Deflatie is ongewenst omdat in dat geval de toch al hoge overheidsschulden zwaarder gaan wegen, is hét argument waarom de centrale banken deflatie kost wat kost moeten voorkomen en inflatie moeten aanjagen. Het is een, in linguïstisch opzicht, een uiterst merkwaardig argument.

‘Ze hebben de waarde van het geld stelselmatig en met opzet uitgehold’ schreef ik onlangs in het stuk over de prestatie van de centralen banken sinds begin jaren tachtig. Ofwel: de centrale banken streven ernaar dat de prijzen elk jaar stijgen. Al vindt er een onvoorstelbare technologische doorbraak plaats waardoor de productiviteit enorm stijgt en de productie van alles 50 procent goedkoper wordt, de prijzen moeten omhoog, alles móet duurder worden. Dat is niet alleen in de eurozone, bij de Europese Centrale Bank, het streven; in alle landen streven de centrale banken ernaar dat de waarde van het geld elk jaar een beetje daalt. In het overzicht hieronder zijn de inflatiedoelstellingen voor enkele Westerse landen opgenomen ter illustratie.

tabel1

Maar waarom? Waarom moet de koopkracht van ons geld elk jaar eigenlijk dalen? Het heeft iets vreemds in zich, centrale bankiers die erop uit zijn de waarde van hún product te verminderen. Het is als wanneer de chief executive officer van Philips of Ahold tegen zijn aandeelhouders zou zeggen: en voortaan gaan we het imago van onze producten en de waarde ervan elk jaar weer een stuk verder de grond inboren. Een natuurlijk fenomeen is aanhoudende inflatie ook al niet.

Het streven van de centrale banken naar permanente inflatie, dat het Westen Inflatiestan moet blijven, staat niet op zichzelf maar is slechts een onderdeel van het grotere beeld

In het pre-centralebankentijdperk bedroeg de gemiddelde inflatie over een periode van eeuwen, per saldo vaak 0 procent (zie grafiek 1). Er waren jaren waarin de prijzen stegen, maar daar tegenover stonden evenveel jaren waarin de prijzen dáálden. Deze prijsdaling, deflatie genoemd, is door de centrale banken de laatste decennia tot economievijand nummer één verklaard. Zij zeggen luid en duidelijk dat deflatie koste wat het kost voorkomen moet worden. Deflatie is gedemoniseerd tot economievijand nummer één. Het maakt ook niet uit wáárom de prijzen zouden dalen, de centrale banken stellen dat dat niets uitmaakt, prijsdalingen moeten tegen elke prijs voorkomen worden. Punt. Daar hebben ze hun redenen voor, welgeteld drie.

Aanhoudende inflatie is zeker geen normaal verschijnsel, zoals het Nederlandse voorbeeld laat zien (Bron: Geldmoord.nl)

Aanhoudende inflatie is zeker geen normaal verschijnsel, zoals het Nederlandse voorbeeld laat zien (Bron: Geldmoord.nl)

Een klein beetje inflatie fungeert volgens de centrale bankiers en vrijwel alle economen, als een soort smeerolie voor de economie omdat de verwachting dat de prijzen zullen stijgen mensen aanspoort niet te lang te wachten met portemonnee trekken. Daarnaast verlicht een beetje inflatie in economisch mindere jaren de pijn voor bedrijven.

Vreemd genoeg tevreden

Het is in onze moderne economieën bijvoorbeeld ongehoord dat de lonen dalen. Het ergste wat met onze lonen kan gebeuren, is dat ze even niet stijgen. Om een daling te voorkomen zouden we dag en nacht staken. Maar als de lonen met 0,5 procent stijgen terwijl de prijzen met een veelvoud – zeg die 2 procent die de centrale banken nastreven – toenemen, zijn we vreemd genoeg zo tevreden als het maar kan. De afgelopen jaren leverde de werkende Nederlander in feite zo veel van zijn loon in, maar het Malieveld in Den Haag bleef rustig. Stijgende prijzen en veel minder hard oplopende lonen: daardoor zakken de loonkosten voor bedrijven in moeilijke jaren. Daarmee is enige mate van inflatie dé oplossing voor werkloosheid, menen de aanhangers van de economische theorie van de Britse econoom John Maynard Keynes. Waarom de werkloosheid dan niet geheel verdween in de jaren zeventig, bij 10 procent en meer inflatie, is dan een vraag waar de keynesianen maar geen antwoord op kunnen vinden.

Maar als dat allemaal zo is…waarom bestaat Japan dan überhaupt nog?

