De Franse Revolutie heeft – ondanks de guillotine – veel betekend voor de ontwikkeling van de mensenrechten. Op 26 augustus 1789 keurde de Assemblée nationale constituante (Nationale Grondwetgevende Vergadering) de Déclaration des droits de l’homme et du citoyen (Verklaring van de rechten van de mens en van de burger) goed. Deze mensenrechtenverklaring ging aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens van de Raad van Europa vooraf. 

Declaration_of_the_Rights_of_Man_and_of_the_Citizen_in_1789

De Franse Revolutie begon niet op 14 juli 1789 met de bestorming van de Bastille, maar op 20 juni met de Eed op de Kaatsbaan. Afgevaardigden van de derde stand van de Staten-Generaal, gesteund door dissidente leden van de eerste en tweede stand, besloten om zichzelf tot nationale vergadering uit te roepen. Zij waren vanaf nu de ware vertegenwoordigers van het Franse volk. Vanaf 9 juli heette dit parlement de Nationale Grondwetgevende Vergadering, omdat men besloot om als wetgevende macht een grondwet te gaan opstellen. Op 26 augustus, zes weken later dus, werd deze grondwet goedgekeurd door het parlement.

Lodewijk XVI, de Franse koning, wilde aanvankelijk de grondwet niet ondertekenen. Hij werd hiertoe gedwongen door de vrouwen van Parijs, die optrokken naar zijn paleis te Versailles. De koning, koningin Marie Antoinette en de rest van het hof werden voorts genoopt om in Parijs te gaan wonen, in het nu verdwenen (want tijdens de Parijse Commune van 1871 verwoeste) Tuilerieënpaleis.

Hoewel er stemmen opgingen om de doodstraf af te schaffen besloot de nationale vergadering deze straf te laten bestaan. Wel moesten processen eerlijk plaatsvinden en waren mensen onschuldig totdat het tegendeel was bewezen. Niet dat de Franse Revolutionairen zich aan deze principes zouden houden, maar het ideaal was er en zou een grote invloed hebben op de humanisering van het recht.

De Verklaring van de rechten van de mens en van de burger werden, heel symbolisch, op twee stenen tafelen afgebeeld. Hiermee werd aan de mensenrechten dezelfde status gegeven als de Tien Geboden uit de Bijbel. Voor rechtzinnige christenen was de symboliek hét bewijs dat de mensenrechten antichristelijk waren, en de Franse Revolutie een opstand tegen God. Inderdaad schermden radicale Franse Revolutionairen met de leus ‘Ni dieu ni maître’ (Geen God, geen meester) en vond er een beeldenstorm (hoe actueel) tegen katholieke symbolen plaats. Niettemin was de Franse Revolutie juist voor godsdienstvrijheid: ‘Niemand mag vanwege zijn opvattingen, ook niet godsdienstige, worden lastig gevallen, in zoverre dat hun uiting de door de wet ingestelde openbare orde niet verstoort.’

 

Hieronder, omdat de verklaring zo belangrijk is, nog steeds, de integrale tekst in het Nederlands:

Verklaring van de rechten van de mens en van de burger (Déclaration des droits de l’homme et du citoyen, 26 augustus 1789)

De afgevaardigden van het Franse volk, in nationale vergadering bijeengekomen, beschouwen het onbekend zijn met, het vergeten of minachten van de rechten van de mens als de enige oorzaken van het algemeen ongelukkig zijn en de verdorvenheid der regeringen; daarom hebben zij besloten om de natuurlijke, onvervreemdbare en heilige rechten van de mens in een plechtige verklaring uiteen te zetten, opdat de gehele samenleving altijd over deze verklaring zal kunnen beschikken en zich haar rechten en plichten voortdurend zal herinneren; opdat de handelingen van de wetgevende en uitvoerende macht op ieder ogenblik met het einddoel van alle politieke bepalingen vergeleken en zo beter gecontroleerd kunnen worden; opdat de op eenvoudige en onweerlegbare principes gegrondveste eisen van de burgers in de toekomst steeds op het in stand houden van de grondwet en het algemeen welzijn gericht mogen zijn.

