Je hoeft geen groot kenner van de toestand in de wereld te zijn om te weten dat Azië ‘eraan komt’. Dat zegt iedereen. Daarmee wordt op China gedoeld. Van Japan kun je moeilijk zeggen dat het een nieuwkomer is. De Japanners openden de twintigste eeuw met een daverende overwinning op de Russen, werden in 1945 met twee Amerikaanse atoombommen tot de orde gebracht, en zagen hun wondereconomie in de jaren negentig stilvallen. Andere Aziatische reuzen als India en Indonesië komen er wel aan, maar hun opkomst wordt vertraagd door stroomuitvallen en overstromingen. Autorijden doen ze in India wel, maar het treinverkeer wordt nog opgehouden door verschrikkelijke spoorongelukken en heilige koeien op de rails.

Ook de opkomst van China verliep aanvankelijk traag. Nog maar veertig jaar geleden verplaatsten de volksmassa’s zich er op de fiets en werden er bergen met kruiwagens verzet. De Grote Sprong Voorwaarts leidde tot grote hongersnoden en tijdens Mao’s culturele revolutie liep iedereen die zich niet helemaal aan het het rode boekje hield het risico door rode gardisten van ‘burgerlijke neigingen’ te worden beschuldigd. Pas onder de pragmatische hervormer (en communist) Deng Xiaoping sloeg de Chinese Volksrepubliek het juiste kapitalistische groeipad in. Sinds de jaren tachtig spreken de leiders in Beijing van China’s terugkeer in de wereld. Historisch gezien is het fout om te zeggen dat China ‘eraan komt’; dat is westers perspectief. Het Rijk van het Midden, dat zich twee eeuwen geleden nog op Europees ontwikkelingsniveau bevond, is met een gigantische inhaalslag bezig die China weer haar rechtmatige plaats op aarde moet geven. De Chinese president Xi Jinping heeft dat deze week nog eens bevestigd: ‘The growing trend toward a multipolar world will not change.’ Dat is Chinees voor het standpunt van Beijing dat de Amerikaanse rol als enige supermacht in de wereld sinds het einde van de Koude Oorlog binnenkort ten einde komt.

Zo swingend is China niet

Mij lijkt dat overigens een bescheiden vaststelling voor een land dat zich vroeger het centrum van de wereld waande. Xi Jinping spreekt niet van ‘bipolair’ maar van ‘multipolair’, waarbij hij naast China en Amerika blijkbaar nog meer spelers op het wereldtoneel voorziet. Tegelijk is het nog maar de vraag of China een echte wereldmacht kan worden. Natuurlijk, het land heeft binnenkort de grootste economie ter wereld en China is wereldwijd op zoek naar grondstoffen en afzetmarkten. Het timmert ook militair aan de weg en een volk van 1,3 miljard mensen kan niet eeuwig aan de zijlijn staan. Maar mondiaal tot de verbeelding spreekt China niet. Het Chinese ontwikkelingsmodel is hoogstens een inspiratie voor managers die in grote getallen denken. En voor Afrikaanse landen die in het Westen teleurgesteld zijn (maar de Chinese neerbuigendheid tegenover zwarten nog aan den lijve moeten ontdekken).

Het is een historische prestatie dat honderden miljoenen mensen uit de armoede zijn gehaald, maar als je al die reusachtige flatwijken ziet die in China in recordtijd uit de grond zijn gestampt, wil je daar niet wonen. Trouwens, alles wat uit de grond wordt gestampt komt mij onaantrekkelijk voor. Het zal best dat ‘het’ in China gebeurt, maar mij valt op dat Marco Polo heel wat interessantere ontdekkingen deed dan al die jonge backpackers die nu naar China reizen. En ook de studenten in Hong Kong beklagen het gebrek aan politieke vrijheden in een voormalige stadstaat die als Britse kroonkolonie tot de Aziatische tijgereconomieën werd gerekend. Zo swingend is China niet en wat er swingt schittert in lichtreclames die je over de hele wereld ziet.

Het Westen heeft te veel praatjes

Maar ik ga op de beeldvorming af, ik ben nooit in China geweest. Je hoort Aziaten ook afgeven op het Westen, dat te veel praatjes heeft en zijn tijd zou hebben gehad. Zo hoorde ik een jaar of zes geleden een Chinese professor opscheppen dat Sjanghai veel rijker en opwindender is dan New York, wat echter niet tot de bravoure leidde die je bij die status zou verwachten. Hij vertelde dat Mao op het platteland nog steeds populair is en dat de partijleiding daarom blijft vasthouden aan de officiële leer dat de grote roerganger voor zeventig procent goed zat en voor dertig procent fout. Daaruit spreekt angst voor het eigen volk, dat boven alles in toom moet worden gehouden. Zo heerst er in China een grof soort continuïteit die het voor buitenstaanders ondoordringbare land nog enigszins voorspelbaar maakt. Waar gehakt wordt vallen spaanders, is zo’n oosterse wijsheid die het goed doet in China, waar de mensenrechten als een luxe worden gezien waar China gezien de nog altijd grote ontwikkelingsachterstand geen tijd voor heeft. Dat is niet moeilijk te begrijpen, net als de Chinese éénkindpolitiek, die de bevolkingsgroei met succes heeft beteugeld. Maar verfijnd is het niet en voor individualisme is in China geen ruimte; de groteske persoonsverheerlijking van Mao was er juist om dat de kop in te drukken.

Mij lijkt dat de Grote Sprong Voorwaarts China nog steeds voor enorme problemen stelt. Niet vanwege zijn mislukking, zoals begin jaren zestig, maar vanwege zijn overweldigende succes. Geen mens weet of die (noodzakelijke) groei valt vol te houden, terwijl er tegelijk de problemen zijn van milieuvervuiling, een rap verouderende bevolking, een platteland dat in ernstig verval verkeert, en een samenleving die ontworteld is en geplaagd wordt door misdaad, corruptie en consumentisme. Er wordt gesproken van een spirituele leegte waarin het communistische bewind niet kan voorzien. Het valt op dat China wel massaal gevallen is voor het materialisme uit het Westen, waarbij de leer van Marx, Engels en Lenin even opportunistisch is geïnterpreteerd als het kapitalisme, maar dat de partijleiding religieuze bewegingen en morele concepten uit het Westen buiten de deur houdt. Het doet denken aan de Japanners, die twee eeuwen lang aparte relaties onderhielden met de Hollanders, omdat die in handel waren geïnteresseerd en niet in de verspreiding van hun godsdienst (zoals de Spanjaarden en de Portugezen die bij het verdrag van Tordesillas in 1494 onderling de niet-westerse wereld hadden verdeeld).

Almachtige steekt stiekem de kop op

Onder de oppervlakte is het christendom is in China overigens wel degelijk aan een opmars bezig. Hier spreekt de ironie van de geschiedenis. In West-Europa is God in ongenade gevallen en gaan we niet meer voor hem op de knieën, maar in het Verre Oosten steekt de Almachtige stiekem de kop op. Wie verkoopt er hier zijn ziel en zaligheid? Een echte wereldmacht is China nog lang niet, daarvoor mist het de geestelijke kracht. Maar intussen worden de bordjes op de wereldmarkt wel geruisloos verhangen.