Na de hereniging van Oost- en West-Duitsland besloot het nieuwe Duitsland meteen om de Oder-Neissegrens met Polen te erkennen. Duitsland gaf hiermee Silezië, Pommeren en Oost-Pruisen op, gebieden die ten tijde van het keizerrijk en de Weimarrepubliek Duits waren geweest.

Omdat de Sovjet-Unie in 1945 wilde vasthouden aan de veroveringen van 1939, toen het oosten van Polen door het Rode Leger was veroverd, besloot de conferentie van Potsdam om de Polen ter compensatie grote delen van Duitsland te geven. Gebieden die eeuwenlang Duits waren, zoals Silezië, werden Pools. De Duitse stad Breslau werd Wroclaw genoemd. De Duitse bevolking moest vertrekken, de nieuwe bewoners kwamen uit de door de Russen bezette Poolse stad Lwow, het huidige Lviv.

In West-Duitsland was de Oder-Neissegrens lange tijd omstreden. Tot 1970 wilden alle grote partijen in West-Duitsland – de CDU, CSU, SPD en FDP – deze grens opheffen. Dat kwam ook omdat er in West-Duitsland veel Heimatvertriebenen woonden, die over een sterke politieke lobby beschikten. De West-Duitse kanselier Willy Brandt (SPD) zocht echter diplomatieke toenadering tot Polen en de Sovjet-Unie en besloot de Oder-Neissegrens voorlopig te erkennen. Dit had tot gevolg dat de in de voormalige Duitse gebieden achtergebleven Duitsers naar West-Duitsland mocht emigreren, als zij die behoefte hadden, en dat Heimatvertriebenen hun geboortestreek weer mochten bezoeken.

Kanselier Helmut Kohl (CDU) wilde in 1990 aanvankelijk niets weten van de Oder-Neissegrens, maar werd uiteindelijk gedwongen om zich bij de realiteit neer te leggen. Op 3 oktober werd Duitsland officieel een, ruim een maand later besloot Duitsland de oostgrens met Polen te erkennen. Alleen in rechts-extremistische kringen verlangt men terug naar de vooroorlogse grenzen.

 

Afbeeldingen: Wikipedia / Wikimedia Commons