Ten tweede zou deflatie funest zijn voor economische ontwikkeling. De redenering is als volgt: als mensen verwachten dat de prijzen zullen dalen, gaan ze hun consumptie uitstellen. Immers, even wachten en de prijs wordt nog lager. Het gevolg is dan snel uitstel van consumptie, winkels en bedrijven die omvallen, massawerkloosheid, eeuwige economische krimp, kortom een en al ellende. Maar als dat allemaal zo is…waarom bestaat Japan dan überhaupt nog? Japan is namelijk een Westers land dat sinds 1992 vele jaren van dalende prijzen kende. Als er dus ergens in het Westen de werkloosheid torenhoog zou moeten zijn, nauwelijks winkels in de straten, economie niets voorstelt en levensstandaard gelijk aan die van de armste landen ter wereld, dan toch zeker in het land van de rijzende zon? In de praktijk is de consumptie daar echter gewoon gestegen, bedraagt de werkloosheid er 3,5 procent, er is van alles te koop en kopen is wat de Japanners doen. Japan is één van de meest innovatieve economieën ter wereld en de levensstandaard is er zeer hoog. Ook: als dalende prijzen dodelijk zijn, waarom bestaan de computerbedrijven dan? Of producenten van de tv-toestellen? Of telefoons? Die spullen zijn de afgelopen decennia spectaculair in prijs gedaald maar zijn toch niet aan te slepen.

Wat is het probleem?

De derde reden die de centrale bankiers geven voor de rechtvaardiging van hun beleid is omdat bij dalende prijzen schulden in feite zwaarder gaan wegen. Als je inkomen door deflatie daalt, moet je namelijk een groter deel ervan gebruiken voor aflossing van oude schulden. Maar dan heb ik toch een vraag. Nederlands is niet mijn eerste taal, dus ik vraag u, de lezer, om linguïstische hulp. Is in de zin ‘deflatie is een groot probleem omdat dan de hoge schulden nog zwaarder gaan wegen’, deflatie het probleem of die hoge schulden? Ik zou zeggen die hoge schulden, maar zoals gezegd, Nederlands is niet mijn eerste taal.

En als we het toch over die hoge schulden hebben: die zijn, zowel bij overheden als huishoudens, vanaf het begin van de jaren zeventig geëxplodeerd. 1971 is het jaar waarin de centrale banken voor het eerst in de historie van ons geld – dit is geen overdrijvend stijlfiguur maar een feit – volkomen vrij werden om onbeperkt geld te drukken. Waar ons geld in de decennia en de eeuwen vóór 1971 altijd direct of indirect gekoppeld was aan goud of zilver (de munten werden gemaakt van die metalen en de bankbiljetten kon je gewoon bij elke bank inwisselen voor een bepaalde hoeveelheid goud of zilver) is de waarde van ons geld sinds 1971, vanaf 15 augustus 1971 om wel te verstaan, gekoppeld aan het vertrouwen in de centrale banken. Dit stelsel noemen de economen het stelsel van fiat geld. Het fiat geldstelsel heeft ons weinig goeds gebracht, zoals ik in een eerder artikel uitgebreid beschreef.

Sinds 1971 zijn onder meer de schulden van de overheden enorm gestegen. Geen wonder, want sinds 1971 meldt bijna elke Westerse regering jaar in jaar uit een begrotingstekort. Wat heeft dat met de centrale banken te maken? Alles.

Zorgen voor aanhoudende inflatie was in het belang van de overheden en is dat nu misschien wel meer dan ooit

In de eerste plaats zijn er centrale banken die dat financiële gat bij hun overheid (deels) hebben gedicht door de geldpers aan te zetten. In de tweede plaats hebben de centrale banken gezorgd voor aanhoudende inflatie, iets wat historisch gesproken zeker geen normaal verschijnsel is. Bij aanhoudende inflatie is schuld maken aantrekkelijk; immers je betaalt je oude schulden af met geld dat minder waard is door de aanhoudende inflatie. Zorgen voor aanhoudende inflatie was dus in het belang van de overheden waar zonder bemoeienis van de centrale banken, de prijzen waarschijnlijk fors waren gedaald sinds 1971 en de gewone man daardoor welvarender was geworden. Onmogelijk zegt u? Hoe kan het dan zo zijn dat Apple Inc jaar in jaar uit zijn nieuwe producten tegen een lagere prijs verkoopt en tegelijkertijd (of prijs gelijk is aan die van het oude model bij de introductie waarbij wel geldt dat het nieuwe model veel meer kan en dus in feite goedkoper is want je krijgt meer waar voor je euro) almaar hogere winst meldt terwijl het de lonen fors verhoogt? Zou toch onmogelijk moeten zijn?

Gevaarlijk hoge schulden

Zorgen voor aanhoudende inflatie was in het belang van de overheden en is dat nu misschien wel meer dan ooit. De staatsschulden zijn in bijna alle Westerse landen zeer hoog tot gevaarlijk hoog dan wel te hoog. Griekenland is het bekendste maar zeker niet het enige voorbeeld. Die schulden reduceren kan op enkele manieren.

De overheden kunnen de belastingen gaan verhogen om meer inkomsten te halen, maar of dat zal werken is maar de vraag. De kans is groot dat daardoor de economische groei daalt, de inkomsten dalen (denk aan minder inkomstenbelasting en btw-opbrengsten), de uitgaven stijgen (denk aan meer WW-uitkeringen) en de staatsschuld juist verder stijgt.

Een andere manier is dat de overheid zelf minder groot wordt. Ik denk dan meteen aan het stuk ‘Wachten op Godot’: Godot komt niet opdagen. Een overheid die structureel krimpt is net Godot.

Een plezieriger manier is de staatsschuld te reduceren via hoge economische groei. Omdat schuld uitgedrukt wordt in procenten van het bruto binnenlands product, daalt de schuld als de economie hard genoeg groeit. Maar de kans is dan zeer groot is dat de economische groei voor een lange tijd aanmerkelijk lager zal zijn dan in het pre-2008 tijdperk met als een belangrijke reden dat een groot deel van de economische groei in die periode voortgekomen is uit onverantwoord veel lenen en uitgeven. Die motor is zwaar beschadigd. De consument staat niet te springen veel meer te lenen, sterker nog, die wil juist van zijn oude schulden af, en de banken zijn ook al geen ‘ja natuurlijk krijgt u een lening, teken maar hier en klaar’-instellingen.

Wegvreten van de schulden

Is het dan hopeloos? Nee, er is namelijk nog een uitweg die zeer aantrekkelijk is, te weten die van hoge inflatie die de schuldenberg langzaam maar zeker wegvreet. Niet waarschijnlijk? Mede op die manier hebben de Westerse regeringen hun hoge schulden van na de Tweede Wereldoorlog weggewerkt. Economen van de Franse bank Société Generale hebben een paar jaar geleden berekend dat tien jaar lang 4 procent inflatie per jaar, de overheidsschuld in de eurozone zou verlagen van gemiddeld ruim 80 procent van de totale economie naar tussen de 55 en 60 procent. In de VS zou in dezelfde periode ook een groot deel van de schulden ‘verdwijnen’: de Amerikaanse schuld zou afnemen van bijna 100 procent van de totale economie naar 65,9 procent.

Inflatie is een vorm van een belasting, de enige belasting waar geen wet voor aangenomen hoeft te worden

Dit is een te aantrekkelijke uitweg voor beleidsmakers om die eigenhandig af te sluiten. Zij moeten het wel geheim zien te houden, want alleen onverwachte inflatie verlaagt de schulden. Als iedereen hoge inflatie verwacht, dan gaan bijvoorbeeld de rentes die de overheden moeten betalen omhoog – dat is, als de centrale banken de marktwerking niet uitschakelen zoals de ECB in feite doet met zijn quantitative easing – en dan is het voordeel weg. Vandaar dat de overheden en de centrale banken in koor ontkennen een hogere inflatie te willen. Frederick Leith-Ross, tussen 1932 en 1945 economisch adviseur van de Britse regering, verwoordde het treffend: “Inflatie is als een zonde: elke regering zweert het af en elke regering doet het.” Inflatie is een vorm van een belasting, de enige belasting waar geen wet voor aangenomen hoeft te worden. Dat zijn de belastingen waar politici van smullen natuurlijk: wel de lusten, maar geen lasten (uitleggen waarom belastingen omhoog moeten).

Inflatiestan

Wat duidelijk mag zijn, is dat het streven van de centrale banken naar permanente inflatie, dat het Westen een Inflatiestan moet blijven, niet op zichzelf staat. Er komen veel zaken samen en dat streven is slechts een onderdeel van het grotere beeld. Dat beeld is eentje van hoge populariteit van het keynesiaans beleid in het Westen (komt er in het kort op neer dat grote overheid goed is, net als inflatie) en het sterke en sterker wordende geloof in een maakbare (monetaire) samenleving. Maakbare samenleving is de kern van het academisch werk van de baas van de Amerikaanse Fed, Janet Yellen die, getuige haar wetenschappelijke papers, meent dat de marktwerking faalt en de overheid en de centrale banken levensstandaard kunnen vergroten. Het streven naar een zwakke munt, wat we al enige tijd zien gebeuren, past daar prima bij; een zwakke munt betekent dat de import duurder wordt en de inflatie dus stijgt.

De enige oplossing is een reset naar op zijn minst de situatie zoals die was op 14 augustus 1971, toen de dollar gekoppeld was aan goud en de andere, Westerse, munten aan de dollar en dus indirect aan goud. ‘Op zijn minst’ want de ideale oplossing zou het afschaffen van de centrale banken zijn of in ieder geval het sterk beperken van hun macht en invloed want het trackrecord is te beroerd voor woorden.