Op 13 November 1918, twee dagen na de wapenstilstand, bezetten geallieerde troepen de Ottomaanse hoofdstad Constantinopel. Een kleine vijf jaar zal de stad in geallieerde handen blijven.

 

Het Ottomaanse Rijk, dat in November 1914 de kant van het Duitse Rijk had gekozen, behoorde tot de verliezers van de Eerste Wereldoorlog. De Ottomanen werden in 1920 gedwongen om de vernederende vrede van Sèvres te tekenen, waardoor ze grote gebieden verloren. Mustafa Kemal Pasja, de nationalistische general die de Britten, Nieuw-Zeelanders en Australiërs in 1915 bij Gallipoli had verslagen, was het oneens met deze vrede. Hij begon een eigen regering in Ankara, die zich keerde tegen de buitenlandse bezetters en de sultan die dit allemaal maar toeliet.

Griekenland, dat Smyrna (het tegenwoordige Izmir) had bezet wilde grote delen van Anatolië veroveren, maar werd door Mustafa Kemal Pasja verslagen. De Turken rukten op naar Constantinopel, wat in Groot-Brittannië leidde tot de val van het kabinet van David Lloyd George. De Britten wilden geen oorlog met de Turken en besloten tot een nieuw vredesverdrag. Het verdrag van Lausanne van 24 juli 1923 bepaalde de nieuwe grenzen van Turkije.

De Grieken waren definitief uit Anatolië verdreven. De Britten en Fransen evacueerden Constantinopel. De laatste troepen vertrokken op 23 September de stad. Turkse troepen bezetten Constantinopel op 6 oktober. De stad ging verder onder de naam Istanbul. De nieuwe Turkse Republiek werd op 29 oktober uitgeroepen, met Ankara als de nieuwe hoofdstad.

De grenzen die Turkije in 1923 had zijn bijna precies dezelfde grenzen als het land nu heeft, met uitzondering van de grens met Noord-Syrië. In 1939 annexeerde Turkije de republiek Hatay.    

 

Afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons