ten doel stelde de macht van de grote confessionele partijen – de ARP, de CHU en vooral de KVP – te breken. De KVP had een sterke positie in het midden van het politieke spectrum en koos er soms voor om met de PvdA te regeren en dan weer met de VVD. Na de nacht van Schmelzer in 1966 had de PvdA schoon genoeg van de KVP. Ed van Thijn van de Wiardi Beckman Stichting wilde naar analogie van het Engelse systeem het Nederlandse politieke landschap opdelen in een links kamp en een rechts kamp, waar de kiezer dan tussen zou mogen kiezen. [2]

Aanvankelijk leek de polarisatiestrategie te werken. De electorale aanhang van de confessionele partijen zakte van 44,6% in 1967 via 36,8% in 1971 tot 31,3% in 1972. De teruggang van de KVP was het sterkst: de partij had in 1963 50 zetels maar in 1972 waren hier nog maar 27 van over. De PvdA leek met 43 zetels in 1972 voorgoed de grootste partij te zijn geworden.[3] Toen na de verkiezingen van 29 november 1972 echter bleek dat de partijen van Keerpunt geen meerderheid hadden behaald en er toch met de confessionelen moest worden samengewerkt, was het aan informateur Jaap Burger om een kabinet te smeden. Uiteindelijk slaagde hij hierin in en op 11 mei 1973 trad het extra-parlementaire kabinet-Den Uyl aan, dat gesteund werd door PvdA, D’66 en PPR en gedoogsteun kreeg van KVP en ARP. De CHU, de kleinste van de drie grote confessionele partijen, was door Burger buiten de formatie gehouden. Het kabinet-Den Uyl zou de geschiedenis ingaan als het meest linkse kabinet dat Nederland ooit heeft gekend, een omstreden kabinet waar velen met nostalgie óf met afschuw aan terugdenken.[4]

Ook door rechts werd er gepolariseerd. Onder aanvoering van haar welbespraakte en humoristische leider Hans Wiegel speelde de VVD het polarisatiespel vanuit een rechtse positie.[5] Deze strategie wierp haar vruchten af: de VVD ging in 1972 van 16 naar 22 zetels. Rechts van de VVD probeerden behalve het GPV ook de Boerenpartij, DS’70 en de RKPN garen te spinnen bij de verlinksing van de Nederlandse politiek. De Boerenpartij ging in 1972 van 1 zetel naar 3 zetels, DS’70 behaalde in 1971 8 zetels en een jaar later 6 en de RKPN slaagde er in 1972 in om met 1 zetel in de Kamer te komen. Er kwam geen rechts kabinet en het kabinet-Den Uyl werd niet tegenhouden, maar de geschiedenis had héél misschien anders kunnen verlopen.

Toen op 20 juli 1972 het kabinet-Biesheuvel I viel, adviseerde GPV-leider Pieter Jongeling de koningin geen nieuwe Tweede Kamerverkiezingen te houden. Het demissionaire kabinet-Biesheuvel II, dat het eerste kabinet-Biesheuvel was opgevolgd, was volgens de GPV-voorman een missionair kabinet geworden dat gewoon kon doorregeren totdat het parlement het vertrouwen in het kabinet zou opzeggen.[6] De politieke mores waren echter veranderd. In 1965 waren er na de val van het kabinet-Marijnen geen nieuwe verkiezingen gehouden en was het kabinet-Cals gevormd, maar in de jaren zeventig vond men geen verkiezingen uitschrijven nadat het kabinet was gevallen kiezersbedrog.

 

Een ambitieus plan

In de aanloop van de Tweede Kamerverkiezingen van 1972 leek het er heel even op dat het Gereformeerd Politiek Verbond misschien aan een nieuwe rechtse regering zou meedoen of deze in ieder geval gedoogsteun zou geven. Op 11 oktober 1972 zei VVD-senator Harm van Riel dat hij GPV-leider Pieter Jongeling ministeriabel achtte.[7] Tegen Jongeling-biograaf Herman Veenhof vertelde Hans Wiegel dat het pleidooi van Van Riel niet serieus was bedoeld maar door de pers was opgeklopt. Oud-politicus Willem Aantjes, die toen de discussie speelde fractievoorzitter van de ARP was, meende echter dat de VVD-senator het allemaal wel ernstig had bedoeld, hoewel het een niet serieus te nemen voorstel was. Ten slotte stelde oud-premier Dries van Agt, in 1972 minister van Justitie namens de KVP, dat er in 1972 wel degelijk over eventuele kabinetsdeelname van het GPV is gesproken. Dit was echter niet meer dan “met een gedachte spelen”.[8] Hoewel het GPV dus heel even in beeld kwam, was kabinetsdeelname van de partij in de ogen van de grote partijen geen reële optie. Toen bleek dat het GPV bij de Tweede Kamerverkiezingen van 29 november op 2 zetels bleef steken, was de partij voor de coalitieonderhandelingen irrelevant. Informateur Marinus Ruppert van de ARP deed geen onderzoek naar de mogelijkheid van een kabinet waarin ook het GPV zitting had.[9]

Toen in de loop van 1973 bleek dat er hoogstwaarschijnlijk een kabinet-Den Uyl gevormd zou worden, probeerde het GPV dit te voorkomen. Op 27 februari, een dag nadat formateur Jaap Burger bij de ARP had ‘ingebroken’ en Jaap Boersma zich zonder goedkeuring van minister-president en AR-fractieleider Barend Biesheuvel liet overhalen om als minister zitting te nemen in een te vormen kabinet-Den Uyl, ontvouwde GPV-parlementariër Bart Verbrugh op de GPV-fractievergadering aan Jongeling en de fractiemedewerkers een ambitieus plan. Hij vroeg zich af of het mogelijk was via een interpellatie in te grijpen in het proces van de kabinetsformatie, ten einde de totstandkoming van een kabinet-Den Uyl te verhinderen. De vorm daarvoor zou moeten zijn een uitnodiging van de Tweede Kamer aan het zittende kabinet terug te komen op zijn besluit af te treden. Jongeling zei wel wat te zien in dit plan, maar vond dat dit vertrouwelijk moest worden besproken met de demissionaire premier. Verbrugh wilde daarnaast de fracties van de SGP en VVD op de hoogte stellen van zijn plan. Indien het GPV tot aanvraag van de interpellatie zou overgaan, zou de fractie als reden aanvoeren dat de formatie veel te lang duurde en vastgelopen leek. Er moest dringend worden geregeerd door een kabinet dat niet demissionair was. De interpellatie moest volgens Verbrugh worden opgebouwd rondom vier als vraag te verpakken stellingen:

  1. Door de lange duur van de formatie wordt het landsbelang geschaad.
  2. Gebleken is dat de verkiezingsuitslag geen basis voor de vorming van een meerderheidskabinet heeft opgeleverd.
  3. Het is niet gebleken dat het zittende kabinet niet het vertrouwen bezit van de volksvertegenwoordiging in nieuwe samenstelling.
  4. Er is reden voor het kabinet om op zijn ontslagaanvrage terug te komen.

Uit de fractienotulen bleek dat Jongeling en Verbrugh wat betreft hun visie op de wijze van oppositievoeren naderbij kwamen. Onder het mom gouvernementeel te zijn, de stijl van Jongeling, werd een verbrughiaans oppositieplan bedacht om de vorming van een links kabinet tegen te werken. De GPV-fractie had hierbij staatsrechtelijk gezien wel een punt. De formatie van het kabinet-Den Uyl, die 163 dagen duurde, was tot dusver de langste formatieperiode uit de Nederlandse parlementaire geschiedenis. Alleen de formatie van het kabinet-Van Agt I in 1977 zou met 208 dagen nog langer duren.

Helaas voor Verbrugh bleef het bij een plan. Niettemin kwam hij er tijdens de fractievergadering van 20 maart op terug. Verbrugh verwachtte ten onrechte dat een eventueel kabinet-Den Uyl bij het eerste optreden meteen zou worden weggestemd. De formatie moest daarom worden verhinderd, omdat een eventueel demissionair kabinet-Den Uyl immers de lopende zaken zou waarnemen en dan alsnog schade zou aanrichten. Jongeling was realistischer. Hij hielp Verbrugh uit de droom en zei dat het GPV weinig kon doen. Wel was hij bereid met Biesheuvel contact op te nemen, mochten de ontwikkelingen de richting opgaan van een kabinet-Den Uyl.[10] Het is niet bekend of Jongeling daadwerkelijk met Biesheuvel heeft gesproken, laat staan wat er precies zou zijn gezegd. Mocht het gesprek hebben plaatsgevonden dan is het volgens zijn toenmalige fractiemedewerker J.P. de Vries vermoedelijk bij één ontmoeting gebleven.[11]

 

Malle charges

Ook op televisie en radio hadden Jongeling en Verbrugh zich uitgesproken tegen de vorming van het kabinet-Den Uyl. Op 7 maart 1973 zei Jongeling voor de televisie dat tienduizenden ARP-stemmers door Aantjes, Boersma en W.F. de Gaay Fortman waren ‘verraden’, omdat zij positief hadden gereageerd op de ‘inbraak’ van Burger. Jongeling vond met name de opstelling van Aantjes kwalijk. De op 7 maart aangetreden ARP-fractieleider had tijdens de verkiezingscampagne van 1972 namelijk gezegd dat de mensen toch vooral geen GPV moesten stemmen, omdat dit de ARP stemmen zou kosten en men er dan indirect aan meehielp dat Den Uyl in het Catshuis kwam. Jongeling zette zich dus vooral af tegen de ARP. Verbrugh koos echter voor een breder front. Hij vreesde een “dictatuur van linkse sociologen” en vond daarom dat een christen-democratische formateur het werk van Burger moest overnemen. De taak van het GPV was om de christen-democraten in het “rechte spoor” te houden.[12]

Toen het kabinet-Den Uyl op 11 mei 1973 eindelijk aantrad, zei Jongeling ook dit kabinet constructief tegemoet te willen treden.[13] Den Uyl en de zijnen konden het in de ogen van het GPV echter bijna niet meer goed doen, toen het kabinet in september 1973 besloot de bede uit de troonrede te schrappen. Dit was voor het GPV hét bewijs dat de ontkerstening van Nederland steeds verder voortschreed.[14]  Toch wilde Jongeling nuchter blijven. Tijdens de algemene beschouwingen in oktober zei Jongeling, met een knipoog naar het beroemde artikel van Joop den Uyl, blij te zijn dat de “smalle marges” de “malle charges” toch enigszins hadden afgeremd.[15]

 

[1] J.M. den Uyl, ‘De smalle marge van democratische politiek’, Socialisme en Democratie 27 (1970) 299-320.

[2] P. Bootsma en W. Breedveld, De verbeelding aan de macht. Het kabinet-Den Uyl 1973-1977 (Amsterdam 1999) 12-13.

[3] De Liagre Böhl, ‘Consensus en polarisatie’ 307-308.

[4] Zie: I. van den Broek, Heimwee naar de politiek. De herinnering aan het kabinet-Den Uyl (Amsterdam 2002).

[5] H. te Velde, ‘De partij van Oud en Wiegel’ in: P. van Schie en G. Voerman red., Zestig jaar VVD (Amsterdam 2008) 27-52, aldaar 38-43.

[6] Handelingen II, 1971-1972, 3994.

[7] Rede mr. H. van Riel, Fractievoorzitter Volkspartij voor Vrijheid en Democratie in de Eerste Kamer der Staten Generaal, 11 oktober 1972. HDC, archief P. Jongeling, doos 32.

[8] Veenhof, Zonder twijfel 252.

[9] Maas, Kabinetsformaties 326-332.

[10] Notulen 27 februari en 20 maart 1973. Fractienotulen Tweede Kamer, 1971-1977. HDC, archief P. Jongeling, doos 2.

[11] E-mail van J.P. de Vries, 14 mei 2008.

[12] Radiotoespraak A.J. Verbrugh, 8 december 1972; Televisietoespraak P. Jongeling, 7 maart 1973; Radiotoespraak A.J. Verbrugh, 16 maart 1973. Radio- en TV-toespraken 1971-1975. ADC, archief GPV, pl. nr. 1033.

[13] Radiotoespraak P. Jongeling, 25 mei 1973. Radio- en TV-toespraken 1971-1975. ADC, archief GPV, pl. nr. 1033.

[14] J.P. de Vries, ‘Voortschrijdende ontkerstening’, Ons Politeuma, 29 september 1973.

[15] Handelingen II, 1973-1974, 116-117.