Vandaag zien we in de serie Ewouts Erflaters de Zeelandse zeeheld Johan Evertsen langskomen. Bakboord, stuurboord of overboord, wat u maar wilt.

Afgelopen zomer was ik op vakantie in Zeeland. In de Oude of St. Pieterskerk in het centrum van Middelburg ligt het praalgraf van twee zeehelden waar ik nog nooit van had gehoord: Johan Evertsen en Cornelis Evertsen. Beide broers waren in 1666 gesneuveld tijdens de Tweede Engelse Zeeoorlog. Het leek mij wel interessant om over Johan Evertsen, de oudste van de twee, een verhaal te schrijven voor mijn serie Erflaters. Michiel de Ruyter, Maerten Harpertszoon Tromp en Piet Hein kennen we natuurlijk allemaal, maar Nederland heeft veel meer zeehelden voortgebracht. Johan Evertsen, die onder andere heeft gevochten in de zeeslagen bij Duins (1639), Ter Heyde (1653), Lowestoft (1665) en de Tweedaagse Zeeslag (1666), krijgt in dit artikel de aandacht die hij verdient.

De Tachtigjarige Oorlog
Tussen 1550 en 1750 hebben zeven Evertsen een grote rol gespeeld in de vele oorlogen die de Republiek der Zeven Provinciën in die periode voerde. De Evertsen zijn vernoemd naar Evert Hendrickse (1540-1601), die als geus de Zeeuwse wateren onveilig maakte voor de Spanjaarden. Evert werd vanwege zijn moed zo gewaardeerd dat de Zeeuwse Staten hem admiraal wilden maken, maar Willem van Oranje had liever een edelman op die post. In tegenstelling tot veel van zijn nazaten sneuvelde vice-admiraal Evert niet maar ging hij gewoon met pensioen, waar hij overigens slechts een jaartje van heeft kunnen genieten.
Jan Evertsen, de vader van Johan en Cornelis, bracht het tot schout-bij-nacht. Hij sneuvelde in 1617 tegen piraten in het Kanaal. Johan en Cornelis zouden het allebei schoppen tot luitenant-admiraal van de Zeeuwse vloot. Johan Evertsen was de oudste zoon van Jan. Behalve Cornelis had hij nog drie broers, Evert, Pieter en Geleyn, die echter allemaal vroegtijdig het leven zouden laten. Evert en Pieter kwamen in 1625 om in de strijd tegen de beruchte Duinkerker kapers, Geleyn sneuvelde twee jaar later in een gevecht tegen een Portugees galjoen.

Johan Evertsen werd op 1 februari 1600 geboren in Vlissingen. We weten weinig van zijn jeugd. Toen hij dertien was werd hij busschieter op de Zeehont, het schip waarvan zijn vader een jaar later kapitein werd. Johan werd in 1616 schipper op deze boot. Drie jaar later, zijn vader was inmiddels overleden, kreeg Johan zijn eigen schip. Hij vocht tegen de Duinkerker kapers, die vanuit hun kapersnest de Nederlandse handelsvloot en vissersvloot het heel lastig wisten te maken. De strijd was zwaar. De beroemde admiraal Piet Hein, die in 1628 de zilvervloot had veroverd op de Spanjaarden, zou nog geen jaar later in de strijd met de Duinkerker kapers sneuvelen. Schout-bij-nacht Johan Evertsen boekte uiteindelijk meer succes. In 1636 viel een eskader onder zijn leiding de kapers aan, waarbij kapitein Joost Banckert de gevreesde kaperkapitein Jacques Collaert gevangen wist te nemen.
Voor zijn aandeel in de operatie werd Evertsen een jaar later, in februari 1637, bevorderd tot vice-admiraal van de gecombineerde vloot van Holland en Zeeland. Zijn meerdere was admiraal Maerten Harpertszoon Tromp, daarnaast moest Evertsen samenwerken met vice-admiraal Witte de With. Tromp had minder dienstjaren dan Evertsen maar was een Hollander. De Hollanders wilden alleen een Hollander als admiraal, geen Zeeuw. Hoewel Evertsen zich door Tromp dus enigszins gepasseerd voelde kon hij toch goed met hem opschieten. Met Witte de With raakte Evertsen echter in een verbitterd conflict, een ruzie die voor de Nederlandse zeegeschiedenis grote gevolgen zou hebben.

