In deel IX van Ewouts Erflaters staat Daniël Raap centraal, woordvoerder van de Oranjegezinde Doelistenbeweging van 1747-1748 en daarna de meest gehate Amsterdammer van de achttiende eeuw.

StadhouderWillemIV(4)Op 10 januari 1754 overleed de Amsterdamse porseleinverkoper Daniël Raap. Toen ze hem wilden begraven ontstonden er hevige rellen, zodat zijn stoffelijk overschot in het holst van de nacht in het geheim moest worden bijgezet in de Oude Kerk in het centrum van de stad.

Enkele jaren eerder, in 1747-1748, was Raap een belangrijke leider van de Doelistenbeweging geweest, een Oranjegezinde hervormingsbeweging die een einde wilde maken aan de vriendjespolitiek van de regenten en haar hoop vestigde op de prins van Oranje. Hoewel Willem IV mede dankzij de Doelisten erfstadhouder van alle zeven Nederlandse provincies werd liep de Doelistenbeweging uit op een teleurstelling: de nieuwe bestuurders kwamen uit dezelfde oude regentenfamilies. Zal het feit dat Raap ook in de jaren die volgden op deze deceptie de Oranjes hartstochtelijk bleef steunen de reden zijn dat de Amsterdammers hem zo haatten? Of was er misschien meer aan de hand? Om onze mislukte revolutionair goed te kunnen duiden zullen we echter eerst wat meer over de context vertellen: het Nederland van de eerste helft van de achttiende eeuw waar corruptie en vriendjespolitiek schering en inslag waren.

De Zilveren Eeuw

De zeventiende eeuw staat in de vaderlandse geschiedenis bekend als de Gouden Eeuw, de achttiende eeuw wordt ook wel de Zilveren Eeuw genoemd. Was de Republiek in de zeventiende eeuw een wereldmacht, in de achttiende eeuw speelden de Nederlanders in de handel en in de politiek de tweede viool. Ons land werd voorbijgestreefd door Frankrijk en vooral door het Verenigd Koninkrijk.

De Nederlandse handel stagneerde eigenlijk al vanaf 1672, het rampjaar, en liep vanaf de jaren 1720 ook terug. In 1713 hield Nederland op een wereldmacht te zijn. In dit jaar kwam met de Vrede van Utrecht een definitief einde aan de oorlogen met Lodewijk XIV. De pogingen van de Zonnekoning om de hegemonie in Europa te veroveren waren mislukt, maar de strijd tegen Frankrijk had de Republiek financieel gezien aan de rand van de afgrond gebracht. In 1715 was de staat bankroet.

In de achttiende eeuw probeerde de Republiek daarom buiten nieuwe Europese oorlogen te blijven. Van cruciaal belang voor de Nederlandse veiligheid was het barrièretraktaat uit 1697, waarbij ons land het recht kreeg om in acht steden in de Spaanse (vanaf 1715 Oostenrijkse) Nederlanden garnizoenen te legeren. Op deze manier kon Frankrijk op afstand worden gehouden. Ook bleef de Republiek warme banden met het Verenigd Koninkrijk onderhouden, in de achttiende eeuw de belangrijkste zeemacht van de wereld.

EPSON scanner imageDe periode 1702-1747 staat bekend als het Tweede Stadhouderloze Tijdperk. Willem III had zijn neef, de Friese stadhouder Johan Willem Friso, als erfgenaam aangewezen. Friso slaagde er echter niet in om Willem III op te volgen als stadhouder en opperbevelhebber van het leger en verdronk in 1711 in het Hollandsch Diep. Van de Oranjes hadden de regenten daarna lange tijd niets meer te duchten. Het ‘gevaar’ kwam van de burgers.

