Adolf Hitler was een Oostenrijker. Hoewel hij sinds 1913 in München woonde en in dienst ging in het koninklijke Beierse leger, een van de vier legers van het Duitse Keizerrijk, was hij geen Duits staatsburger. Pas op 25 februari 1932 werd Hitler eindelijk een Duitser.

Dat Hitler in 1932 opeens haast om Duitser te willen worden kwam door de aanstaande presidentsverkiezingen. De Weimar-republiek kende behalve een rijkskanselier, die leiding gaf aan het kabinet, ook een rijkspresident, het Duitse staatshoofd. De rijkspresident werd democratisch gekozen om de zeven jaar. Maarschalk Paul von Hindenburg was in 1925 rijkspresident geworden. Hij wilde in 1932 voor een nog een termijn gaan. Hitler wilde het graag tegen hem opnemen, maar kon dit alleen doen als hij het Duitse staatsburgerschap bezat. Dat had hij begin 1932 nog niet.

Hitler was van 1925 tot 1932 stateloos. Hij had in 1925 zijn Oostenrijkse staatsburgerschap afgezworen, maar had al die jaren niet het Duitse staatsburgerschap ontvangen. Toch gaf hij leiding aan de meest nationalistische partij in het land, wat nogal ironisch is.

Op 25 februari 1932 benoemde de nazi-minister van binnenlandse zaken van de deelstaat Braunschweig Hitler tot manager van de delegatie van Braunschweig in de rijksraad in Berlijn. Daarmee werd Hitler een burger van Braunschweig en dus van het Duitse Rijk.

Paul von Hindenburg won later in 1932 niettemin de Duitse presidentsverkiezingen met overtuiging. Hij kreeg 53% van de stemmen. Hitler kreeg bijna 37% van de stemmen, de communistische kandidaat Ernst Thälmann net iet meer dan 10%. Omdat Hitler op 30 januari 1933 rijkskanselier zou worden en na de Rijksdagbrand van 27 februari alle macht naar zich toe kon trekken was de verloren presidentscampagne achteraf niet zo belangrijk. De stokoude Von Hindenburg overleed op 2 augustus 1934, waarop rijkskanselier Hitler ook het rijkspresidentschap overnam. Zijn macht was daarmee geconsolideerd.

 

Afbeeldingen: Wikimedia / Wikipedia Commons