Bijgevolg erkent en verklaart de nationale vergadering in aanwezigheid en onder bescherming van het Opperwezen, de volgende rechten van de mens en van de burger:

  1. De mensen worden vrij en met gelijke rechten geboren en blijven dit. Maatschappelijke verschillen kunnen slechts op het algemeen welzijn gebaseerd worden.
  2. Het doel van iedere politieke vereniging is het behoud van de natuurlijke en onvervreemdbare rechten van de mens; deze rechten zijn de vrijheid, het bezit, de veiligheid en het verzet tegen onderdrukking.
  3. De oorsprong van iedere soevereiniteit ligt wezenlijk bij het volk. Geen instantie, geen individu kan gezag uitoefenen dat daar niet uitdrukkelijk uit voortkomt.
  4. De vrijheid bestaat daaruit, alles te kunnen doen wat een ander niet schaadt. Zo heeft de uitoefening van de natuurlijke rechten van ieder mens alleen deze grenzen die aan de andere leden van de maatschappij het genot verzekeren van dezelfde rechten. Deze grenzen kunnen alleen bij wet vastgelegd worden.
  5. De wet heeft slechts het recht handelingen te verbieden, die schadelijk zijn voor de maatschappij. Alles wat niet door de wet verboden is, kan niet worden verhinderd en niemand kan gedwongen worden te doen, wat de wet niet verordent.
  6. De wet is de uitdrukking van de algemene wil. Alle burgers zijn hebben het recht, persoonlijk of door hun vertegenwoordigers, aan haar totstandkoming mee te werken. Zij moet voor iedereen dezelfde zijn, hetzij ze beschermt, hetzij ze straft. Daar alle burgers in haar ogen gelijk zijn, kunnen zij in gelijke mate toegelaten worden tot alle waardigheden, plaatsen en openbare ambten volgens hun bekwaamheden en zonder ander onderscheid dan die van hun deugden en talenten.
  7. Niemand kan beschuldigd, aangehouden of gevangen worden dan in bij de wet bepaalde gevallen en in de vormen, die zij heeft voorgeschreven. Ieder die daden naar willekeur nastreeft, bevordert, pleegt of laat plegen, moet gestraft worden; maar iedere burger die door een wet wordt opgeroepen of gevangen, moet ogenblikkelijk gehoorzamen; door weerstand te bieden maakt men zich schuldig.
  8. De wet kan slechts strikte en weliswaar noodzakelijke straffen opleggen, en niemand kan gestraft worden dan door een wet die is vastgesteld en uitgevaardigd voorafgaand aan het delict en op wettige wijze toegepast.
  9. Ieder mens wordt als onschuldig beschouwd tot wanneer hij schuldig wordt verklaard; daarom moet, indien zijn aanhouding onvermijdelijk is, ieder gebruik van geweld dat niet dient om de verdachte gevangen te nemen, van rechtswege streng onderdrukt worden.
  10. Niemand mag vanwege zijn opvattingen, ook niet godsdienstige, worden lastig gevallen, in zoverre dat hun uiting de door de wet ingestelde openbare orde niet verstoort.
  11. De vrije uitwisseling van gedachten en meningen is een van de meest kostbare rechten van de mens; iedere burger kan dus vrijelijk spreken, schrijven en drukken, behoudens en bij de wet omschreven gevallen, waarin hij van deze vrijheid misbruik maakt.
  12. De waarborg van de rechten van de mens en van de burger vereisen een politiemacht; deze macht is dus ingesteld voor het voordeel van allen en niet voor het particulier gebruik van hen aan wie ze is toevertrouwd.
  13. Voor het onderhouden van de politie en voor de uitgaven van de administratie is een algemene belasting noodzakelijk, zijn moet gelijk worden verdelen onder de burgers in verhouding van hun middelen.
  14. De burgers hebben het recht zelf of door hun vertegenwoordigers de noodzaak van een openbare belasting te onderzoeken, haar goed te keuren, de aanwending ervan te controleren en haar onderdelen, grondslag, invordering en duur te bepalen.
  15. De maatschappij heeft het recht rekenschap te vragen aan iedere openbare ambtenaar voor zijn bestuur.
  16. Iedere maatschappij waarin de rechten niet gewaarborgd zijn, noch de scheiding der machten is vastgelegd, heeft geen grondwet.
  17. Aangezien het eigendom een heilig en onschendbaar recht is, kan niemand ervan beroofd worden, tenzij de openbare noodzakelijkheid, wettelijk vastgesteld, dit vereist en onder voorwaarde van een rechtvaardige en van tevoren vast te stellen schadeloosstelling.