Aan de provincies Utrecht, Gelderland en Overijssel waren in 1675 regeringsreglementen opgelegd.  Willem III had daardoor vrijwel onbeperkte macht om er zijn mannetjes neer te zetten. Na zijn overlijden in 1702 moesten zijn zetmannen het veld ruimen, maar door wie moesten ze worden vervangen? De ‘Oude Plooi’ was van mening dat de regenten van voor 1675 hun oude plekken weer moesten innemen. De ‘Nieuwe Plooi’ hoopte echter op meer burgerinvloed, om zo nepotisme en corruptie tegen te gaan. De nieuwe bestuurders zouden moeten worden verkozen door de afgevaardigden van de gilden en schutterijen. In Utrecht en Overijssel wisten de Oude Plooiers zich te handhaven, maar in Gelderland waren enkele steden – Arnhem, Nijmegen, Tiel en Zaltbommel – in handen van de Nieuwe Plooiers gevallen. Pas na veel moeite en met steun van het Staatse Leger slaagden de Oude Plooiers er in om weer aan de macht te komen. Zo werd Nieuwe Plooier Dirk Reinier van Bassenn, burgemeester van Arnhem, in 1708 afgezet en levenslang uit de stad verbannen.

De Nieuwe Plooi was een protodemocratische beweging. De Doelistenbeweging van veertig jaar later was dat ook. Ook de Doelisten keerden zich tegen het machtsmisbruik, de corruptie en de vriendjespolitiek van de regenten en streefden naar meer zeggenschap van burgers op het bestuur. Het grote verschil met de Nieuwe Plooi was echter dat de Doelistenbeweging haar hoop op de stadhouder vestigde. De Prins van Oranje was, in de ogen van de Doelisten, de redder van het natie die het volk van Nederland zijn vrijheid terug moest geven. Helaas zou dat in 1747-1748 vies tegenvallen.

Het Pachtersoproer en de Doelisten

b878cb7034In 1740 brak de Oostenrijkse Successieoorlog uit. De Republiek probeerde neutraal te blijven, maar werd dankzij haar formele bondgenootschap met het Verenigd Koninkrijk door Frankrijk toch als een vijand beschouwd. De Franse legers overrompelden de Oostenrijkse Nederlanden en bedreigden de Republiek, net als in 1672. De Fransen trokken Zeeuws-Vlaanderen binnen en bezetten de vestingen Axel, Hulst en Sas van Gent. In reactie hierop braken in Zeeland onlusten uit, die oversloegen naar de rest van het land. Net als in 1672 zorgde de Franse inval dus voor een politieke omwenteling. De boze burgers eisten dat de Friese stadhouder Willem IV stadhouder van alle gewesten zou worden. De regenten, bang voor het gepeupel, gaven toe. Maar de boze burgers wensten meer.

In 1748 brak in Groningen, helemaal aan de andere kant van het land, het Pachtersoproer uit. Regenten hadden de inning van belastingen uitbesteed aan belastingspachters, die een deel van de belastingopbrengst in eigen zak mochten steken. Burgers ergerden zich al jaren aan dit corrupte systeem maar de belastingdruk was nu, als gevolg van de oorlog, ondraaglijk geworden. Toen op 8 maart 1748 de erfprins werd geboren, de latere Willem V, besloten boze Groningers de huizen en kantoren van belastingpachters aan te vallen, met de smoes dat deze pachters niet oranjegezind genoeg waren. De opstand sloeg over naar Friesland en Friese schippers brachten de revolutiegeest naar Amsterdam, waar op 24 juni de pleuris uitbrak. Huizen van pachters werden geplunderd, hun drankvoorraad werd opgezopen en meubels werden in de gracht gegooid. De schutters grepen niet in. Bewust niet. Ze hoopten de chaos aan te wenden voor eigen gewin.

De Doelistenbeweging is vernoemd naar de gebouwen en lokalen, de ‘Doelen’, waar de schutterij vergaderde. De Doelisten waren burgers uit de middenklasse die meer invloed op het bestuur wensten. Gebruikmakend van de chaos haalden ze op 2 september stadhouder Willem IV naar Amsterdam en zorgden ze ervoor dat de vier burgemeesters en zeventien vroedschapsleden werden vervangen. Verder wilde de prins echter niet gaan. Hij wilde niet meegaan in de eis van de Doelisten dat burgers voortaan invloed zouden hebben op de benoeming van regenten. Willem IV bleef vasthouden aan het oligarchische bestuursstelsel. Dat regenten zich onderwierpen aan zijn gezag vond hij voldoende.

