De Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) heeft met het recent verschenen rapport Voor de zekerheid  over flexibele arbeid en ZZP-ers een nieuwe publicatie toegevoegd aan een reeks die weinig wetenschappelijk is en des te meer het innemen van politieke standpunten betreft.

 

Vast contract is de norm

Eerder kwam de WRR al met een aantal eenzijdige publicaties over migratie en daar voegt hij nu een soortgelijk advies aan toe over hoe flexibele arbeidsrelaties en het aantal zelfstandigen zonder personeel (ZZP) kunnen worden teruggedrongen. Uiteraard begint het rapport met een aantal neutraal geformuleerde onderzoeksvragen, maar bij de uitwerking hiervan komt al spoedig de aap uit de mouw. Flexibele arbeidsrelaties in de vorm van tijdelijke contracten, uitzendwerk, en dergelijke en ZZP-schap zijn een probleem vanwege de grotere onzekerheid op tal van terreinen die aan een dergelijke arbeidsrelatie voor betrokkenen kleeft. Andere nadelen die de studie vindt zijn een negatief effect op innovatie en scholing, het moeilijker kunnen kopen van een huis, het uitstellen van het krijgen van kinderen, het niet kunnen combineren van arbeid met andere taken, ongelijke beloning en onvoordelige andere secundaire arbeidsvoorwaarden etc. In verschillende hoofdstukken put een groot aantal auteurs zich uit in het opsommen van de negatieve aspecten van flexwerk en ZZP-schap voor de betrokkenen zelf en de samenleving.

Uiteraard hechten mensen voor het voorzien in hun bestaan aan zekerheid; een vast arbeidscontract met een vast inkomen is voor velen het ideaal. Ook deze laatste groep heeft met toenemende onzekerheid te kampen, doordat volgens de WRR sociale rechten steeds verder zijn ingeperkt. Daarmee bedoelen de heren en dames wetenschappers dat er sinds het kabinet Den Uyl af en toe gesnoeid is in het zich almaar uitbreidende woud van de verzorgingsstaat. Dat daar nog nooit zo veel geld aan is uitgegeven als nu en dat het zonder die maatregelen niet langer houdbaar zou zijn geweest, daar wordt gemakshalve aan voorbijgegaan. Mensen zijn in hun rechten aangetast en dat is wat telt.

Het voorgaande illustreert de manier van denken van de WRR. Het vaste contract met een vast inkomen in loondienst is de norm. Uiteraard verzucht er ook weleens ergens in de 300 pagina’s van dit stuk een werkgever dat het vaste contract wel wat flexibeler zou mogen (op p. 13). En dat het werkgeverschap gepaard gaat met wel erg veel nogal kostbare verantwoordelijkheden. De WRR vindt dat echter onbegrijpelijk: Tegen de financiële gevolgen van b.v. ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid van hun werknemers kunnen werkgevers zich toch gewoon verzekeren? Dat werkgevers om kosten te besparen hun heil zoeken in meer flexibele arbeidsrelaties wordt op p. 38 afgedaan als ‘flexibilisering om de regels te ontduiken’. In de verdere analyse komt dit aspect dan ook niet meer aan de orde en bij de beleidsopties al helemaal niet.

 

Race to the top

Alle oplossingen die de WRR voorstelt voor het probleem van de toenemende flexibilisering van de arbeidsmarkt door terugloop van het aantal vaste contracten en de toename van het aantal ZZP-ers komen neer op het gelijktrekken van de arbeidsvoorwaarden tussen deze groepen, waarbij de vaste arbeidsrelatie de norm is. Nu is er ook in Nederland wel een groot verschil tussen de rechten verbonden aan vaste contracten enerzijds en overige arbeidsrelaties anderzijds. Maar dat kun je van twee kanten benaderen en daar zit de blinde vlek van de WRR. Want alle rechten van vaste contracten zijn onaantastbaar wat de WRR betreft. Hooguit valt er te praten over een soort van ingroeimodel, waarbij iedereen begint met eenzelfde contract maar pas na verloop van een paar jaar zijn of haar volledige rechten kan laten gelden. Ook een basisinkomen zou volgens de WRR kunnen helpen om de materiële uitwerking van alle contractvormen gelijker te maken.

Het huidige demissionaire kabinet beleed met de mond dat vaste contracten flexibeler moesten worden en flexibele contracten vaster. In Nederland werkt dat zo niet als het arbeidsrelaties en socialezekerheidsrechten betreft. Het voortdurend wijzen op een ‘race to the bottom’ als het gaat om de gevolgen van internationale concurrentie op arbeidsvoorwaarden verhult dat het achter de dijken in feite altijd gaat om een ‘race to the top’. Harmoniseren betekent altijd een uitbreiding van rechten voor de werknemer of de uitkeringstrekker. Bij ontslag schreef ik eerder al dat nu iedereen een ontslagvergoeding moet krijgen, waar in het verleden alleen de gang naar de kantonrechter hiertoe leidde. Niet verbazingwekkend is dan ook dat het huidige kabinet met de Wet Werk en Zekerheid flexibele contracten vaster heeft gemaakt, maar vaste contracten niet flexibeler.

