Toen Adolf Hitler op 30 januari 1933 rijkskanselier werd moest de Rijksdag worden ontbonden en nieuwe verkiezingen worden georganiseerd. Die verkiezingen vonden op 5 maart plaats, nog geen week na de rijksdagbrand.

Geen absolute meerderheid

Hitler verwachtte dat zijn nazipartij op 5 maart de absolute meerderheid zou halen, maar kwam bedrogen uit. De NSDAP haalde ‘slechts’ 43,9% van de stemmen en 288 zetels. De rijksdag telde echter 647 zetels.

Het verlies van de SPD en de KPD bleef zeer beperkt. de SPD verloor 1 zetel en kwam op 120 zetels uit, de KPD verloor er 19 en kwam op 83 uit. Dat laatste was opmerkelijk, omdat de KPD de schuld had gekregen van de rijksdagbrand van 27 februari en veel KPD-leiders waren opgepakt en in een concentratiekamp waren opgesloten.

 

Ermächtigungsgesetz

Op 23 maart werd door de nieuwe rijksdag de Ermächtigungsgesetz (machtigingswet) aangenomen, waarmee de Weimarrepubliek feitelijk ophield te bestaan. De rijksdag zette zichzelf buitenspel en de rijksregering kreeg zelf wetgevende bevoegdheden, zodat de nazi’s konden regeren zonder rekening te houden met een parlement.

Op de SPD na stemden alle partijen voor de machtigingswet. De KPD-rijksdagleden stemden niet, want zij zaten of in de gevangenis, waren of vermoord of op de vlucht geslagen. Ook 26 afgevaardigden van de SPD waren gevangen genomen of gevlucht.

 

Afbeeldingen: Wikimedia / Wikipedia Commons