Haman de Raap

Daniël Raap was op 3 januari 1703 geboren te Amsterdam. Hij handelde in porselein en had een winkel aan de Vijgendam. In april 1722 trouwde hij met Maria Sas. Bij zijn huwelijk zei hij dat hij 22 jaar oud was, terwijl hij in werkelijkheid 19 was. Ook met de ‘goddelijke waarheid’ nam Raap het niet zo nauw. Raap stond bekend als een deïst, iemand die niet geloofde in de persoonlijke God van de Bijbel. Hij was nogal gecharmeerd van het gedachtegoed van de zeventiende-eeuwse vrijdenker Willem Deurhoff. Volgens de achttiende-eeuwse historicus Jan Wagenaar werd Raap tegengewerkt door het Amsterdamse stadsbestuur toen hij Deurhoffs gedachtegoed probeerde te verspreiden. Wellicht ligt hier het motief van Raaps politieke activisme. Hij had een hekel aan de zittende regenten gekregen die hem in zijn intellectuele vrijheid hadden beknot.

Raap vestigde zijn hoop op de Oranjes. De prins van Oranje was een mythische redder in nood. Aan de corruptie en het machtsmisbruik van de regenten zou een einde komen als de Oranjes weer aan de macht zouden komen, zo hield Raap zichzelf en zijn achterban voor.

Op 9 november 1747 bezetten boze burgers het Amsterdamse stadhuis. Ze waren vanwege een door Raap geschreven pamflet – dat pleitte voor een erfelijk stadhouderschap – massaal naar de Dam gekomen. De Amsterdamse vroedschap was not amused en verhoorde Raap. De porseleinhandelaar was bang dat hij misschien in de gevangenis zou belanden en besloot om in Zeeland onder te duiken. Pas in augustus 1748 keerde hij weer terug naar Amsterdam, enkele weken na het gewelddadige pachtersoproer.

Raap ontkende alle betrokkenheid bij deze rellen. Wel was hij het met de grieven van de relschoppers eens. Het corrupte pachtsysteem moest worden afgeschaft. In 1749, een jaar na de rellen, schreef Raap een pamflet waarin hij een pleidooi hield om een einde te maken aan de belasting op basisconsumptiemiddelen voor de armste bevolkingsgroepen. Er is trouwens een mogelijke aanwijzing dat Raap wel bij de rellen betrokken was. Op 28 juni 1748 werden twee relschoppers opgehangen vanuit het venster van de Amsterdamse Waag. Matje van den Nieuwendijk, een van de ter dood veroordeelden, sprak de menigte toe voordat ze werd opgehangen. Volgens de Joodse kroniekschrijver Abraham Chaim Braatbaard schreeuwde ze ‘Wraak! Wraak!’ Een andere kroniekschrijver, Jan de Boer, die het spektakel ook aanschouwde, verstond echter wat anders: ‘Raap! Raap!’

Nadat de Doelistenbeweging in mineur was geëindigd – de schutterijen mochten in oktober 1748 dankzij de toezegging van Willem IV eenmalig hun eigen officieren kiezen maar bleven onder het gezag van het stadsbestuur – verloor Raap zijn populariteit rap. Omdat hij een trouwe Oranjeklant bleef en de Oranjes het corrupte regentenbewind in stand hielden werd Raap als een verrader beschouwd. Ook laadde hij de verdenking op zich Oranjegezindheid te hebben geveinsd voor eigen gewin. Willem IV had enkele Doelisten lucratieve baantjes aangeboden zodat ze zich verder koest zouden houden. De Rotterdamse Doelistenleider Laurens van der Meer had een collecteurspost weten te bemachtigen, maar maakte misbruik van zijn ambt en zou enkele jaren later tegen de lamp lopen toen hij collectegelden liep te verduisteren.  Raap had niet zo’n baantje gekregen, maar profiteerde van de bepaling dat de Joodse straatverkopers in Amsterdam niet langer in porselein mochten handelen. De Joodse gemeenschap vermoedde dat Raap achter deze bepaling zat. De Joodse chroniqueur Braatbaard noemde Raap consequent ‘Haman de Raap’, naar de Perzische vizier Haman die volgens het Bijbelboek Esther de Joden wilde uitroeien.

