Op 16 mei 1940 begint de Duitse bezetter in het Generalgouvernement, het bezette maar niet geannexeerde deel van Polen, met de massamoord op Poolse intellectuelen en andere leiders. Er worden duizenden mensen geëxecuteerd.

 

In november 1939, twee maanden na de Poolse veldtocht, begon de Duitse bezetter al met het vermoorden van Polen. Tijdens de zogenoemde Intelligenzaktion, die duurde tot de lente van 1940, werden in het door het Duitse Rijk geannexeerde westelijke deel van het land zo’n 60.000 vooraanstaande Poolse burgers vermoord. De daders waren Heydrichs Einsatzgruppen en de Volksdeutscher Selbstschutz, een paramilitaire organisatie van ‘Volksduitsers’, de Duitsers die niet in het Reich woonden. Doel van de Intelligenzaktion was om potentiële verzetsstrijders te elimineren, zodat een eventueel Pools verzet niet krachtig genoeg zou zijn om wat tegen de Duitse bezetter te beginnen.

Op 16 mei 1940 begon fase twee, de AB-Aktion. Deze vond plaats in het oostelijke Generalgouvernement. Voorafgaand aan de AB-Aktion waren eind 1939 en begin 1940 veel intellectuelen tijdelijk opgepakt door de Gestapo. Hun namen werden geregistreerd. De AB-Aktion was minder bloedig. Van de 30.000 gearresteerde personen werden zo’n 3.500 meteen geëxecuteerd, de anderen werden opgesloten in concentratiekampen waar ze dwangarbeid moesten verrichten.

Historici vermoeden dat de nazi’s hun activiteiten tegen de Poolse elite coördineerden met de Sovjet-Unie, die immers het uiterste oosten van Polen hadden bezet. De NKVD vermoordde in 1940 meer dan tienduizend gevangen genomen Poolse officieren bij Katyn. In de zomer van 1941 ten slotte werd de moord op Poolse intellectuelen voortgezet, toen het Duitse leger ook het oostelijke deel van Polen veroverde op de Sovjet-Unie tijdens Operatie Barbarossa.

Uitgelichte afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons