In de driedelige miniserie Grensland Oekraïne, geschreven met het oog op het Oekraïne referendum van 6 april, vertelt historicus Ewout Klei over de geschiedenis van Oekraïne. Vandaag deel I, over het ontstaan van de Oekraïense natie.

Oekraïne betekent ‘grensland’. Door de eeuwen heen werd Oekraïne, of de Oekraïne zoals het gebied vaak werd genoemd, betwist door grote mogendheden. In de afgelopen eeuwen hebben onder andere het Rijk van Kiev-Rus, de Tartaren, de Polen, de Russen, de nazi’s, de communisten en Vladimir Poetin (delen van) het land bezet. In 1991 werd Oekraïne een onafhankelijk land, maar ook toen was de soevereiniteit niet onomstreden, wat de Russische bezetting van de Krim en de door Rusland gesteunde rebellenrepublieken in het oosten van Oekraïne – de Volksrepubliek Donetsk en de Volksrepubliek Loegansk – bewijzen.

 

Kiev-Rus en Ruthenia

In 1025 overleed grootvorst Vladimir. Zijn opvolger Jaroslav de Wijze liet in het gehele rijk kloosters en scholen bouwen. Vanuit daar werd de Byzantijnse cultuur over het hele land verspreid. Ondanks bijnaam was Jaroslav niet zo wijs. Hij verdeelde zijn rijk onder zijn vijf zonen en een kleinzoon. Het Rijk van Kiev-Rus desintegreerde en viel uiteen in elkaar bestrijdende vorstendommen.

In 1240 werd Kiev door de Mongolen, ook wel Tartaren genoemd, geplunderd en verwoest. Dit betekende het definitieve einde van Kiev-Rus. Er ontstonden een aantal opvolgingsrijken, waarvan de Republiek Novgorod, het vorstendom Vladimir-Soezdal en het koninkrijk Galicië-Wolynië de belangrijkste waren. Vladimir-Soezdal in het noordoosten van het oude Kievse Rijk maakte in de veertiende eeuw plaats voor het grootvorstendom Moskou, dat het centrum zou vormen van het latere Rusland. Galicië-Wolynië in het zuidwesten van het voormalige Kiev-Rus zou in 1349 worden veroverd door Polen. Niettemin beschouwen de Oekraïners Galicië-Wolynië als de middeleeuwse voorloper van hun eigen land.

In West-Europa werd het Rijk van Kiev-Rus Ruthenia genoemd. Deze naam werd na de val van Kiev in 1240 gebruikt om de opvolgingsstaten mee aan te duiden, in het bijzonder Galicië-Wolynië. Nadat de Polen dit koninkrijk veroverden noemden ze de plaatselijke boeren Roethenen (de latere Oekraïners). De inwoners van het grootvorstendom Moskou, dat vanaf de zestiende eeuw steeds machtiger zou worden, werden Russen genoemd.

 

Kozakken en het hetmanaat

Het koninkrijk Polen, dat sinds 1385 nauw samenwerkte met Litouwen en met dit vorstendom in 1569 een personele unie aanging, heerste tot de Poolse delingen aan het einde van de achttiende eeuw over grote delen van Rusland, Wit-Rusland en Oekraïne. In 1596 werd door de Poolse overheersers de Grieks-Katholieke Kerk gesticht. De Roetheense onderdanen mochten hun oosters-orthodoxe riten behouden, maar moesten onder het geestelijke gezag van Rome staan. De Roetheense boeren werden lijfeigenen. Ze mochten hun land niet verlaten. De Roetheense boeren die toch aan de Poolse adel wisten te ontsnappen werden ‘Kozakken’ genoemd.

‘Kozak’ betekent ‘vrij man’. De Kozakken waren vrijbuiters die leefden van de veeteelt, de jacht, de visserij en van plunderingen. De Kozakken leefden in het grensland tussen Polen-Litouwen en het rijk van de Krim-Tartaren. Dit gebied stond vanaf het einde van de zestiende eeuw bekend onder de naam de Oekraïne. De Krim-Tartaren hadden zich tot de islam bekeerd en waren vazallen van het machtige Ottomaanse Rijk, dat in 1453 het Byzantijnse Rijk hadden veroverd. Voor de Krim-Tartaren de Ottomaanse Turken vormden de Kozakken een ware plaag. De Kozakken vielen Tartaarse en Turkse dorpen en steden aan en plunderden die. In 1615 en 1625 plunderden de Kozakken met hun schepen zelfs de Ottomaanse hoofdstad Constantinopel. De Sultan moest zijn paleis ontvluchten. In reactie op de aanvallen van de Kozakken vielen Tartaarse horden Polen-Litouwen binnen. Het grensland Oekraïne werd hierdoor een oorlogszone.

