Op 1 april 2009, een tijdje geleden alweer, hield ik een referaat over het Gereformeerd Politiek Verbond en ‘de andere jaren zestig’. Dit verhaal blijft actueel, om het fenomeen van politiek-culturele tegenbewegingen te begrijpen. 

 

 

De jaren zestig
Als je denkt aan het Nederland van de jaren zestig denk je aan de Provo’s met hun antirookmagiërs en het witte fietsenplan, de seksuele revolutie, de bezetting van het Maagdenhuis, de Nacht van Schmelzer die de val van het kabinet-Cals inluidde en de oprichting van D’66 en Nieuw Links. De jaren zestig zijn de geschiedenis ingegaan als de tijd waarin hoogopgeleide jongeren in opstand kwamen tegen traditionele instituties als gezin, kerk, monarchie, politieke partij en universiteit en hun ideeën op provocerende wijze onder de aandacht probeerden te brengen.

witte-fietsenplan

Enkele nieuwe partijen probeerden de culturele revolutie in politiek te vertalen. In 1968 werd de PPR opgericht door katholieke radicalen. Ze waren ontevreden over de conservatieve koers van de KVP, die onder leiding van Norbert Schmelzer in 1966 het progressieve rooms-rode kabinet-Cals had laten vallen. In 1996 werd D’66 opgericht. Leider Hans van Mierlo wilde een ontploffing van het politieke bestel en pleitte daarom voor de rechtstreekse verkiezing van de minister-president en de herinvoering van het districtenstelsel. Ondanks het feit dat D’66 met zeven zetels debuteerde ontplofte het politieke bestel niet.

Belangrijker dan deze nieuwe partijen was de opkomst van Nieuw Links binnen de PvdA. De groep veroverde rond 1970 de sleutelposities binnen de partij. Nieuw Links was in 1966 opgericht na de nacht van Schmelzer. De PvdA-radicalen waren fel anti-Amerika en anti-KVP en wilden door middel van de zogenaamde polarisatiestrategie een einde maken aan de confessionele dominantie in de Nederlandse politiek.

 

Nieuw Babylon in aanbouw
De collectieve herinnering van Nederland aan de jaren zestig is erg romantisch. Misschien is dit wel het sterkst gebeurd in de strip Van nul tot nu, waarin de ontzuiling, Provo en natuurlijk de vrije liefde kleurrijk zijn verbeeld. De ontnuchtering kwam in 1995, zo’n tien jaar na Van nul tot nu. Bijzonder is ook dat een buitenstaander, de Amerikaanse historicus James Kennedy, het romantische beeld heeft gecorrigeerd. Volgens Kennedy waren niet de provo’s maar de pragmatische en toegeeflijke regenten verantwoordelijk voor de culturele revolutie in de jaren zestig, omdat zij maatschappelijke veranderingen als onafwendbaar beschouwden.

nieuw-babylon

Kennedy ontleende de titel van zijn boek aan de tentoonstelling New Babylon. De basis van deze tentoonstelling werd gevormd door een kunstwerk van Constant Nieuwenhuys, die na het lezen van het boek Homo ludens van Johan Huizinga de idee ontwikkelde voor een utopische stad waarin de spelende mens helemaal vrij kon zijn. New Babylon was een blauwdruk voor een nieuwe cultuur waarin de mens bevrijd was van knellende banden als werk, kerk en gezin. De tentoonstelling is een metafoor voor wat er in de jaren zestig in Nederland gebeurde: er werd een nieuwe revolutionaire cultuur geschapen waarin radicaal gebroken werd met het verleden.

 

‘De andere jaren zestig’

Een andere historicus die het romantische beeld van de jaren zestig heeft bekritiseerd is Koen Vossen. In zijn artikel ‘De andere jaren zestig’ betoogt hij dat we ons te eenzijdig focussen op progressieve vernieuwers en daarom vergeten dat in de jaren zestig ook tegenkrachten werkzaam waren. In 1967 behaalde niet alleen protestpartij D’66 zeven zetels maar ook de Boerenpartij van Hendrik Koekoek. Dat Koekoek in de geschiedenisboeken minder aandacht krijgt komt omdat hij niet past in het progressieve beeld dat wij van de jaren zestig hebben maar ook omdat zijn partij al vrij gauw ten onder ging aan interne ruzies. Volgens Vossen konden de Boerenpartij en andere rechtse partijtjes als gevolg van de grote maatschappelijke veranderingen in de jaren zestig tot bloei komen. Een grote groep mensen was in reactie op deze culturele revolutie onzeker geworden over de toekomst. Lieden als Hendrik Koekoek en Louis Rudolph Jules Ridder van Rappard, die beide opkwamen voor gezagshandhaving en de rechten van “de kleine man”, stonden symbool voor de andere jaren zestig.

boer-koekoek

Vossen biedt een interessant perspectief op de jaren zestig. Hij toont aan dat er in reactie op vernieuwingen een tegenbeweging opkomt. Vossen focust op reactionaire nationalisten, maar orthodoxe christenen passen in zekere zin ook in het plaatje van ‘de andere jaren zestig’. Het revolutiejaar 1966 was ook het jaar dat het Nationaal Evangelisch Verband werd opgericht en een jaar later ontstond de Evangelische Omroep. Het NEV was een organisatie voor supporters van de politiek van het Gereformeerd Politiek Verbond, dat sinds 1963 in de Tweede Kamer werd vertegenwoordigd door het Kamerlid Pieter Jongeling. Deze supporters konden in de regel geen lid van het GPV worden omdat ze geen lid waren van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Het GPV, in de jaren veertig en vijftig een partij van en voor vrijgemaakten, probeerde in de jaren zestig met ‘bondgenoten’ de “progressief-revolutionaire opmars” te stuiten.

 

Kleine vaderlanders

In de periode 1959-1966 ontwikkelde het GPV voor het eerst een eigen politiek programma, het program van richtlijnen, dat vooral het werk was van huisideoloog Bart Verbrugh. Het GPV noemde zichzelf een “nationaal-gereformeerde” partij en stond een conservatieve, nationalistische politiek voor. Men was voor een sterk leger, het behoud van de Nederlandse koloniën, de apartheidspolitiek in Zuid-Afrika en versterking van de monarchie en tegen Europese eenwording. In 1963 stond op de verkiezingsposters ‘Den vaderland getrouwe’. Het GPV verwees naar deze passage in het Wilhelmus om daarmee aan te tonen dat men zeer Oranjegezind en vaderlandslievend was.

07-1967_gpv_tk-1b

In 1967 ging het GPV de verkiezingen in onder de leus ‘Voor vorstenhuis en vaderland’. Jongeling was zeer geschrokken van de rookbom die Provo op 10 maart 1966 tijdens de bruiloft van Beatrix en Claus tot ontploffing had gebracht en meende dat de monarchie werd bedreigd. Omdat de autoriteiten te weinig deden zouden de ware Nederlanders, de gereformeerden, hun geliefde van God gegeven Oranjevorst weer moeten beschermen, net als in 1918 tijdens de ‘revolutie’ van Pieter Jelles Troelstra. In de verkiezingsbrochure Bij de tweesprong hekelde Jongeling Cals, omdat de premier enkele provo’s op audiëntie had uitgenodigd en hen had laten uitleggen waar Provo nou precies voor stond. Volgens Jongeling mocht je niet met revolutionairen onderhandelen. Exact hetzelfde voorval wijst Kennedy in zijn proefschrift aan als hét voorbeeld waaruit blijkt dat de regenten naar de radicale maatschappijhervormers toe toegeeflijk zijn. Bovendien werd ook in Bij de tweesprong de tentoonstelling New Babylon genoemd. Omdat Kennedy zich in zijn proefschrift voornamelijk heeft beziggehouden met de progressieve vernieuwers kende hij de brochure van Jongeling niet. Dat ze allebei onafhankelijk van elkaar tot eenzelfde conclusie kwamen is wel bijzonder.

 

Oranjefascisten?

Hoewel het GPV wel enige afstand hield tot figuren als Koekoek en Van Rappard, die vooral rechts waren en het christelijk geloof daaraan ondergeschikt maakten, visten het GPV en de rechtse splinters wel in dezelfde electorale vijver. Op 20 oktober 1970 voerde J.P. de Vries namens het GPV een gesprek met twee ex-Boeren die de Rechtspolitieke Unie hadden opgericht en hoopten dat Jongeling voor deze nieuwe partij lijsttrekker wilde worden. Het feest ging niet door omdat samenwerking met niet-vrijgemaakten behalve in het NEV streng uit den boze was, maar het zegt wel wat over de waardering die Jongeling in rechtse kringen genoot.

Tweede Kamer debat, Verbrugh (GPV) interpelleert over defensienota - NL-HaNA 2.24.01.05 0 927-2634 WM239.jpg

GPV en NEV presenteerden zich tegenover de Boerenpartij en andere rechtse splinterpartijtjes als hét concentratiepunt van de tegenbeweging tegen de jaren zestig. De term ‘beweging’, die we nu associëren met de beweging Trots op Nederland van Rita Verdonk, werd door partij-ideoloog Verbrugh ook van toepassing geacht op het bondgenootschap tussen GPV en NEV. Beide organisaties vormden één beweging die zich ten doel stelde het regeerkasteel te veroveren en dan de Nederlandse grondwet te hervormen in christelijke zin, zodat het christelijke karakter van de Nederlandse natie en staat bewaard zou blijven. In het verkiezingsprogramma van 1967, waarin de hand van Verbrugh duidelijk zichtbaar is, keerde het GPV zich tegen de grote partijen KVP, ARP, CHU, PvdA en VVD die allemaal hetzelfde zouden voorstaan. Bovendien werd deze beweging expliciet vergeleken met de Nationaal Socialistische Beweging van Anton Mussert.

Als het anti-socialistische en anti-liberalistische verzet zo geleid wordt, dat het naar fascisme en naar een soort nieuwe N.S.B. toegaat, begrijpt het volk gauw genoeg, dat het zó niet moet en trekt het zijn steun in. (…) Maar het kan ook anders. Het verzet kan ook groeien naar een nieuwe volksbeweging, die precies even anti-socialistisch en anti-liberalistisch is, maar nu met een goede kern erin, die kiest voor een nationaal-gereformeerd politiek program, en waarop later een beter type van regering kan steunen.

Belangrijk voor het nationalistische gevoel waren de massabijeenkomsten die GPV en NEV samen organiseerden. De sfeer op deze Nationale Appèls was militant. GPV-voormannen Jongeling en Verbrugh hielden vurige speeches en de aanwezigen zongen oud-vaderlandse strijdliederen uit Valerius’ Gedenkklanck. Op 29 januari 1966 hield het GPV in de Margriethal te Utrecht een Algemene Vergadering, waar duizenden GPV’ers en NEV’ers op waren afgekomen. Op deze vergadering wekte Verbrugh golven van enthousiasme toen hij Schilders verzetsleus uit 1940 opnieuw toepaste:

De schuilkelder uit! De uniform aan! Laat zien wie u is! Sluit u aan bij het leger, dat wil opmarcheren voor vorstenhuis en vaderland, voor onze vrijheid en onafhankelijkheid, voor de roeping van ons volk in de wereld! Ere zij God en leve het Vaderland!

Ook sprak Jongeling, die al applaus kreeg voordat hij op het podium stond. Hij hoopte dat zijn aanhangers “weer iets kregen van de rondkoppen van Cromwell, die als je ze had doodgeschoten nog een duw moest geven vóór ze omvielen…” Ook herinnerde Jongeling aan het sterke geloof van de 37 Hugenotenvrouwen, die in een grote donkere toren werden opgesloten en pas vrij mochten, als zij hun geloof zouden verloochenen. Uiteraard deed niemand dit en uiteindelijk leefde er nog maar één, die met een spijker één woord in de wand had gegrift: “résister, volhouden!” Net als deze vrouw moesten de GPV’ers en NEV’ers zich verzetten en standhouden tegen de “hersenspoeling die men ons tracht te doen ondergaan.”

Op 28 januari 1967 hielden GPV en NEV hun Nationaal Appèl in de Magriethal te Utrecht, waar meer dan vierduizend mensen op waren afgekomen. Verbrugh sprak toen over “een inspectie van de nationaal-gereformeerde troepen, die weer in Nederland kunnen worden verzameld.” In 1968 herdachten GPV en NEV de Slag bij Heiligerlee van 1568, het startschot voor de Tachtigjarige Oorlog. Op deze bijeenkomst was spraken ook Leo van Heijningen, ex-lid van de Boerenpartij, en ds. C.M. Graafstal, voorzitter van de Federatie van Christelijke Oranjeverenigingen. In zijn toespraak riep Graafstal zijn jonge luisteraars op om dienst te nemen bij de Nationale Reserve. Na een overdonderend applaus maakte Graafstal nog bekend dat hij wel eens met een pistool had geschoten, zij het niet op straat, maar “alleen met onze mannen.”

Buitenstaanders stonden er bij en keken er naar. Henry Faas van de Volkskrant vroeg zich na een toespraak van NEV-voorzitter J.P.A. Mekkes over de ‘leugen der democratie’ af of GPV’ers Oranjefascisten waren. Ook vanuit eigen kring kwam er kritiek. Toen in augustus 1967 in Ons Politeuma een kadercursist een nieuw GPV-lied had geschreven, getiteld ‘Thans is de tijd gekomen’, werd hier door de NRC de draak mee gestoken. De krant vroeg zich af “welke vrijgemaakte Jongeling of ouderling het in de toekomst het luidst zal zingen.” Ds. M.J.C. Blok noemde het lied “een soort Horst-Wessel-lied, met een poging tot gereformeerde grondslag” en GMV’er H.P. de Roos vond de kritiek van de NRC volkomen terecht:

Als er dan zo nodig een strijdlied aangeheven moet worden, waarom dan ons rijke psalmboek niet eens doorzocht? Ik zing liever: “De Heer zal opstaan tot de strijd, Hij zal zijn haters wijd en zijd doen vluchten”, dan dat ik moet zingen: “Wij zijn niet meer te tomen”, “Wij gaan de staat hervormen”. Ik ben het brallende J.V.-bondslied uit de tijd voor de oorlog nog niet vergeten. Geef ons alstublieft niet het gesnoef: “Wij, Gereformeerden”, van die jaren terug. Wij meenden in onze natie de lakens te kunnen uitdelen, maar hoe rot dat leven was bleek in de jaren veertig wel. Ik dacht dat we daarvan wel iets geleerd zouden hebben. Daarom mijn dringend verzoek: verhef dit lied niet tot “strijdlied” en laat het niet in Heiligerlee zingen. Graaf Adolf zou zich er voor schamen.

Vrijgemaakte studenten konden er wel om lachen. In de jaren zestig en zeventig werd op de studentenverenigingen een parodie op het Horst-Wessel-lied gezongen, waarvan het eerste couplet luidde:

Die Fahne hoch, die Strassen frei,
das GPV marschiert vorbei.
Hundert man und ein Jungling
jagen die Rest über die Kling.

 

Kolonels of kabouters?

Het GPV was niet ongevoelig voor deze kritiek. Ondanks het feit dat het GPV in de jaren zestig behoorlijk nationalistisch was, werd door sommige GPV’ers af en toe geprobeerd om toch afstand te houden van de nationalistische splinterpartijtjes waar vooral Verbrugh zo mee leek te flirten. Zo zei Jongeling tegen Koers-redacteur Rik Valkenburg:

Wij zijn géén nationalisten, dat is afgoderij, als men eigen regering, eigen staat, eigen natie boven God en Zijn Woord zet. Maar wij zijn wel Nederlanders, die naar Gods Woord wensen te leven.

Jongeling had in de Tweede Wereldoorlog in het verzet gezeten en na zijn gevangenneming de verschrikkingen van het concentratiekamp meegemaakt, dus hij wist hoe gevaarlijk doorgeschoten nationalisme kon zijn. Ook Professor J. Kamphuis waarschuwde op het Nationaal Appèl van 1971 voor de verheerlijking van het gezag en het bouwen op een sterke man. Men moest volgens hem tegen revolutie én tegen reactie strijden, want het GPV was geen fascistische partij. Tenslotte distantieerde ook fractiemedewerker Ad de Boer, later directeur van de EO, zich duidelijk van reactionair rechts toen hij op het Nationaal Appèl van 1972 sprak over ‘Kolonels of kabouters’, daarmee doelend op het leger dat geassocieerd werd met orde en gezag, en op de anarchistische kabouterbeweging van ex-Provo Roel van Duijn.

De Boer vertelde mij in een interview dat GPV en NEV elkaar vonden in het reactionaire, maar dat de GPV’ers eigenlijk niet zo reactionair waren. Hij heeft hier een punt te pakken. Reactionair waren vooral de politieke visioenen en vrienden van Verbrugh. Veel GPV’ers hadden dit niet helemaal in de gaten. Ze waren natuurlijk wel rechts, maar vonden politieke vraagstukken eigenlijk alleen interessant als deze in verband konden worden gebracht met kerkelijke vraagstukken. De kerk slokte bijna alle aandacht op. In de jaren zestig werden de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) namelijk geconfronteerd met een nieuwe kerkbreuk. Mede als gevolg van deze kerkbreuk kwam de samenwerking met het NEV onder druk te staan en in mei 1972 werd de samenwerking stopgezet. De officiële reden was dat het NEV gesprekken was aangegaan met de SGP en verontruste ARP’ers en CHU’ers, maar de eigenlijke reden was dat de GPV-leiding geen behoefte had aan een breuk in de partij.

In 1971 en 1972 behaalde het GPV als gevolg van het Jongeling-effect bij de Tweede Kamerverkiezingen beide keren twee zetels. De partij verloor hierna echter het momentum. De Evangelische Omroep, die alle orthodox-protestantse christenen wilde verenigen, nam het initiatief over en werd het nieuwe concentratiepunt van de rechts-christelijke tegenbeweging.

Het GPV was in de jaren zestig onder leiding van Jongeling een rechtse en nationalistische partij. GPV en NEV beschouwden zichzelf als een beweging en de sfeer op hun vergaderingen was nogal militant. Het is daarom niet zo vreemd dat buitenstaanders de beweging in verband brachten met fascisme. Deze vergelijking is echter niet terecht. Partijprominenten – waaronder Jongeling – namen begin jaren zeventig ondubbelzinnig afstand van het doorgeschoten nationalisme. Ook was de vrijgemaakte achterban nauwelijks geïnteresseerd in politiek. Niettemin is het bruine vlekje op de oranje burcht opvallend genoeg om daar als historicus de vinger bij te leggen.

Foto’s: Pinterest, Wikimedia / Wikipedia Commons, GPV-archief.