In de Volkskrant schreven Jalta-auteurs Ewout Klei en Rik de Jong een opiniestukje over ‘christenhipsters’, hippe christenen uit de Randstad die en roomser dan de paus en progressiever dan Halsema willen zijn.  U kunt dat hier lezen. 

 

In het stuk werd verwezen naar een column van Henk Broekhuis (pseudoniem van essayist Karel van het Reve) uit 1971. Broekhuis reageerde op een televisie-interview van Godfried Bomans met Pieter Jongeling. In dit interview sprak Jongeling op een zeer authentieke wijze over zijn geloof, op zo’n manier dat zijn verhaal ook door de ongelovige kijkers werd gewaardeerd. Het was namelijk niet makkelijk om in deze linkse tijden nog ouderwets christelijk te zijn. Broekhuis vergelijkt in zijn column het christendom met de padvinderij, en noemt Jongeling een echte padvinder. Hieronder de desbetreffende passage:

Als Bomans en Jongeling mij dat toestaan zou ik een ogenblik een vergelijking willen maken tussen het christelijk geloof en de padvinderij. Niet om een van beide of allebei door die vergelijking belachelijk te maken, maar omdat die vergelijking mij helpt bij het uitleggen wat ik bedoel. Een heleboel mensen zijn nooit bij de padvinderij geweest, denken er niet over hun kinderen lid te laten worden, en hebben bezwaren tegen die organisatie. Maar die padvinderij bestaat, je weet wat het is, het is een, zij het dan perifeer, deel van je leven, een vast punt. Je bent er aan gewend: er is een padvinderij, met bepaalde uniformen, herkenningskreten als ‘hopman’ en ‘akela’, eigen tradities en wat dies meer zij. Stel je nu eens voor dat die padvinderij opeens gaat moderniseren. Hopmannen verschijnen voor de televisie en zeggen: ach ja, die malle uniformen, daar moeten we van af. Het koken op houtvuren en het slapen in tenten is niet meer van onze tijd. De meeste van onze afdelingen eten in automatieken en slapen in jeugdherbergen of bij kennissen. Ook onze leuzen, titels, spelletjes en liederen zijn verouderd. Wij zoeken nu aansluiting bij langharige, werkschuwe groepen van drugsgebruikers. Bij het kampvuur lezen we Candy en Das Kapital en we houden discussies met werkende jongeren over de vraag of Lord Baden Powell echt bestaan heeft en zo ja, of hij ons in het huidige tijdsgewricht nog iets te zeggen heeft. En of Marx niet gelijk had toen hij de padvinderij een semi-militaire organisatie noemde tot instandhouding van het particulier bezit der produktiemiddelen. Als je dat soort dingen hoort ben je als niet-padvinder enigszins geschokt, en geneigd tot protest. Waarom, denk je dan, heffen jullie die club niet op? Waarom doorgaan als je die breedgerande hoeden en het ‘akela’-roepen en het koken op houtvuren onzin vindt? Wat blijft er over als je die dingen afschaft? En als je dan opeens een oude heer voor de televisie ziet komen die nog op hout kookt en met blote knieën loopt, dan ben je geneigd hem te begroeten met een zucht van verlichting – goddank, er zijn nog echte padvinders. [1]

[1] H. Broekhuis, ‘Bomans en Jongeling’, NRC-Handelsblad, 17 september 1971.