In 1900 breekt in China de zogenaamde Bokseropstand uit tegen de imperialistische westerse mogendheden. Uiteindelijk loopt deze rebellie uit op een totale mislukking.

Een Bokser-rebel

 

Keizerrijk in verval

China was in de negentiende eeuw een wereldrijk in verval. Het keizerrijk verloor twee opiumoorlogen tegen Groot-Brittannië en was gedwongen om aan de westerse landen veel concessies te doen. Groot-Brittannië, Frankrijk en het Duitse Rijk, maar ook het Russische Rijk en Japan poogden hun invloedssfeer in China uit te breiden.

In 1900 barstte de bom. Een groep rebellen, de zogenoemde boksers, besloten westerse zendelingen en missionarissen aan te vallen. Het westen, met zijn christendom en moderne techniek, werd door een deel van Chinese bevolking zeer gehaat. De boksers, de Yihetuan of Vuisten der Gerechtigheid en Eensgezindheid, meenden dat ze door hun oosterse, op de Tao gebaseerde gevechtstechniek onkwetsbaar zouden zijn voor kogels. Hoewel dat uiteraard niet waar was verkeerden de rebellen in de waan dat ze de westerlingen daarom wel even zouden verjagen.

 

Belegering

Op 20 juni 1900 werd de Duitse diplomaat Freiherr Klemens von Ketteler in Beijing vermoord. Deze moord, en de daarop volgende belegering van de internationale diplomatenwijk in de Chinese hoofdstad, vormden de aanleiding van de imperialistische machten om opnieuw in China in te grijpen. Een grote troepenmacht werd naar China gestuurd en wist na 55 dagen de diplomaten in Beijing te ontzetten.

De bokserlegertjes werden met groot gemak verslagen. Het keizerlijke hof, dat onder leiding van keizerin-weduwe Cixi partij voor de boksers had gekozen, werd verplicht het ‘Bokserprotocol’ te ondertekenen. Enkele hooggeplaatste Chinese ministers moesten worden terechtgesteld. Voorts moest China een enorme schadevergoeding betalen.

 

Totale mislukking

De Bokseropstand was een totale mislukking. De Chinezen beseften dat als ze echt wat tegen de westerse invloed wilden ze hun land moesten moderniseren, wat de Japanners ook hadden gedaan. In 1911 werd China een republiek en werden traditionele gebruiken zoals het staatsexamen voor mandarijnen en voetbinding voor jonge meisjes verboden.

De Chinese republiek bleek echter zwak, waardoor ‘warlords’ (krijgsheren) in de verschillende provincies in feite de dienst uitmaakten. Generaal Chiang Kai-shek wist China voor korte tijd te verenigen, maar kreeg vervolgens veel te stellen met de communisten en met de Japanners. Het Japanse Keizerrijk, dat in 1900-1901 had meegedaan om de Bokseropstand neer te slaan en tijdens de Russisch-Japanse Oorlog en de Eerste Wereldoorlog zijn invloed in China enorm had vergroot, bezette in 1931 Mantsjoerije en in 1937 vrijwel de gehele Chinese oostkust.

Pas in 1949, toen Mao Zedong van China een communistisch land maakte, kwam er echt een einde aan de buitenlandse invloed op het rijk van het midden.