De eerste grote tegenslag van de schijnbaar niet te stoppen Japanse oorlogsmachine was de Slag in de Koraalzee, die van 4 tot 8 mei 1942 werd uitgevochten met de geallieerden.

 

De Japanners hadden na Pearl Harbor de handen vrij in het Verre Oosten en veroverden zonder – schijnbaar veel moeite – Maleisië, de Filipijnen en Indonesië. Bij de Koraalzee, op weg naar Australië, probeerden de geallieerden terug te slaan. Het was de eerste slag in de wereldgeschiedenis waarin geen van de schepen de ander gezien heeft, omdat vliegdekschepen met vliegtuigen elkaar aanvielen.

De Japanners wonnen formeel gesproken in tactisch opzicht de slag, omdat ze het grote vliegdekschip de Lexington tot zinken wisten te brengen, terwijl ze alleen het kleine vliegdekschip de Shōhō verloren, dat op 7 mei tot zinken werd gebracht. In strategisch opzicht was de Slag in de Koraalzee echter een geallieerde overwinning, omdat de geallieerden na een half jaar nederlagen te hebben geleden eindelijk een slag hadden geleverd waarin ze op gelijk niveau klappen aan de vijand hadden uitgedeeld. De Shōhō was het eerste Japanse vliegdekschip dat tijdens de Tweede Wereldoorlog door de geallieerden tot zinken werd gebracht.

De Slag in de Koraalzee was een enorme morele opkikker voor de geallieerden. Vanwege de verliezen voerden de Japanners hun geplande landingen op Port Moresby niet uit, waardoor de geallieerden tijd hadden om een tegenaanval te plannen. Vanaf augustus 1942 vochten de Amerikanen en Japanners hevig om het eiland Guadalcanal, wat in februari 1943 uiteindelijk zou leiden tot een grote geallieerde overwinning.

 

 

Afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons