Hoe vormt de Trans-Atlantische slavenhandel een litteken op de Nederlandse koloniale geschiedenis?

Nieuw-Amsterdam, Curaçao, forten aan de Afrikaanse kusten en de Nederlandse Kaapkolonie: het is een kleine greep van Nederlandse kolonies uit onze koloniale geschiedenis. Van de Amerikaanse continenten tot de kusten van Afrika, de Nederlanders slaagden erin om een significant marktaandeel te verwerven in de koloniale handel die zou zorgen voor grote rijkdom en bekend zou komen te staan als de Trans-Atlantische handel. Maar waar Nederlandse leerlingen al op de basisschool in aanraking komen met de glorietijden van de VOC, de Republiek en de Gouden Eeuw, zijn er ook schaduwzijdes die onderbelicht blijven en die vervolgens ten onrechte voor eigen gewin politiek uitgebuit worden door zogenaamd ‘anti-racistische’ activisten. De Nederlanders hadden een aandeel in de Trans-Atlantische slavenhandel, een aandeel dat in de actualiteit steeds vaker belicht wordt en waar vaak ongefundeerde argumenten aangehaald worden om dit verleden te bagatelliseren of te overdrijven. In dit artikel onderzoek ik de rol van Nederland in de Trans-Atlantische slavenhandel en probeer ik een antwoord te vinden op de vraag waarom dit verleden zo gevoelig ligt.

Nederlands aandeel

De Trans-Atlantische handel, ook wel driehoekshandel genoemd, behelsde het verschepen van Westerse goederen zoals wapens uit Europa naar Afrika, in ruil voor slaven. Deze slaven werden gekocht op de Afrikaanse slavenmarkten en overgebracht naar de Nieuwe Wereld, de Europese koloniale gebieden in de Amerika’s.                                                                De historicus Jelmer Vos stelt dat hoewel het Nederlandse aandeel in de Trans-Atlantische slavenhandel niet groot was, de Nederlanders meer dan andere landen vertrouwden op de uitvoer van slaven vanuit de Bovenwindse Kust (Windward Coast), de Goudkust en de kust van Loango. De prominente aanwezigheid van Nederlandse slavenhandelaren in deze specifieke gebieden kwam voort uit het verjagen van de Nederlanders uit andere delen van Afrika door de Britten, Fransen en Portugezen, waardoor het aandeel van Nederland in de slavenhandel kelderde en men genoodzaakt was alternatieven te vinden om de toevoer van slaven naar de Guyana’s en Caribische eilanden op peil te houden.

Hoewel het Nederlandse aandeel in de slavenhandel significant kleiner was dan het Britse of Portugese aandeel hierin, valt volgens de historicus Rik van Welie nauwelijks te ontkennen dat Nederlandse ondernemingen zoals de West-Indische Compagnie (WIC) naast succesvolle handelaren in specerijen ook veel verdiend hebben aan de Trans-Atlantische slavenhandel. Echter waar de grotere actoren in de slavenhandel zich al vroeg geworteld hadden in kolonies in zowel de Amerika’s als Afrika, begon de Nederlandse Trans-Atlantische slavenhandel met het kapen van Portugese en Spaanse schepen in de oorlogen met deze landen. Na het veroveren van koloniale gebieden op de Portugezen in Brazilië (beginnende in 1630) beschikte de WIC over suikerplantages, waarvoor slaven ingevoerd moesten worden als arbeidskracht en leidend tot een tijdelijke impuls in de Nederlandse slavenhandel. Na het verliezen van de kolonies aan de Braziliaanse kust marginaliseerde de rol van Nederland als slavenhandelaar en richtte het zich volgens Van Welie voornamelijk op het doorverkopen van slaven aan kolonies van andere landen, met Curaçao als middelpunt van deze zogenaamde ‘asiento trade’.

Doordat de Nederlandse samenleving niet vervlochten raakte met een nauwer contact met slavernij wegens het ontbreken van grote van slavernij gebruik makende kolonies is volgens Van Welie het begrip ‘slavernij’ altijd een ietwat uitheems begrip gebleven. De fysieke afstand maakte het gemakkelijk voor Nederlanders om zich niet geconfronteerd te hoeven voelen met de mensonterende taferelen van de slavenhandel. In tegenstelling tot landen waar slavernij verbonden is aan de geschiedenis van de samenleving, zoals op het slaveneiland Curaçao en in de Verenigde Staten.

Humanitaire ramp

Slavernij is onweerlegbaar vervlochten met de Nederlandse koloniale geschiedenis. Hoewel Nederlandse handelaren aanvankelijk slechts een marginaal aanhadden in de algehele slavenhandel, steeg dit aandeel toen men in het bezit kwam van voor slavernij geschikte plantagegebieden in Brazilië. Veel van de slaven die gekocht werden aan de Afrikaanse kusten waren door tussenpersonen en lokale krijgsheren gevangen genomen in hun gebieden van herkomst en door de Nederlanders verhandeld. Door deze rol van Nederland in de slavenhandel bleef slavernij een abstract begrip voor de bevolking in Nederland en verwerd de pijnlijke bladzijde tot een onvoldoende belicht aspect van onze koloniale geschiedenis. Het vergeten verleden van de Nederlandse slavernij zorgde na de grootschalige immigratie van immigranten uit voormalige koloniale gebieden voor een pijnlijke botsing. Zij die de herinneringen van slavernij met zich meedroegen werden geconfronteerd met zij die het liefste deze herinnering wilden vergeten. Want hoe marginaal het Nederlandse aandeel in de slavenhandel in vergelijking tot grootmachten als Frankrijk, Portugal en Britse handelaren was blijft ieder geval van slavernij een humanitaire ramp, welk een litteken vormt op onze roemruchtige geschiedenis als wereldmacht in een tijd van kolonies, zeehandel en helaas dus ook slavernij.