Het scheelde niet veel, of de Joden in het Ottomaanse Rijk hadden hetzelfde lot ondergaan als de Armeniërs.

 

 

Elk jaar wordt op 24 april de Armeense Genocide herdacht.  In 1915 begon het Ottomaanse (Turkse) Rijk met de massamoord op zijn Armeense onderdanen, die aan zo’n 800.000 tot 2.000.000 mensen het leven kostte. Daarnaast werden er meer dan 150.000 Assyrische christenen en zo’n 500.000 Griekse christenen vermoord.  Wat echter bijna niemand weet is dat het Ottomaanse Rijk tijdens de Eerste Wereldoorlog ook het plan ontwikkelde om zich van de Joden in Palestina te ontdoen. Dankzij de Joodse spionageorganisatie Nili en een Duitse veldmaarschalk mislukte de Holocaust van 1917.

 

Turkse tolerantie

Niet-islamitische minderheden hadden het eeuwenlang relatief goed in het Ottomaanse Rijk. Ze waren weliswaar tweederangs burgers, maar de overheid garandeerde hun bescherming en gaf ze ook de vrijheid om hun eigen zaakjes te regelen. Zo emigreerden er in de zestiende en zeventiende eeuw veel Portugese en Spaanse Joden naar het Ottomaanse Rijk, om aan de vervolging van de Inquisitie te ontsnappen.

In de loop van de negentiende eeuw kwam er langzaam maar zeker een einde aan de Turkse tolerantie. In het Europese deel van het Ottomaanse Rijk kwamen veel niet-islamitische volken in opstand – zoals de Grieken, de Serviërs, de Bulgaren – en verklaarden zich onafhankelijk. In reactie hierop werd het Ottomaanse Rijk islamitischer. Alleen de islamitische onderdanen waren echt te vertrouwen, was de pan-islamitische visie van sultan Abdülhamit II die van 1876 tot 1909 het rijk regeerde. In de jaren 1894-1896 werden meer dan 200.000 christelijke Armeniërs vermoord, omdat de sultan vreesde dat de Armeniërs in navolging van de Grieken en Bulgaren ook een onafhankelijk land zouden stichten.

De Joden in het Ottomaanse Rijk werden niet vervolgd, maar werden ook met steeds meer achterdocht bekeken. Met name Joodse immigranten uit Tsaristisch Rusland werden gewantrouwd. Deze Joden, die waren gevlucht voor de pogroms in hun land, zouden volgens de Ottomaanse overheid pro-Russisch zijn. Vanaf 1882 voerde het Ottomaanse Rijk een anti-immigratiepolitiek tegen Russische Joden en in 1892 werd het Joden in Palestina bovendien veel moeilijker gemaakt om land te kopen van de Arabieren. Hoewel deze discriminatie niet te vergelijken was met de vervolging van de Armeniërs hadden ook de Joden te maken met een steeds tirannieker wordend bewind.

Ottomaanse krant op 4 november 1918, als de drie pasja’s het land zijn ontvlucht

Een schandelijke daad

Het Ottomaanse Rijk werd sinds januari 1913 geleid door de drie pasja’s: Mehmed Talaat Pasja, Ismail Enver Pasja en Ahmed Djemal Pasja. Dit driemanschap had het pan-islamisme van sultan Abdülhamit II aangevuld met een pan-Turkse ideologie. Het verzwakte multireligieuze, multi-etnische Ottomaanse Rijk moest worden omgevormd tot een krachtige islamitische en Turkse natiestaat. De Turkse nationalisten lieten zich onder andere inspireren door Arthur de Gobineau, de Franse rassentheoreticus.

Op 11 november 1914 besloot het Ottomaanse Rijk om aan de kant van de Centralen – Oostenrijk-Hongarije en Duitsland – mee te doen aan de Eerste Wereldoorlog. Doel van de drie pasja’s was de gebieden terug winnen die in de Balkenoorlogen van 1912-1913 verloren waren gegaan. Ook bood de oorlog het Ottomaanse Rijk de gelegenheid om Klein-Azië definitief te zuiveren van niet-islamitische volkeren.

In de eerste helft van 1914, dus voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, was het Ottomaanse Rijk begonnen om de Griekse christenen uit Klein-Azië te drijven, zodat het Aziatische deel van het rijk zuiver islamitisch en Turks zou worden. Dit was een etnische zuivering en geen genocide, omdat een grootschalig georganiseerde massamoord tot internationale protesten zou leiden. Het uitbreken van Eerste Wereldoorlog op 28 juli 1914 was voor de drie pasja’s een meevaller, omdat onder het voorwendsel van oorlog veel meer maatregelen tegen ‘opstandige’ minderheden mogelijk waren.

De officiële begindatum voor de Armeense Genocide is 24 april 1915, omdat op die dag in Istanbul honderden leden van de Armeense elite gearresteerd werden, waarvan het leeuwendeel later ook vermoord werd. De linkse Turkse historicus Taner Akçam schrijft in zijn boek A shameful act (de titel is ontleend aan een uitspraak van Mustafa Kemal Atatürk, die de Armeense Genocide ‘een schandelijke daad’ noemde) dat het genocidebesluit een maand eerder was genomen. Onder het voorwendsel dat de Armeniërs in opstand waren gekomen en met het Russische leger samenzwoeren werden Armeense dorpen ontruimd en de bevolking en masse gedeporteerd. Deportatie betekende geen hervestiging maar hield een wisse dood in, want Armeniërs werden zonder water de Syrische woestijn ingestuurd. Ook werden er onderweg veel mensen vermoord en werden veel meisjes en jonge vrouwen als seksslaven aan Arabische mannen verkocht. De beestachtige praktijken van ISIS zijn niet nieuw, ook niet in die regio.

Het Ottomaanse Rijk verdedigde de deportaties als een zuiver militair besluit: de Armeniërs waren gevaarlijke opstandelingen en vormden een groot risico. Deze halve waarheid maskeert een gemene leugen: niet alleen de Armeniërs in de oorlogsgebieden aan de grens met Rusland werden gedeporteerd, maar ook Armeniërs in het midden en westen van Anatolië. Het feit dat de Armeniërs de woestijn in werden gestuurd en de Ottomanen geen enkele poging deden om voor water en onderdak te zorgen bewijst dat het hier om genocide ging en niet om slechts het onderdrukken van een opstand.

Uiteindelijk zouden er tussen 1915 en 1918 tussen de 800.000 en 2.000.000 Armeniërs omkomen. Dorpen en steden die eeuwenlang door Armeniërs waren bewoond werden ‘Armenierfrei’. Armeense huizen en  bezittingen gingen in islamitische handen over. Volgens Akçam zou zonder de Armeense Genocide het multiculturele Ottomaanse Rijk nooit getransformeerd zijn in het mono-religieuze Turkije, waar tegenwoordig 96% van de bevolking moslim is.

Djemal Pasja

Turkse Haman

Ahmed Djemal Pasja, één van de hoofdverantwoordelijken van de Armeense Genocide, vatte in 1917 het plan op om ook de Joden in het Ottomaanse Rijk uit te roeien. Deze Turkse Haman was de opperbevelhebber van de Ottomaanse leger in Syrië en Palestina. Niet alleen zag hij toe op de uitvoering van de Armeense Genocide, maar hij trad ook keihard op tegen de Arabische en Joodse inwoners van de regio en liet veel (vermeende) tegenstanders executeren. Dat de Arabieren onder de inspirerende leiding van Lawrence of Arabia in opstand zouden komen tegen de Turkse tirannie was niet meer dan logisch.

De verhouding tussen de Joden in Palestina en hun Ottomaanse overheersers kwam in de Eerste Wereldoorlog hevig onder druk te staan. De Turken, vuurbang voor een vijfde colonne van Russische Joden, gingen in november 1914 in Tel Aviv en Jaffa alle Joodse huizen bij langs om te controleren welke Joden wel en welke Joden geen Ottomaans staatburger waren. Zo’n 6.000 Joden werden een maand later naar Alexandrië in Egypte gedeporteerd.

In de loop van de oorlog begon de situatie voor de Turken in Palestina kritiek te worden. De Engelsen rukten vanuit Egypte op. Djemal Pasja vreesde dat de Joden massaal in opstand zouden komen en wilde korte metten met ze maken. In december 1916 verklaarde hij dat de zionisten gestopt moest worden met alle mogelijke middelen. Zij waren er zelf verantwoordelijk voor als “Palestina een tweede Armenië zou worden”.  Een Joodse genocide dreigde.

Erich von Falkenhayn

Nili en Falkhayen

Dat er in 1917 net geen Holocaust zou plaatsvinden was allereerst te danken aan Nili. Deze Joodse spionageorganisatie was in 1915 opgezet door Groot-Brittannië met als doel om militaire inlichtingen over het Ottomaanse Rijk te verwerven. Eitan Belkind, één van de agenten van Nili, was geïnfiltreerd in het Ottomaanse leger en had met eigen ogen gezien hoe duizenden onschuldige Armeniërs werden vermoord. Een andere Nili-agent, Sarah Aaronsohn, zag in 1915 toen ze met de trein door Syrië reisde de wreedheden die jegens de Armeniërs werden begaan. De leden van Nili vermoedden dat na de Armeniërs de Joden aan de beurt zouden komen.

Toen in het voorjaar van 1917 Djemal Pasja het beval gaf dat alle niet-islamitische inwoners van Tel Aviv en Jaffa te deporteren kwam Nili in actie. Aaron Aaronsohn, de broer van Sarah en leider van het Nili-netwerk, stuurde in eind april een bericht naar de wereldpers dat een nieuwe genocide op handen was. De geallieerden, maar ook de Oostenrijks-Hongaarse en Duitse bondgenoten reageerden verontwaardigd op dit nieuws. Er werd van alle kanten druk op het Ottomaanse Rijk uitgeoefend om de deportatieplannen te laten varen. Oskar Cohen, een Joodse socialist in de Duitse Rijksdag, vroeg rijkskanselier Theobald von Bethmann Hollweg zijn uiterste best te doen om te voorkomen dat de Joden in Palestina hetzelfde lot zouden ondergaan als de Armeniërs.

Ook Erich von Falkenhayn speelde een belangrijke rol in het voorkomen van een nieuwe genocide. Deze Duitse veldmaarschalk in Ottomaanse dienst was samen met Djemal Pasja belast met de verdediging van Palestina tegen de Engelsen. Terwijl veel Duitse verbindingsofficieren in Ottomaanse dienst in 1915 actief waren betrokken bij de Armeense Genocide hield Falkenhayn de rug recht. Volgens zijn biograaf, professor Holger Afflerbach van de University of Leeds, wist de Duitse veldmaarschalk te voorkomen dat alle Joden uit Palestina werden gedeporteerd. Falkenhayn vond dat ze niet gestraft mochten worden voor het gedrag van enkele radicale rebellen. Uiteindelijk moesten alleen de Joden uit Tel Aviv en Jaffa vertrekken, en mede dankzij de maarschalk was het sterftecijfer onder deze groep in vergelijking met de Armeense gedeporteerden laag. Van de zo’n 8.000 gedeporteerde Joden zouden er zo’n 1.500 omkomen, zo’n 20%.

