Eind januari eindigde de Nederlandse bijdrage aan de Patriot-missie van de NAVO in Turkije. Daar was Nederland actief om de Turken te helpen beschermen tegen de oorlog aan de Syrische zijde van de grens. Hoewel Defensie eigenlijk niet is toegerust om een intensieve operatie voor een langere tijd vol te houden, zoals deze missie Active Fence, is het de mannen en vrouwen van Defensie (weer) gelukt. Hier hangt wel een prijskaartje aan: overbelast personeel en materieel. De Patriot-missie is helaas geen uitzondering. Sterker nog, het is typerend voor de huidige staat van onze krijgsmacht. De politiek stelt onuitvoerbare eisen aan onze militairen, die met veel kunst- en vliegwerk mondjesmaat worden vervuld. Terwijl de krijgsmacht zichzelf kannibaliseert, leeft de politiek nog altijd in de veronderstelling dat het wel een onsje minder kan bij Defensie. Want, zo wordt er geredeneerd, we hebben immers toch gewoon bijgedragen aan de Patriot-missie? Dragen we niet ons steentje bij in Irak? Dus wat is nou eigenlijk het probleem?

Terwijl de missie op volle toeren draaide in Turkije, werd vanuit Den Haag de regelgeving aangepast om een kortere rotatieperiode (op vrijwillige basis) mogelijk te maken. Er waren drie teams beschikbaar voor 24 uur, met 12-urige werkdagen tot gevolg. Omdat al het personeel moest meedraaien, draaiden de instructeurs ook mee in de rotatie waardoor bepaalde trainingen tijdelijk moest worden stilgezet. Op materieel gebied werd er ook beknibbeld. In Turkije waren er alleen faciliteiten voor simpel onderhoud, waardoor (noodzakelijke) software updates ook moesten worden uitgesteld. Om een Patriot draaiende te houden is een dotje olie en af en toe remblokjes vervangen uiteraard niet voldoende. Toch draaiden de Patriots 24 uur per dag, waardoor bepaalde generatoren meer uren draaiden in twee jaar tijd gedurende de missie dan in de tien jaar ervoor bij elkaar opgeteld.

Die can do-mentaliteit binnen Defensie is mooi, maar is tegelijkertijd wel een van de grootste zwaktes gebleken. Geef een ploeg militairen een stofzuiger, een elastiekje en wat lege spuitbussen. Gooi ze in een schuur en ze komen (net als elke aflevering van de A team) binnen een half uur met een volwaardig operationele tank naar buiten rollen. Het wordt tijd dat Defensie eens stopt met A-team spelen. Want het risico hiervan is dat politici na een tijdje gaan denken dat Defensie dus ook niet meer nodig heeft dan een stofzuiger, een elastiekje en wat lege spuitbussen. Mede daarom is Defensie jarenlang een dankbare bezuinigingspost geweest. Wanneer je als organisatie om de paar jaar het hele financiële plan op de schop moet gooien, ontkom je niet aan (negatieve) cumulatieve effecten zoals uitholling van je kennis, kunde en capaciteiten.

Naast de door bezuinigingen aangejaagde can do-mentaliteit, die op zichzelf ook weer tot bezuinigingen leidde, is inflatie een ander voorbeeld van uitholling. Spullen worden snel duurder. Om binnen het budget te blijven moet Defensie rekening houden met 100 tot 200 miljoen per jaar bezuinigen, alleen al om de inflatie af te dekken. Hierdoor wordt het ook lastig om voldoende geld te blijven steken in innovatie. Dit dient minimaal twintig procent van het budget te behelzen om vernieuwing binnen de organisatie te garanderen, maar deze blijft (met veel moeite) steken op veertien procent. Toch is het lastig voor Defensie om deze zonder pardon omhoog te schroeven. Elke verandering in de verhoudingen binnen het budget geeft druk en zal waarschijnlijk ook het sluiten van eenheden tot gevolg hebben. Gevolg: Defensie rent om de zoveel jaar (wanneer er weer een nieuwe bezuiniging aankomt) van prioritering naar prioritering. Met minder geld zullen er eenmaal keuzes moeten worden gemaakt. Hier is niets mis mee, tenzij je (zoals nu het geval is) rare sprongen moet maken zoals tanks de deur uit doen. Of, nog ernstiger, teveel moet gaan afsnoepen van je inzetbaarheid en gereedstelling. Afgelopen jaren zat Defensie 1/3 onder het gewenste niveau. Met andere woorden: tussen de ambities en eisen vanuit de politiek, en wat Defensie kan aanleveren zit een gapend gat van 1/3 tekort.

Moet Defensie niet ook zelf, zoals bleek uit een rapport van de Algemene Rekenkamer (ARK), orde op zaken stellen? Zeker. Zo dient de organisatie de aanbevelingen van de ARK ter harte te nemen. Een hiervan is dat Defensie gebrekkig inzicht heeft in levensduurkosten (zoals investeringskosten, exploitatiekosten en eventuele opbrengsten van verkoop of sloop) van wapensystemen. Tegelijkertijd mag dit geen excuus zijn om de krijgsmacht zichzelf te laten kannibaliseren. Een huishoudboekje dat op orde is, is een pre. Maar tegelijkertijd zou een Defensie die, behalve inzetbaar, ook duurzaam is een minimale prioriteit moeten zijn voor de politiek. Om Defensie weer in de basis gezond te maken dient er (1) een balans tussen ondersteunende en gevechtstaken moeten worden hersteld; (2) een reparatieslag plaats te vinden binnen Defensie Materieel Organisatie (DMO) zodat eenheden goed uitgerust zijn om hun taken te volbrengen en (3) een herstel naar twintig procent van het budget voor innovatie om de krijgsmacht mee te laten ademen met de nieuwste ontwikkelingen. Hiervoor is structureel minimaal 1 miljard euro nodig. Alles onder dit bedrag is een extra plakbandje om de vorige plakbandjes bij elkaar te houden. Dit kan niet anders dan op termijn gigantisch misgaan.

De politiek dient te beseffen dat er zonder een gezonde krijgsmacht, die nu met een aalmoes van 350 miljoen euro wordt afgescheept, geen enkele oorlog te winnen valt.