De ruzie vond haar oorsprong in de slag bij Duins in 1639. Tromp wilde voorkomen dat de Engelse vloot de tweede Spaanse armada te hulp zou schieten, daarom moest een deel van de Nederlandse vloot in Engelse wateren de boel in de gaten houden. Tromp vond dat Evertsen dit moest doen, maar hij weigerde omdat een eventueel treffen grote schade zou toebrengen aan de Engels-Zeeuwse handelscontacten. Ook wilde Evertsen geen prijzengeld mislopen. Officieren kregen namelijk een deel van de buit van een veroverd schip, mits ze ook aan de verovering van dit schip hadden meegedaan. Witte de With kreeg uiteindelijk de opdracht de Engelsen in de gaten te houden, met als gevolg dat hij een boel prijzengeld misliep. Hij was hierover zo verbolgen dat hij Evertsen voor de rest van zijn leven – Witte de With zou in 1658 sneuvelen in de Slag bij de Sont – heeft gehaat. De ruzie tussen beide vice-admiraals had gevolgen voor de al zo precaire verhouding tussen Holland en Zeeland.

De Eerste Engelse Zeeoorlog
Tussen 1639 en 1652 hield Johan Evertsen zich nauwelijks bezig met de oorlog op open zee. Hij was belast met de organisatie van de Zeeuwse vloot en de verdediging van de Zeeuwse binnenwateren. Toen in 1652 de Eerste Engelse Zeeoorlog uitbrak werd er echter weer een beroep op Evertsen gedaan. Tot groot ongenoegen van Witte de With werd Evertsen als opvolger benoemd mocht Tromp sneuvelen. De Nederlandse vloot zocht de Engelse op maar kon die niet vinden, waarop Tromp van zijn gezag werd ontheven. Johan Evertsen moest met zijn schip op zee blijven, zodat zijn bemanning niet zou deserteren. Hier zat waarschijnlijk raadspensionaris Johan de Witt achter, die de Oranjegezinde Evertsen als een tegenstander beschouwde en liever Witte de With als opperbevelhebber zag. Witte de With werd in plaats van Tromp voor een tijdje opperbevelhebber van de Nederlandse vloot, maar de rancuneuze zeeman maakte er een zooitje van. Een groot deel van de vloot, niet alleen de Zeeuwen maar ook veel Hollanders, waren zeer Oranjegezind. Daarnaast maakte Witte de With door zijn moeilijke karakter veel vijanden. De Nederlandse vloot verloor in 1652 de zeeslag bij Duins (niet te verwarren met de zeeslag van 1639 tegen de Spanjaarden), omdat veel kapiteins het gezag van Witte de With niet wilden accepteren.

Tijdens de zeeslag bij Dungeness van 1653, die door de Nederlanders werd gewonnen, en tijdens de Driedaagse Zeeslag, die door de Nederlanders werd verloren, kwam Evertsen twee keer ‘to the rescue’. Tijdens de slag bij Dungeness redde hij het leven van admiraal Tromp door het Engelse schip te enteren dat bezig was het schip van Tromp te enteren. Het leven van schout-bij-nacht De Ruyter redde Evertsen tijdens de Driedaagse Zeeslag door met zijn eskader De Ruyter te hulp te schieten, die op dat moment door twintig Engelse schepen werd belaagd. Deze heldenactie en de persoon Johan Evertsen hebben de speelfilm Michiel de Ruyter trouwens helaas niet gehaald.

In de jaren vijftig van de zeventiende eeuw verliepen zeeslagen nog behoorlijk chaotisch. Pas in de jaren zestig zou de Nederlandse vloot onder leiding van De Ruyter in een strakke linie varen en zouden kapiteins zich houden aan de centrale bevelen die met vlaggen werden aangegeven. Evertsen was in tegenstelling tot De Ruyter een zeeman van de oude stempel. Zijn ‘onbesuisdheid’ was misschien niet altijd even tactisch, maar zonder Evertsen zou De Ruyter wellicht zijn gesneuveld en nooit de held zijn geworden die hij uiteindelijk geworden is.

Witte de With verspreidde later de leugen dat de Nederlandse vloot dankzij Evertsen de Driedaagse Zeeslag zou hebben verloren. In het anonieme pamflet Rotterdams Zeepraetjen tusschen een koopman, een burger en een stuurman, dat hoogstwaarschijnlijk in opdracht van Witte de With is geschreven, werd flink met modder gegooid. Tromp was not amused en maakte de rancuneuze zeeheld uit voor ‘blauwboekmaker’ (blauwboek is een ander woord voor schotschrift). Tromp sneuvelde tijdens de zeeslag bij Ter Heyde, die door de Nederlanders overigens in strategisch opzicht gewonnen werd, want ze hadden de Engelse zeeblokkade gebroken. Witte de With nam het bevel van de vloot op zich en joeg daarna meteen iedereen tegen zich in het harnas door met scherp te schieten op de Nederlandse schepen die de zeeslag wilden ontvluchten.

Witte de With hoopte natuurlijk opperbevelhebber te blijven, maar omdat hij veel verzet opriep bij de Nederlandse vloot moest iemand anders aan het roer staan. Johan Evertsen had de meeste ervaringen en de meeste dienstjaren, maar Johan de Witt wilde absoluut niet dat een Zeeuwse Oranjeklant ook de baas zou zijn over de Hollandse vloot. Er werd een compromis gezocht en dat compromis heette Jacob van Wassenaar, heer van Obdam. Deze landofficier was een nog slechtere kandidaat voor het opperbevel dan Witte de With, maar Johan de Witt hield Wassenaar van Obdam de hand boven het hoofd. Bovendien werd de omstreden Witte de With tweede man van de vloot. Evertsen was zo boos dat hij een tijdlang niets meer van zich liet laten horen. Pas toen Witte de With in 1658 sneuvelde in de Slag bij de Sont tegen de Zweden wilde Evertsen weer meedoen. Maar weer werd hij gepasseerd. Michiel de Ruyter werd de nieuwe tweede man.

De Tweede Engelse Zeeoorlog
In december 1664, een jaar voor het uitbreken van de Tweede Engelse Zeeoorlog, besloten de Staten van Zeeland Johan Evertsen te benoemen tot luitenant-admiraal van Zeeland. De Zeeuwse Staten hoopten dat hij hierdoor stellig de opvolger van Wassenaar van Obdam zou worden, mocht de opperbevelhebber van de Nederlandse vloot sneuvelen. Helaas voor de Staten van Zeeland besloten de Staten van Holland en West-Friesland hun eigen luitenant-admiraal te benoemen, om zo te voorkomen dat een Zeeuw straks misschien aan het roer zou staan.

De Nederlandse vloot leed in juni 1665 bij Lowestoft een smadelijke nederlaag tegen de Engelsen. Het vlaggenschip van Wassenaar van Obdam vloog de lucht in. Vlak daarvoor was luitenant-admiraal Egbert Meussen Cortenaer gesneuveld die hem had moeten opvolgen. Johan Evertsen kreeg het opperbevel in handen en moest voor de aftocht zorgen. Die verliep uiterst chaotisch. Cornelis Tromp, de eerzuchtige zoon van Maerten Tromp, meende dat hij de opperbevelhebber was geworden en voer met het grootste deel van de vloot naar Texel. Met slechts vier schepen kwam Johan Evertsen aan in Hellevloetsluis.

Het volk dacht ten onrechte dat de gehele Nederlandse vloot ten onder was gegaan en gaf Evertsen de schuld. Toen hij naar Den Haag verslag moest uitbrengen over de zeeslag werd hij in Den Briel herkend, uit de koets getrokken en in de gracht gegooid. Het gerucht ging dat Johan de Witt het volk tegen hem had opgestookt, wat de moord op Johan de Witt in 1672 in een ander perspectief plaatst. Bijna verdronk de 65-jarige luitenant-admiraal, maar hij werd door enkele soldaten gered en wist ’s nachts uit de stad te ontsnappen. De krijgsraad sprak Johan Evertsen vrij, maar zijn reputatie was beschadigd. Cornelis Evertsen werd benoemd tot luitenant-admiraal en nam het bevel van de Zeeuwse vloot op zich. Lang bleef Cornelis niet in die post, want hij sneuvelde in juni 1666 tijdens de Vierdaagse Zeeslag. Johan Evertsen moest het Zeeuwse smaldeel van de vloot weer gaan leiden. Johan de Witt sputterde tegen, maar ging uiteindelijk schoorvoetend akkoord.
Tijdens de Tweedaagse Zeeslag van 4 en 5 augustus 1666, die door de Nederlandse vloot werd verloren, sneuvelde onze held. Op 4 augustus werd Johan Evertsen enkele uren nadat de slag was aangevangen geraakt door een botkogel, die één van zijn benen eraf schoot. Hij overleed de volgende dag.

De admiraal die achter het net viste
Volgens amateurhistoricus Gerben Graddesz Hellinga, auteur van het prachtige boek Zeehelden uit de Gouden Eeuw, betekende het sneuvelen van Evertsen voor de Republiek op dat moment een minder groot verlies dan het vijftien jaar eerder zou hebben gedaan. Hij was namelijk een zeeheld van de oude stempel, die uitging van het eigen initiatief en zich niet senang voelde bij de strak geregisseerde liniegevechten waar Michiel de Ruyter als admiraal in zou uitblinken. Evertsen had daarnaast de pech een Zeeuw te zijn. Omdat de Hollanders geen Zeeuw als bevelhebber wensten viste Evertsen telkens achter het net. Michiel de Ruyter, die ook uit Vlissingen kwam, schopte het uiteindelijk wel tot bevelhebber van de Nederlandse vloot, maar hij zo slim geweest om naar Amsterdam te verhuizen. Ook in de zeventiende eeuw was dat een goede carrièrestap.

Het is begrijpelijk dat Michiel de Ruyter, vanwege zijn overwinningen tijdens de Vierdaagse Zeeslag, de tocht naar Chatham in 1667 en zijn overwinningen bij Solebey in 1672 en Schooneveld en Kijkduin in 1673 onze ‘Bestevaer’ werd. De Ruyter professionaliseerde de zeegevechten en zijn tactische inzichten zorgden ervoor dat Nederland de Tweede en de Derde Engelse Zeeoorlog won. Maar De Ruyter was niet de enige Nederlandse zeeheld die geschiedenis schreef. Johan Evertsen wist tijdens de Tachtigjarige Oorlog en de Eerste Engelse Zeeoorlog zijn mannetje te staan. En als Evertsen hem niet te hulp was geschoten zou De Ruyter tijdens de Driedaagse Zeeslag zijn gesneuveld. Zonder Evertsen geen ‘Bestevaer’ dus. De provincie Zeeland eerde Johan Evertsen door een grafmonument voor hem en zijn broer te laten bouwen, die overigens door de familie Evertsen zelf is gefinancierd vanwege chronisch geldgebrek (ook toen al waren er problemen bij aanbestedingen door de overheid). De Nederlandse marine heeft Evertsen meerdere malen geëerd door een oorlogsschip naar de admiraal te vernoemen. En Jalta eert Evertsen ten slotte door hem op te nemen in de illustere serie Ewouts Erflaters.