Allenby_headline

De Britten veroveren Jeruzalem

Na de bevrijding

Eind 1917 werd Palestina door de Engelsen veroverd. Ze werden ze als bevrijders binnengehaald. De Joodse bevolking in Palestina was van zo’n 86.000 zielen in 1914 gedaald naar zo’n 55.000 eind 1918. Een deel van de bevolking was omgekomen, door de deportaties van Djemal Pasja en vooral door ziekte en honger, een ander deel was voor de Ottomaanse onderdrukking en het oorlogsgeweld weggevlucht.

Op 2 november 1917 bracht de Engelse minister van Buitenlandse Zaken Arthur James Balfour zijn beroemde Balfour-verklaring uit, waarin de Joden een nationaal thuis in Palestina werd beloofd. Een nationaal thuis was echter niet een onafhankelijke staat. De Engelsen benadrukten dat de oprichting van een Joodse staat nooit de bedoeling van deze verklaring was geweest, onder andere door het in 1922 uitgebrachte Churchill White Paper. Behalve de Balfour-verklaring bestond er ook het in mei 1916 met Frankrijk aangegane geheime Sykes-Picotverdrag, waarin de twee geallieerde mogendheden naar goed imperialistisch gebruik hadden besloten het Midden-Oosten onderling te verdelen. Pas in 1948 ontstond zoals bekend de staat Israël. De Armeniërs kregen eind 1918 wel een eigen staat, maar deze slaagde er niet in om zich hand te haven. De Turken heroverden een deel, de Sovjet-Unie bezette in 1920 de rest.

Met de drie pasja’s liep het ten slotte slecht af. Enver Pasja sneuvelde in 1922 in Tadzjikistan toen hij bezig was om daar een nieuw Turks rijk te vestigen. Het verhaal gaat dat hij door een kogel van een Armeense soldaat zou zijn gedood. Ook Talaat Pasja en Djemal Pasja kwamen om door Armeense kogels. Ze weren gedood tijdens Operatie Nemesis, een Armeense wraakoperatie om de niet-veroordeelde schuldigen van de Armeense Genocide alsnog te straffen. Dit geschiedverhaal zou helemaal rond zijn als Nili ook betrokken was geweest bij de moord op Djemal in 1922, maar het Joodse spionagenetwerk was eind 1917 opgerold. Eitan Belkind en Aaron Aaronsohn wisten buiten schot te blijven, Sarah Aaronsohn pleegde na haar gevangenneming zelfmoord en nam haar geheimen mee in het graf.

 

En nu?

Veel landen erkennen tegenwoordig – ondanks zware Turkse diplomatieke druk – de Armeense Genocide van 1915. Israël doet dit echter nog steeds niet. Naast het feit dat Israël Turkije graag te vriend wil houden wordt deze weigering gemotiveerd door een exclusieve visie op de Holocaust. In dit beeld is de Holocaust een unieke gebeurtenis in de wereldgeschiedenis, onvergelijkbaar met alle andere misdaden tegen de menselijkheid die ooit zijn gepleegd.

Zonder de Armeense Genocide met de Holocaust gelijk te willen stellen – de Holocaust was grootster en professioneler opgezet, leidde tot veel meer slachtoffers en is ook veel beter gedocumenteerd en dus moeilijker te ontkennen – zijn beide massamoorden natuurlijk wel met elkaar te vergelijken. In de geschiedschrijving is dit dan ook vele malen gedaan. Als Israël zou besluiten de Armeense Genocide te erkennen houdt dat niet automatisch in dat de Holocaust dan wordt gerelativeerd. Het is alleen de erkenning dat er ook andere volken zijn die ooit te maken hebben gehad met een onnoemelijk leed. Hun verhaal is anders, heel anders, maar moet ook kunnen worden verteld. Het feit dat de Joden in Palestina ook slachtoffer zijn geweest van de genocidale politiek van de Ottomanen kan Israël misschien helpen om haar standpunt ten aanzien van de Armeense Genocide te herzien.

 

 

Meer lezen?

 

Afbeeldingen: Wikimedia / Wikipedia Commons