Het feit dat Raap zijn Oranjeliefde altijd heel opzichtig etaleerde kan er ten slotte ook op wijzen dat deze liefde misschien gespeeld was. Als Raap voor overleg met de stadhouder naar Den Haag moest maakte hij deze reis in een met oranje vlaggen versierde koets, getrokken door vier paarden, en werd hij door een enthousiaste menigte de stad uit begeleid. Tijdens verjaardagen van Oranjes had Raap bovendien altijd zijn huis fel verlicht. Om de reden werd zijn woning ook wel ‘Het illuminatiehuis’ genoemd.

Als een beest

Oprecht of niet, Daniël Raap bleef zijn Oranjeliefde tot zijn dood belijden. Op 10 januari 1754 overleed hij. Vijf dagen later wilde men hem begraven. Een massa mensen wachtte de begrafenisstoet echter op bij de porseleinwinkel, zodat de familie het de tocht niet aandurfde. De menigte schreeuwde en gooide stenen naar de winkel. De voorpui van het huis werd vernield. Toen de familie de begrafenistocht eindelijk ging maken maakte de menigte zich meester van de kist. Die werd gesloopt en het stoffelijk overschot van Raap werd door de straten gesleurd.

176d4bedd1De familie kreeg het lijk gelukkig weer in handen. Ze waagden rond middernacht een nieuwe poging om Daniël Raap te begraven. De schutters begeleidden de lijkstoet. Toen men bij de Oude Kerk was aangekomen, waar Raap begraven moest worden, werd de stoet opgewacht door het volk. Snel zwaaiden de deuren open, de begrafenisstoet glipte naar binnen, en de deur ging meteen weer dicht. Terwijl het stenen regende tegen de kerkdeur werd Raap in de haast begraven, zonder enige plechtigheid. Jacob Bicker Raye, een Amsterdamse koopman, schreef in zijn dagboek: ‘Het vroegere opperhooft der muytelingen in dese stad werd als een beest int graf gesmeeten.’

Daniël Raap was in de jaren na de mislukte Oranjerevolutie zo gehaat geworden dat er tientallen vijandige grafschriften over hem werden geschreven. Raap was volgens zijn tegenstanders een opportunistische oproerkraaier die zijn eeuwige straf niet zou ontlopen:

‘Rumoer-baas! Atheist, Aarts-gauwdief, Pest der Steeden,
Afgryselyk Monster in ‘t Oproerig Altijd Wel;
Al rot en stinkt uw Romp alhier, met smaat Betreden;
Perzoonen van uw Rang zyn Meesters in de HEL.’

Patriotten

Als revolutionair is Daniël Raap mislukt. Stadhouder Willem IV, die op 22 oktober 1751 onverwacht zou overlijden, maakte toen hij in 1747 aan de macht kwam geen einde aan het corrupte oligarchische systeem. Omdat Raap hartstochtelijk de Oranjes bleef verdedigen werd hij van een populaire volksmenner in korte tijd de meest gehate Amsterdammer van de achttiende eeuw. Men gunde Raap zelfs geen fatsoenlijke begrafenis.

Het mislukken van de Doelistenbeweging deed bij Nederlandse burgers het besef rijpen dat als het politieke bestel hervormd moest worden men toch echt zelf het initiatief moest nemen. Op de Oranjes viel niet te rekenen. Zij hielden het oude systeem in stand. Raap noemde zichzelf een ‘patriot’, een ‘goede vaderlander’. De patriotten van het laatste kwart van de achttiende eeuw keerden zich, in tegenstelling tot de Doelisten, tegen de Oranjes. Hun leider was de kleinzoon van de in 1708 ontslagen Arnhemse burgemeester en Nieuwe Plooier Dirk Reinier van Bassenn: Joan Derk van der Capellen tot de Pol. Deze patriottenheld, net als Raap trouwens ook nogal omstreden, zal centraal staan in de volgende aflevering van Ewouts Erflaters.