De Max van der Stoel-biografie De stille diplomaat ligt op de plank van nog te lezen boeken. Het is vandaag echter precies 41 jaar geleden dat Jan Patocka overleed, de Tsjechische dissident die door de geheime dienst werd mishandeld vanwege zijn ontmoeting met de PvdA-minister van Buitenlandse Zaken. Daarom plug ik opnieuw het interview dat ik vorig jaar met Anet Bleich had over haar onderzoek naar Van der Stoel en het verhaal van Charta ’77.

Afbeeldingsresultaat

****

Op woensdag 1 maart wordt in Praag een monument voor Max van der Stoel (1924-2011) onthuld, vanwege zijn inzet voor de Tsjechische dissidentenbeweging Charta 77. Ewout Klei sprak met historica Anet Bleich, die op dit moment werkt aan een biografie over Van der Stoel.

Max van der Stoel was minister van Buitenlandse Zaken tijdens het kabinet-Den Uyl. Hij zette zich in voor de mensenrechten en was ook de eerste prominente Europese politicus die contacten legde met de Tsjechische dissidentenbeweging Charta 77. Deze beweging, die werd geleid door Jiri Hajek, Václav Havel (de latere Tsjechische president) en Jan Patočka, zette zich in voor de mensenrechten in Tsjecho-Slowakije en keerde zich om die reden tegen de totalitaire aspecten van de communistische dictatuur.

Het plan van Max van der Stoel om namens Nederland een bezoek aan Tsjecho-Slowakije te brengen was al gemaakt voordat Charta 77 op 1 januari 1977 zijn manifest wereldkundig maakte. De Tsjecho-Slowaakse autoriteiten reageerden heel heftig op de manifest, maar toch besloot Van der Stoel om zijn bezoek door te laten gaan. Onze minister was in eerste instantie niet van plan om met woordvoerders van Charta te spreken. Zijn adviseurs hadden dit hem afgeraden omdat de Tsjecho-Slowaakse regering dit wellicht als provocatie zou kunnen opvatten en omdat het bezoek een risico zou inhouden voor de dissidenten. Niettemin had Van der Stoel bij de autoriteiten bedongen dat hij mocht meenemen wie hij wilde en ook elk onderwerp aan de orde mocht stellen. Degene die in het gevolg van de minister meereisde was de journalist Dick Verkijk, die geen visum voor Tsjecho-Slowakije kon krijgen omdat hij een verklaard tegenstander was van het regime.

Verkijk had contacten met Charta 77 en hoopte dat Van der Stoel met de dissidenten in gesprek wilde gaan. De minister hield echter de boot af. Verkijk schakelde daarom de hulp in van historicus Maarten Brands, die in een brief aan Van der Stoel aandrong op een onderhoud met de dissidenten. Hij schreef:

 Het zou mij pijnlijk verrassen wanneer U niet een “onopvallende” gelegenheid zou aangrijpen om met hen in contact te komen. Zij zijn zeer gesteld juist op dit soort ondersteunende contacten met vertegenwoordigers uit het Westen. Daar hangt huns inziens hun hele zaak vanaf.

Brands brandbrief heeft Van der Stoel wellicht overgehaald om toch in gesprek te gaan met de Tsjechische dissidenten vermoedt Bleich, want toen de NOS hem interviewde op Schiphol zei de minister dat hij zelf geen contact zou zoeken met Charta 77, maar als de vertegenwoordigers contact met hem zochten zou hij hen ontvangen.

Verkijk beschouwde deze opening als een buitenkans. Hij contacteerde Jiri Hajek, maar die kon het huis niet uit. Meer succes had hij bij de 69-jarige filosoof Jan Patočka, de éminence grise van de Tsjechische dissidenten. Patočka reageerde meteen enthousiast. In aanwezigheid van enkele Nederlandse en buitenlandse journalisten spraken Van der Stoel en Patočka elkaar op 1 maart kort in het Intercontinental Hotel waar de minister logeerde, daarna sprak de filosoof nog met de journalisten.

Hoewel er volgens Anet Bleich geen radicale dingen werden gezegd tijdens deze ontmoeting reageerden de communistische autoriteiten uiterst geprikkeld. Jan Patočka werd opgepakt door de geheime dienst en onderworpen aan een intensief kruisverhoor, dat twaalf uur duurde. Dit werd de oude filosoof fataal. Hij werd doodziek en overleed op 13 maart in het ziekenhuis als gevolg van een hartaanval. Max van der Stoel kwam er zonder kleerscheuren vanaf natuurlijk, maar de Tsjechische president Gustav Husak annuleerde zijn afspraak met onze minister. De autoriteiten voelden zich door dit clandestiene gesprek tussen een buitenlandse minister en een vertegenwoordiger van de dissidentenbeweging zwaar beledigd.

Was Max van der Stoel in zekere zin indirect verantwoordelijk voor het overlijden van Jan Patočka, door toch akkoord te gaan met deze ontmoeting, terwijl hij wist dat het bezoek mogelijk tot repercussies voor de betrokkenen zou leiden? Volgens Anet Bleich voelde de minister zich heel ellendig over de dood van Jan Patočka. Echter, de Tsjechische dissidenten hebben hem dit nooit aangerekend. Ook Jan Patočka wist dat er risico’s aan de ontmoeting met de Nederlandse minister kleefden, maar ging toch. De Tsjechen zijn onze minister dankbaar dat hij als eerste Europese staatsman van enige statuur contact durfde te maken met tegenstanders van de communistische dictatuur, waarmee hij invulling gaf aan de mensenrechtenparagraaf in de Helsinki-akkoorden, waar Charta 77 zich ook expliciet op beriep.

Verder lezen?

Anet Bleich, De stille diplomaat. Max van der Stoel. 1924-2011 (Balans, Amsterdam 2018). ISBN 978946038013.

Tuur Verdonck, Bezoek Van der Stoel aan Charta 77 gememoreerd, Historisch Nieuwsblad, 24-06-2009.

Margreet Fogteloo en Annemieke Hendriks, ‘Havel kende geen rancune’ De dissidenten van Charta 77, De Groene Amsterdammer, 04-01-2012.

Jan Hunin, ‘Maxe van der Stoela’-park voor de man die ze in Praag niet vergeten, de Volkskrant, 29-12-2014.

Ewout Klei, Václav Havel, Een leven, TPO, 12-01-2015.