Op 20 februari 1890 werden er, voor het eerst tijdens de regering van keizer Wilhelm II, Rijksdagverkiezingen gehouden. De zogenoemde Kartellpartijen (de Duits-conservatieven, de vrije conservatieven en de nationaal-liberalen) die de politiek van Bismarck steunen lijden een gevoelige nederlaag. Grote winnaars zijn de sociaal-democratische SDP en het katholieke Zentrum.

In 1888 werd Wilhelm II de nieuwe keizer van het Duitse Rijk. Hij volgde zijn doodzieke vader op, die 100 dagen keizer was en vanwege zijn ziekte niet aan regeren toekwam. Wilhelm zou een agressieve nationalistische politiek voeren, wat mede leidde tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Niettemin kregen de sociaal-democraten tijdens zijn bewind veel invloed en werd de SDP de machtigste sociaal-democratische partij van Europa.

Kanselier Otto von Bismarck, beslist geen democraat, kreeg de steun van rechtse en centrumrechtse partijen. De sociaal-democraten en de katholieken beschouwde hij als de vijand. Om de sociaal-democraten de pas af te snijden had Bismark echter voor veel sociale wetgeving gezorgd, waardoor de arbeiders in Duitsland het beter kregen. Desondanks was de SDP erg populair bij de Duitse arbeiders. De Nederlandse SDAP, die lang niet alle Nederlandse arbeiders aan zich wist te binden omdat katholieke arbeiders katholiek stemden en protestantse arbeiders ARP, keken met bewondering en jaloezie naar het Duitse succes.

Tijdens de Rijksdagverkiezingen van 1890 werd de SDAP, qua stemmenaantal, de grootste partij van Duitsland. 19,7% van het electoraat stemde op de sociaal-democraten. Niettemin kreeg de partij slechts 35 van de 397 zetels in de Rijksdag, nog geen 10% van de zetels dus. Dit kwam door het districtenstelsel. Er waren 397 kiesdistricten en in elk district gold het principe The winner takes it all, maar dan in het Duits. De Duits-conservatieve partij, die in het dunbevolkte Oost-Pruisen heel sterk was, kon daarom met 12,4% van de stemmen maar liefst 73 zetels halen.

Tijdens de Rijksdagverkiezingen van 1912, de laatste verkiezingen voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, waren de sociaal-democraten niet alleen qua stemmenaantal maar ook qua zetelaantal de grootste partij geworden. Nationalistische Duitsers namen dit de keizer zeer kwalijk. Hij zou tegenover de sociaal-democraten veel te toegeeflijk zijn. Niettemin betoonden de sociaal-democraten zich in 1914 ‘goede vaderlanders’ (tussen aanhalingstekens, het hangt van je perspectief af) toen zij voor de oorlogskredieten stemden. Pacifistisch georiënteerde socialisten waren over dit ‘verraad’ (nogmaals, dit hangt van je perspectief af) zeer verbolgen.

De Duitse Rijksdag was, dankzij het algemeen mannenkiesrecht, in zekere zin het meest democratische parlement van West-Europa ten tijde van het Fin de Siècle. Niettemin was het Duitse Rijk allesbehalve een democratie, omdat de keizer en het Duitse leger zich aan democratische controle ontrokken. Het Duitse Keizerrijk (1871-1918) was kortom een vat vol tegenstrijdigheden.

Afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons