Naar aanleiding van de huidige discussie over de kiesdrempel duikt politiek historicus Ewout Klei, gepromoveerd op het Gereformeerd Politiek Verbond, voor u de geschiedenis in. 

 

Het Gereformeerd Politiek Verbond was tegen volkssoevereiniteit (de democratische regel dat de helft plus één beslist) maar niet tegen volksinvloed. Het volk moest in al zijn geledingen in het parlement vertegenwoordigd zijn. GPV-Kamerlid Pieter Jongeling kwam in de jaren zestig en zeventig daarom op voor het stelsel van evenredige vertegenwoordiging en verzette zich tegen de eventuele invoering van een districtenstelsel of een verhoging van de kiesdrempel. Volgens Jongeling-biograaf Herman Veenhof en de rekenkundige logica was de strijd hierover voor Jongeling een zaak van politiek lijfsbehoud. Het kleine GPV zou immers uit de Kamer verdwijnen bij een districtenstelsel of een hogere kiesdrempel.[1]

Tegen het regionale dagblad De Gelderlander Pers stelde Jongeling dat de grootte van een fractie los stond van de kwaliteit. Volgens Jongeling had de Katholiek Nationale Partij in de jaren vijftig met eenling Ch.I.J.M. Welter een waardevolle bijdrage aan het parlement geleverd, maar de Nationaal-Socialistische Beweging met vier parlementariërs had dat in de jaren dertig niet. Daarnaast ging Jongeling echter ook om iets principieels:

Néderlands is, dat óók minderheden de vòlle kans krijgen hun geluid te laten horen en in principe als volwaardige componenten van de politieke samenleving worden geaccepteerd.[2]

Nederland kreeg geen districtenstelsel en dankzij het verzet van vooral Jongeling en Marcus Bakker van de Communistische Partij Nederland ging de verhoging van de kiesdrempel ook niet door. Pas toen op 16 november 1976 een voorstel van de Katholieke Volkspartij door de meerderheid van de Tweede Kamer werd afgewezen, was de dreiging definitief voorbij. Jongeling zag hierin een goddelijk ingrijpen:

God heeft ons bewaard en de gebeden verhoord. Een zwaard dat al jarenlang boven ons hoofd hing, is weggenomen. Zijn Naam zij geprezen![3]

Jongeling koos als Kamerlid dus bewust voor de brede nationale weg. De koers die het GPV begin jaren zestig dankzij partijideoloog A.J. Verbrugh had ingeslagen werd door Jongeling in de Kamer gevolgd. Dat Jongeling zich nogal veel bezighield met het staatsrecht was allereerst een gevolg van de ‘nationale’ overheidsvisie van het GPV, waarin een meer autoritaire verhouding tussen regering en parlement werd bepleit. Het GPV verzette zich als vertegenwoordiger van een marginale minderheidsmening tegen de democratische meerderheidsregel dat de helft plus één beslist, door zelf meer op de formele regels van het politieke spel te letten. De partij besteedde echter ook aandacht aan staatsrechtelijke thema’s om politiek te kunnen overleven. Alleen in een stelsel van evenredige vertegenwoordiging konden minderheidsmeningen als die van het GPV namelijk goed tot hun recht konden komen.

 


[1] Herman Veenhof, Zonder twijfel. Pieter Jongeling (1909-1985). Journalist, politicus en Prins (Barneveld 2009) 341.

[2] P. Jongeling, ‘Balken en splinters’, De Gelderlander Pers, 2 juli 1965.

[3] P. Jongeling, ‘Parlementaire perikelen’, Ons Burgerschap, 27 november 1976.