 

Vrijheid

Uiteraard willen ZZP-ers minder inkomensonzekerheid, zeker waar het gaat om pensioen en in geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Maar ze willen hun vrijheid en de autonomie over hun werkzaamheden ook niet kwijt. In een ideale wereld zou je beide kunnen hebben, maar in de wereld waarin wij leven is vaak sprake van een uitruil tussen deze beide.

De auteurs wijzen erop dat Nederland in Noordwest Europa een unieke positie inneemt ten aanzien van het aandeel flexibel werk en het aantal ZZP-ers en dat dit waarschijnlijk iets met de instituties van onze arbeidsmarkt heeft te maken. Ze trekken echter niet de conclusie dat dit komt door de overmatige bescherming die we hier hebben van werknemers met vaste arbeidscontracten. Het probleem is hier dat vast steeds vaster wordt. Langzaam sluit zich daarom ook het net rondom werkgevers die moeite hebben om alle kosten en verantwoordelijkheden waarmee zij worden opgezadeld te dragen en die naar uitwegen zoeken. Inhuren van flexibele arbeidskrachten of uitbesteden aan ZZP-ers liggen onder vuur van hen die de opkomst van deze groepen als ondermijnend zien voor de verzorgingsstaat en de positie van hen die het betreft dermate zielig dat ze snel weer onder het regime van de verzorgingsstaat moeten vallen. De kabinetsformatie doet vrezen dat zij aan het langste eind zullen trekken, want alleen de VVD is op voorhand niet bereid mee te doen aan de race naar de top. Dat je tussen de regels van het WRR-advies door kunt lezen dat veel ZZP-ers het financieel beter hebben dan de gemiddelde werknemer is geen argument, want er is ook een groep die het slechter doet. Ook biedt het bestaan van bijstand en AOW voor velen voldoende zekerheid wat betreft neerwaarts inkomensrisico, maar dat voldoet niet aan het ideaal dat het niveau tenminste 70 procent moet zijn van het laatstverdiende inkomen.

 

Activistische opstelling

Uiteraard mag je vinden dat flexibele arbeidsrelaties meer zekerheden moeten krijgen en ook het omgekeerde dat vast flexibeler moet worden. Voor allebei zijn wetenschappelijke argumenten te geven. Wat niet wetenschappelijk is, is om alleen de voordelen van de ene positie en alleen de nadelen van de andere te geven en dat is wat de WRR hier doet. Het illustreert dat er iets fundamenteel scheef zit bij dit orgaan. Voor het lidmaatschap melden zich alleen die  wetenschappers die vinden dat er iets mis is aan de huidige maatschappij en dat het aan de overheid is om dit te repareren. Dat leidt tot een ingebakken activistische opstelling met vaak een blind oog voor andere oplossingen. Ook wreekt zich hier dat dit een bepaald soort sociale wetenschappers aantrekt als ambtelijke adviseurs, namelijk zij die sterk geloven in activistisch overheidsoptreden. En dat zijn vooral die sociologen, die voortdurend de neiging hebben de maatschappij opnieuw in te richten naar hun eigen linkse idealen. Dit vraagstuk verdient bij uitstek ook een analyse vanuit economisch perspectief, maar economen komen in deze publicatie weinig aan het woord. Hun publicaties worden vooral gebruikt om selectief uit de citeren en datamateriaal te shoppen. Veel auteurs van de bijdragen aan deze bundel komen uit de vakbondshoek of hebben een verleden of heden bij linkse politieke partijen (SP en PvdA met name) of als socioloog bij dito instanties als de UvA en het Verwey-Jonker Instituut.

De WRR ontvangt elk jaar miljoenen euro’s aan subsidie en heeft een ambtelijke organisatie met 38 personen opgetuigd. Het zou veel logischer zijn om het geld anders te gebruiken, door vragen waar de politiek mee worstelt openbaar aan te besteden zodat elke wetenschapper die dat wil zijn of haar licht erover kan laten schijnen. Of als sturing vanuit de politiek onwenselijk is en het initiatief toch vooral vanuit de wetenschap moet komen, degenen die de echte top vormen op een bepaald terrein vrij te stellen van hun werkzaamheden en te betalen om eens een poosje na te denken over een ingewikkeld vraagstuk waar hun expertise kan helpen. Dat voorkomt dat, zoals bij het voorliggende advies, een hoogleraar huisartsgeneeskunde het verantwoordelijke raadslid is dat zijn licht laat schijnen op de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Uiteraard mag iedereen die wat te melden heeft over een bepaald onderwerp dat doen, maar economie is ook een vak wat een dergelijke keuze niet erg voor de hand liggend maakt.