Hoe een middeleeuwse veldslag het symbool werd van Servisch nationalisme en indirect de Eerste Wereldoorlog veroorzaakte.

 

De feiten

De Slag op het Merelveld – Kosovo Polje betekent letterlijk ‘het veld van de zwarte vogels’ – werd op 15 juni 1389 (volgens sommige historici op 28 juni, die datum wordt door de Serviërs ook gebruikt voor hun herdenking) uitgevochten tussen de Ottomaanse troepen onder leiding van sultan Murad I en de troepen van de Sevische prins Lazar.

Het Ottomaanse Rijk was in de veertiende eeuw een sterke regionale macht geworden. De Turkse sultans veroverden grote delen van het verzwakte Byzantijnse Rijk, maar ook de Bulgaren en de Serviërs hadden veel problemen met de Ottomanen. Het Servische Keizerrijk (in navolging van het Byzantijnse Rijk en Bulgarije noemde Servië zich ook een keizerrijk) was in 1371 uiteengevallen in kleinere staten, waarvan het vorstendom van prins Lazar Hrebeljanović de sterkste was. Lazar wilde dan ook een leger op de been brengen om de Ottomaanse expansie een halt toe te roepen.

In 1389 ontmoetten beide legers elkaar op het Merelveld. Hoewel Lazar de Ottomanen grote verliezen wist toe te brengen en ook sultan Murad sneuvelde was de slag bij Kosovo Polje een nederlaag voor de Serviërs. Een groot deel van de Servische adel liet zijn leven op het slagveld, ook prins Lazar. Het Ottomaanse Rijk kon dankzij de reserves in Azië de grote verliezen te boven komen, de Serviërs niet. In de loop van de vijftiende eeuw zouden de Ottomanen de rest van Servië veroveren. Pas in de negentiende eeuw zou Servië weer onafhankelijk worden.

 

De mythe

Dankzij het opkomende nationalisme kreeg de Slag op het Merelveld voor de Serviërs een mythische status. De negentiende-eeuwse taalwetenschapper Vuk Karadzic maakte de Serviërs bewust van hun taal, hun nationaliteit en daarmee hun geschiedenis. De Slag bij het Merelveld wordt een heroïsche gebeurtenis uit de geschiedenis, waar Serviërs trots op kunnen zijn. Hoewel de Serviërs een nederlaag hadden geleden hadden zij de Turken zulke zware verliezen toegebracht dat Europa voorlopig veilig bleef voor Ottomaanse aanvallen, zo was de gedachte.

Volgens de mythe zou prins Lazar in de nacht voor de slag bezocht zijn door een grijze valk uit Jeruzalem. De valk, die natuurlijk kon praten, legde Lazar twee keuzes voor: een aards koninkrijk of een hemels koninkrijk. Koos hij voor het laatste dan betekende dit dat hij zou sneuvelen in de slag. Lazar, die de eeuwigheid toch wat belangrijker vond dan deze wereld, koos vanzelfsprekend voor het hemelse koninkrijk en sneuvelde de volgende dag. Volgens de Servisch-orthodoxe Kerk werd Lazar gevangen genomen en door de Ottomanen onthoofd, wat hem tot een christelijke martelaar maakte.

De Serviërs herdenken de Slag op het Merelveld elk jaar op 28 juni. Dat de Oostenrijkse aartshertog Franz Ferdinand juist op die datum in 1914 Sarajevo wilde bezoeken was voor Servische nationalisten een reden om hem te vermoorden. Sarajevo werd door de voorstanders van een Groot-Servië geclaimd, maar de provincie Bosnië was in 1908 door Oostenrijk-Hongarije geannexeerd. Servische nationalisten voelden zich door Franz Ferdinand geprovoceerd en hij moest daarom dood. Zoals bekend was de moordaanslag een succes en leidde deze moord een maand later tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Het Merelveld ligt in Kosovo, wordt nu bewoond door Albanezen en is een onafhankelijk land, maar wordt nog steeds door Servië geclaimd als het hartland van de Servische natie. Slobodan Milosevic bezocht op 28 juni 1989 het slagveld tijdens de 600-jarige verjaardag van de slag en hield een beruchte toespraak. De laatste zinnen luidden:

Zes eeuwen geleden verdedigde Servië zich heldhaftig op het Merelsveld, maar het verdedigde ook Europa. Servië was op dat moment het bastion dat de Europese cultuur, religie en maatschappij verdedigde. Daarom is het vandaag niet alleen onjuist maar ook volledig absurd om de vraag te stellen ‘Hoort Servië bij Europa?’