 

 

Opkomst van het Oekraïense nationalisme

Tsarina Catharina de Grote annexeerde niet alleen het hetmanaat maar veroverde ook het schiereiland de Krim, dat tot die tijd geregeerd werd door de Krim-Tartaren. Hoewel er van Catharina’s ‘Griekse Project’ – de verovering van het Ottomaanse Rijk en de heroprichting van het Byzantijnse Rijk – niets terecht zou komen breidde het Russische Rijk zich onder haar heerschappij wel enorm uit. Het noorden van Oekraïne werd Klein-Rusland genoemd. In de Russische beleving hoorde de Oekraïne van oudsher gewoon bij Rusland. Het Russische Rijk, als rechtmatige opvolger van Kiev-Rus en het Byzantijnse Rijk, had de oude Russische landen eindelijk weer onder zijn heerschappij gebracht. De inwoners van Oekraïne waren Russen met een ander accent, Klein-Russen, ze vormden geen apart volk.

Het gebied tussen Klein-Rusland en de Krim heette voortaan Novorossiya, Nieuw Rusland. De Russen beschouwden dit gebied als een kolonie net als Nieuw Engeland en Nieuw Nederland, vandaar ook de naam. In Novorossiya stichtten de Russen veel nieuwe steden, zoals de havenstad Odessa. Na de Poolse delingen van 1772, 1793 en 1795 kreeg Rusland de rest van het tegenwoordige Oekraïne in handen, op het meest westelijke deel van het land na. De provincie Galicië werd onderdeel van Oostenrijk-Hongarije.

Taras Sjevtsjenko.[1] Dit zelfportret stamt uit de periode 1851-1853. Sepia op papier.

In de negentiende eeuw kwam het Oekraïense nationalisme op. De Roetheense of Oekraïense boeren waren tot ver in de negentiende eeuw niet bezield van de gedachte dat zij behoorden tot één grotere, Oekraïense natie. De gedachte dat de Oekraïners één volk vormden kwam bij schrijvers vandaan, die hun gedichten en verhalen in de Oekraïense taal gingen opschrijven. In plaats van de begrippen Klein-Russisch en Klein-Rusland werden Oekraïens en Oekraïne populair. Sommige schrijvers begonnen te dromen over een eigen Oekraïense staat, zoals de dichter Taras Sjevtsjenko. Hij wordt niet alleen beschouwd als de schepper van de Oekraïense taal maar ook als de vader van de Oekraïense natie, omdat hij van mening was dat ook het Oekraïense volk recht op zelfbeschikking had.

Overigens voelden lang niet alle etnische Oekraïners zich Oekraïens. Nikolai Gogol vond zichzelf Russisch en werd één van Ruslands grootste schrijvers. Ook de beroemde componist Pjotr Iljitsj Tsjaikovski, bekend van zijn Notenkrakersuite, beschouwde zichzelf als een Rus, terwijl hij de zoon was van een Oekraïense Kozak. Nationale identiteit is niet iets wat voor 100% vaststaat maar mensen hebben hierin ook een keuze, zo laten deze voorbeelden duidelijk zien.

Rusland beschouwde het opkomende Oekraïense nationalisme als een groot gevaar voor de Russische eenheid en was vastbesloten dit de kop in te drukken. Dissident Oekraïense schrijvers werden gearresteerd en van socialisme, separatisme en collaboratie met Polen(!) beschuldigd. De Polen waren in 1830 en in 1863 in opstand gekomen tegen de Russen. In hun paranoia vreesden de Russische machthebbers dat de Oekraïners met de Polen samenspanden.

In het negentiende-eeuwse Oostenrijk-Hongarije werden de Oekraïners nog steeds Roethenen genoemd. De meesten waren arme boeren, die nog steeds werden onderdrukt door de Poolse adel. Aanvankelijk voelde de Roetheense/Oekraïense intelligentsia wel wat voor het Russische nationalisme, het panslavisme. Dit veranderde echter toen Oekraïense nationalisten uit Rusland, op de vlucht voor de agenten van de tsaar, in Oostenrijk-Hongarije een veilig heenkomen zochten. Het panslavisme maakte plaats voor Oekraïens nationalisme. De Oostenrijks-Hongaarse autoriteiten hadden hier weinig moeite mee, omdat ze het Poolse en Russische nationalisme veel gevaarlijker vonden. Ook zouden Oekraïense nationalisten niet overlopen naar Rusland, mochten Oostenrijk-Hongarije en Rusland ooit in oorlog met elkaar geraken.

 

Oorlog en onafhankelijkheid

Oekraïners liepen het gevaar door beide strijdende partijen als verraders te worden beschouwd. Oostenrijk zette aan het begin van de oorlog zo’n 20.000 Russofiele Oekraïners gevangen in het kamp Thalerhof en in het fort Terezín. In Thalerhof stierven in de winter van 1914-1915 duizenden gevangen, omdat er geen barakken voor ze waren gebouwd. Ze moesten in de open lucht slapen. Ook de Russen traden echter wreed tegen de Oekraïners op. De Russische bezettingsmacht van Galicië wilde korte metten maken met het Oekraïense nationalisme en verbood Oekraïens onderwijs en Oekraïense kranten. Ook traden de Russen hard op tegen de Grieks-Katholieke Kerk. Geestelijken dienden terug te keren naar de Russisch-Orthodoxe moederkerk. Wie zich niet conformeerde werd verbannen.

De Russische bezetting van Galicië duurde tot mei 1915. Het Duitse leger, dat het Oostenrijkse leger te hulp was geschoten, joeg de Russen Galicië uit. In juni 1916 probeerden de Russen het tij te keren met het aanvankelijk succesvolle Broesilov-offensief, dat in september vastliep. Het Russische leger kon en wilde in 1917 geen grote offensieven meer ondernemen en in Rusland brak op 8 maart (23 februari volgens de Juliaanse Kalender) de februarirevolutie uit, die een einde maakte aan het bewind van tsaar Nicolaas.

Deze eerste Russische Revolutie – zoals bekend volgde in november de oktoberrevolutie – had grote gevolgen voor Oekraïne. In Kiev richtte men een week na de februarirevolutie een raad op, de Rada, die streefde naar meer autonomie voor Oekraïne. Onafhankelijkheid stond nog niet op de agenda. Doel was het verkrijgen van een autonome status binnen een federatieve Russische republiek. Toch werd de nationale boodschap van de Rada enthousiast onthaald. In het voorjaar van 1917 werden vele Oekraïense pamfletten geschreven en congressen georganiseerd.

De gebeurtenissen volgden elkaar nu in een hoog tempo op. In november 1917 brak in Petrograd (het huidige Sint Petersburg) de tweede Russische Revolutie uit. De Rada accepteerde de nieuwe communistische regering niet en riep twee week later de Oekraïense Volksrepubliek uit, die formeel nog steeds autonomie nastreefde. De communisten in de Rada accepteerden dat niet en weken uit naar Charkov in het oosten van het land, waar ze Oekraïense Sovjetrepubliek uitriepen. Er waren nu twee Oekraïense regeringen. Omdat het Rode Leger oprukte naar Kiev klopte de Rada aan bij de Duitse vijand voor hulp. Met Duitse rugdekking werd in januari 1918 de Oekraïense onafhankelijkheid uitgeroepen en een maand later sloot Oekraïne in Brest-Litovk met Duitsland een separate vrede. Diezelfde maand veroverde het Rode Leger Kiev, dat ze echter in maart weer moesten ontruimen omdat Rusland nu ook vrede met Duitsland had gesloten. Duitsland beschouwde Oekraïne als een protectoraat, vond de Rada te links en daarom schoof de conservatieve generaal Pavlo Skoropadsky naar voren, die vanaf 29 april hetman van de Oekraïnse staat was. Na de Duitse en Oostenrijke capitulatie in november was Skoropadsky zijn beschermheren kwijt. Onder leiding van de Oekraïense nationalist Symon Petljoera brak er nu een opstand tegen Skoropadsky uit. Petljoera vormde als opvolger van de Rada een Directorium. In december 1918 veroverde het Directorium de macht in Kiev.

 

Totale chaos

Tijdens het uiteenvallen van Oostenrijk-Hongarije werd op 1 november 1918 de West-Oekraïense Volksrepubliek uitgeroepen. De hoofdstad van deze nieuwe republiek was Lviv, waar de meerderheid van de bevolking Pools was. De Polen, die na de nederlaag van de Centralen ook onafhankelijk waren geworden, beschouwden Galicië als Pools. Ze verjoegen op 22 november de Oekraïners uit Lviv en herdoopten de stad in Lwów. De Poolse overwinnaars organiseerden daarna een pogrom op de Joden, die tientallen doden eiste. De Joden zouden namelijk met de Oekraïners hebben geheuld.

Op 22 januari 1919 werden de Oekraïense Volksrepubliek (nu onder leiding van het Directorium dus) en de West-Oekraïense Volksrepubliek verenigd tijdens een plechtige bijeenkomst op het plein voor de Sofia-kathedraal in Kiev. Het was allemaal schijn. De West-Oekraïense Volksrepubliek had geen hoofdstad en haar kleine leger slaagde er niet om de Polen te verslaan; de Oekraïense Volksrepubliek werd behalve door het Rode Leger ook bedreigd door de tsaristische ‘Witten’, die het zuiden van het land en de Krim hadden bezet en vochten voor het herstel van het tsarenrijk, inclusief Oekraïne dus. Ten slotte waren er ook nog de boerenlegers van Matvi Hryhorjiv en Nestor Machno, die een groot deel van het zuidoostelijke steppegebied van Oekraïne bezet hielden. Hun anarchistische legertjes sloten tijdelijke bondgenootschappen, dan weer met de nationalisten en dan weer met de communisten, maar hun doel was om te overleven zo veel mogelijk te plunderen.

In 1920 was het einde van de chaos bijna in zicht. De Oekraïense nationalisten probeerden nu met Poolse steun de communisten te verslaan. Het Pools-Oekraïense leger veroverde in april Kiev, maar moest na een tegenoffensief op 6 mei de stad ontruimen. Het Rode Leger rukte op naar Polen maar werd bij Warschau verslagen. In maart 1921 sloten Polen en de Sovjet-Unie de Vrede van Riga, waar ze besloten Oekraïne te verdelen. Het uiterste westelijke deel kwam bij Polen, Tsjecho-Slowakije en Roemenië kregen allebei een klein stukje en het grootste deel van Oekraïne kwam bij de Sovjet-Unie. Ten slotte probeerde in november 1921 een klein Oekraïens expeditielegertje opnieuw om vanuit Polen Rusland binnen te vallen, maar deze onderneming faalde jammerlijk en meer dan 350 gevangen genomen strijders werden tegen de muur gezet. Hiermee kwam, totdat in 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, een voorlopig einde aan de chaos die Oekraïne al die jaren in de greep had gehouden.

 

Voorlopige balans

Tijdens de chaos in de jaren 1918-1920 braken er overal in Oekraïne pogroms uit. Volgens de schattingen zijn daarbij zo’n 150.000 Joden omgekomen. Elke partij maakte zich er schuldig aan: de Oekraïense nationalisten, de Witten, de anarchisten en soms ook het Rode Leger. Het antisemitisme zat heel diep. Petljoera, de leider van de Oekraïense nationalisten, werd in 1924 door een Joodse anarchist vermoord uit wraak voor de pogroms. In tegenstelling tot de zeventiende-eeuwse Kozakkenleider Chmelnytsky, die de Joden haatte en opriep om ze te vermoorden, was Petljoera overigens geen antisemiet. Hij durfde de Joden echter niet te helpen.

De voorlopige balans voor de Oekraïense helden valt hierdoor negatief uit. Vrijheidsstrijder Chmelnytsky was een bloeddorstige schurk, vrijheidsstrijder Petljoera was een mislukte staatsman en een morele lafaard. De Oekraïense nationalistische leider Stepan Bandera, waarover het volgende deel van dit drieluik onder andere zal gaan, staat als zeer controversiële figuur dus niet bepaald alleen.

 

Afbeeldingen: Wikipedia / Wikimedia Commons