Tijdens de Tweede Engelse Oorlog, die uiteindelijk door de Nederlanders gewonnen zou worden, staat het dorp West-Terschelling in de brand. Holmes’s Bonfire, zoals deze gebeurtenis heet, eiste veel mensenlevens en ook de materiële schade was enorm.

 

In juni 1666 wisten de Nederlanders onder leiding van admiraal Michiel de Ruyter de Vierdaagse Zeeslag te winnen, maar dit betekende nog niet dat ons land de oorlog had gewonnen. De Engelsen namen wraak en kregen de hulp van een verrader, Laurens van Heemskerk.

Terschelling was in de zeventiende eeuw een belangrijk eiland, want hier verzamelden de handelsvloten zich die lange reizen naar het buitenland gingen maken. Van Heemskerk wist dat er een grote vloot van zo’n 170 schepen tussen Vlieland en Terschelling lag. De Engelsen vielen op 19 augustus aan en stuurden branders op de Nederlandse handelsschepen af. In het daaropvolgende bloedbad gingen 150 schepen verloren en kwamen zo’n 2000 matrozen om.

Dat de Engelsen zo veel succes hadden met hun missie kwam omdat Michiel de Ruyter en Cornelis Tromp weer eens ruzie hadden en de Nederlandse vloot in Zeeland voor anker lag. Na de ramp ging de Amsterdamse beurs voor een paar dagen dicht en waren er opstootjes bij het huis van Michiel de Ruyter, die de schuld in de schoenen geschoven kreeg.

Ons land maakte in juni 1667 een einde aan de Engelse Oorlog dankzij de tocht naar Chatham, in de Engelse literatuur de Raid on the Medway geheten. Tijdens deze tocht maakten de Nederlanders de Royal Charles buit, het Engelse vlaggenschip. Het houten achterdeel van dit schip met daarop het Engelse wapenschild wordt nog steeds tentoongesteld in het Rijksmuseum.

 

Afbeelding: Wikipedia / Wikimedia Commons