Eerder hebben we vastgesteld dat de vergrijzing over enige tijd het werkloosheidsprobleem voor een zeer groot deel gaat oplossen. Dat geldt zeker voor de jeugdwerkloosheid. Maar in de overbruggingsperiode is dan wel gericht beleid nodig. Ook is beleid nodig om jongeren in Nederland te houden. Daarover gaat deel twee van dit vergrijzingsdrieluik.

Sinds het begin van de huidige financiële en economische crisis is de werkloosheid in bijna alle ontwikkelde economieën gestegen. De stijging is vaak schrikbarend: in Italië is de werkloosheid bijna verdubbeld, in Spanje is die ruimschoots verdubbeld en in Griekenland en op Cyprus is er (nog net geen) sprake van een verviervoudiging vergeleken met vlak vóór de crisis. In de eurozone als geheel is 11,6 procent van de beroepsbevolking werkloos waar dat voor de crisis 7,6 procent is geweest. De Nederlandse werkloosheid is ook verdubbeld, zij het van een zeer laag niveau (wij hadden de laagste werkloosheid in de EU voor de crisis).

Hoe schrikbarend die cijfers over de werkloosheid ook zijn, zij verbleken bijna bij de gegevens over de ontwikkeling van de jeugdwerkloosheid tussen 2008 en 2015 in sommige landen. Jeugd is hier gedefinieerd als iedereen tussen 15 en 29 jaar oud. De jeugdwerkloosheid in Griekenland bedraagt 45 procent, in Spanje 39,7 procent en Italië 31,6 procent. Ter vergelijking: in 2008 waren die cijfers 16,2 procent respectievelijk 18,2 en 15,3 procent.

Jeugdwerkloosheid in veel EU-landen fors gestegen (Bron: Eurostat)

Jeugdwerkloosheid in veel EU-landen fors gestegen (Bron: Eurostat)

Ook in Nederland zien we dat de jeugdwerkloosheid aanmerkelijk hoger staat dan voor de crisis. Bedroeg de jeugdwerkloosheid in de polder in 2008 nog 4,1 procent (het laagste percentage in de EU), vorig jaar was dat gestegen naar 9,1 procent. Duitsland, Oostenrijk en Malta verslaan ons inmiddels. Waarschijnlijk zou in onder meer Nederland de jeugdwerkloosheid aanmerkelijk hoger liggen ware het niet dat veel jongeren door de slechte arbeidsmarkt besloten hebben langer te studeren. Zij tellen dan namelijk niet mee als werkloos. Statistisch gezien is iemand werkloos als hij of zij geen betaald werk heeft of minder dan twaalf uur per week werkt, recent naar werk voor twaalf uur of meer per week heeft gezocht en daarvoor direct beschikbaar is. Iemand die een opleiding volgt, kan haast niet werkloos zijn.

Het goede nieuws voor de jeugd in álle EU-landen is echter dat de banen straks voor het oprapen liggen. Dat komt door de vergrijzing. Wij hoeven daarvoor geen gammele berekeningen of een theoretisch verhaal op te hangen; in dezelfde statistieken van de Eurostat waar we de bovenstaande cijfers vinden, vinden we het bewijs voor de stelling dat de jeugdwerkloosheid door de vergrijzing fors zal dalen. Duitsland is een land waar de vergrijzing al enige tijd speelt en het is geen toeval dat de jeugdwerkloosheid bij de oostenburen scherp is gedaald. De beroepsbevolking krimpt er en dat betekent dat zelfs als de vraag naar arbeid niet stijgt, de werkloosheid omlaag wordt gedrukt.

Een brug naar 2022

Er is wel één probleem met dat goede nieuws voor de Nederlandse jeugd. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zal de beroepsbevolking in Nederland vanaf 2022 sterk gaan dalen. Gezien de economische vooruitzichten voor de komende jaren kan de jeugdwerkloosheid daarom voorlopig onaangenaam hoog blijven in Nederland.

Duitsland is een land waar de vergrijzing al enige tijd speelt en het is geen toeval dat de jeugdwerkloosheid bij de oostenburen scherp is gedaald

Als land hebben we dus te maken met een vervelend probleem, een grote groep landgenoten die jong, opgeleid én werkloos is. Dat vervelende probleem lost zich echter over een jaar of zeven vanzelf op. Het is daarom de zaak de periode tussen 2015 en 2022 te overbruggen met zinvol beleid en niet met peperdure maar ineffectieve en onnodige banenplannen. Die zijn onnodig omdat, zoals gezegd, het werkloosheidsprobleem, ook onder jongeren, door de vergrijzing vanzelf zal oplossen. In dat overbruggingsbeleid tussen deze periode van hoge jeugdwerkloosheid naar een periode van zeer lage jeugdwerkloosheid ligt een belangrijke rol voor de Nederlandse overheid, sociale partners én de jeugd zelf weggelegd. De jeugd kan er niet meer vanuit gaan dat de overheid maar alle problemen zal oplossen, de jongeren moeten zelf ook het probleem aanpakken. De jeugd moet ook een opleiding kiezen met het oog op de toekomst en niet alleen op basis van wat leuk lijkt. Sociale partners moeten ophouden met stuk de belangen van 45-jarige, blanke man met een vast contract te verdedigen.

Er moet beleid gemaakt worden met als doel de periode tussen nu en het moment waarop de beroepsbevolking gaat dalen door de vergrijzing te overbruggen voor de jeugd. Waarom? Omdat anders het gevaar dreigt dat veel jongeren die hun opleiding afmaken zo lang hun kennis niet kunnen inzetten dat tegen de tijd dat ze hard nodig zijn op de arbeidsmarkt, hun kennis verouderd is. In dat geval zal ook die sterke daling van de beroepsbevolking voor velen te laat komen. Immers, er kan wel een tekort aan arbeid zijn, maar als de kennis en ervaring niet aansluit op wat de werkgevers nodig hebben, eindigen we in een situatie waarin arbeid schaars is maar de werkloosheid hoog. Economen spreken dan van een mismatch op de arbeidsmarkt. Zonder overbruggingsbeleid dreigt er een verloren generatie te ontstaan terwijl arbeid schaars wordt waardoor onze bedrijven óf jongeren uit het buitenland zullen moeten halen óf de productie naar die jongeren verhuizen.

Dit scenario van schaarse arbeid met tegelijkertijd hoge jeugdwerkloosheid is geen gevaar maar al enige tijd werkelijkheid in Nederland. In de techniek heeft doorgaans de helft van de bedrijven grote moeite met het vervullen van openstaande vacatures. Ook in de ICT-sector zijn er banen volop maar veel vacatures blijven onvervuld hoewel de werkloosheid, zeker onder de jeugd, hoog is. Bedrijven klagen vaak dat wat de jongens en meisjes leren op school niet (goed) aansluit op wat die bedrijven nodig hebben. Dat is, als er al voldoende jongeren een opleiding, bijvoorbeeld in de techniek, kiezen en afmaken. Wie de lijst van de meest gevraagde beroepen vergelijkt met de mees interessante beroepen voor jongeren, ziet al snel dat die weinig overeenkomsten vertonen. ICT en techniek zijn vaak niet te vinden in de top-5 favoriete beroepen van jongeren hoewel ze jaar in jaar uit in de top-5 mees gevraagde beroepen prijken.

Delta-plan jeugdwerkloosheid

Zoals gesteld zal de Nederlandse beroepsbevolking vanaf 2022 rap gaan dalen door de vergrijzing. Op dat moment wordt arbeid schaars en zal onder meer de jeugdwerkloosheid zakken als een baksteen. Het is wel de zaak een beleid te voeren dat gericht is op het overbruggen van de periode tussen nu en 2022 voor de jeugd én om de kennis en competenties van de jeugd zo goed mogelijk te laten aansluiten op de behoeften van het bedrijfsleven. Dit laatste om te voorkomen dat we én vacatures én een leger werkloze jeugd hebben straks. FNV Jong heeft enige tijd geleden opgeroepen tot een Deltaplan Jeugdwerkloosheid met als doel de werkloosheid onder jongeren nu aan te pakken. En inderdaad, een groot plan, een beleid met visie, is nodig. Hoe kan dat gedaan worden?

Beroepsbevolking in Nederland daalt (Bron: CBS)

Beroepsbevolking in Nederland daalt (Bron: CBS)

Een aantal punten dienen zich aan. In de eerste plaats moet de inhoud van de opleidingen, bijvoorbeeld in de techniek, veel beter afgestemd worden met het bedrijfsleven zodat de aansluiting tussen jongeren met een diploma en het bedrijfsleven veel beter wordt dan nu het geval is. De overheid doet daar al veel aan met zijn Techniekpact uit 2013 en met succes. Afgelopen jaren is het aantal jongeren dat kiest voor een technische studie behoorlijk gestegen. Dit beleid, van het stimuleren van het kiezen voor beta-opleidingen, moet onverminderd hard doorgaan.

ICT en techniek zijn vaak niet te vinden in de top-5 favoriete beroepen van jongeren hoewel ze jaar in jaar uit in de top-5 mees gevraagde beroepen prijken

In de tweede plaats moet de overheid het volgen van een opleiding makkelijker en goedkoper en niet moeilijker en duurder maken. Ook een tweede studie volgen of een tweede master zou niet duurder moeten zijn dan de eerste. Waarom? Omdat dit mes aan twee kanten snijdt. Enerzijds geldt dat iemand die een (tweede) opleiding volgt geen werkloze is; de jeugdwerkloosheid gaat daardoor omlaag. Anderzijds betekent het volgen van een (tweede) opleiding nieuwe, extra kennis. Kennis die later goed van pas kan komen.

‘Kan komen’ omdat de ene opleiding natuurlijk niet de andere is. Het heeft weinig zin het volgen van een (tweede) opleiding goedkoper en makkelijker maken als de kans op een baan met die opleiding klein is. Dit betekent dat de overheid numerus fixus best kan uitbreiden en juist afschaffen voor die opleiding waarvan we weten dat er nu al een tekort aan arbeid bestaat, zoals in de zorg. Betekent dit meer overheid in het onderwijs? Ja. Is dat erg? Die vraag is irrelevant, het feit is namelijk dat die aansturing simpelweg nodig is. Scholieren blijven hardnekkig de werkelijkheid negeren en kiezen te veel voor een studie die ze leuk vinden waarbij ze te weinig oog hebben voor de toekomstige kansen op de arbeidsmarkt.

Wie zich toch wil inschrijven voor een studie waarvan nu al bekend is dat de vooruitzichten voor een baan in die sector slecht zijn, moet maar zelf in de geldbuidel tasten. De overheid moet dan kunnen en willen zeggen: dat is prima, maar gezien de vooruitzichten voor een baan, gaan wij die studie niet helemaal betalen en met het zo gespaarde geld andere studies goedkoper maken. Op allerlei manieren moet het kiezen voor studies waar dit land morgen iets aan zal hebben, worden gestimuleerd. Niet omdat de overheid bepaalt welke studies dat zijn maar omdat het bedrijfsleven, ofwel de markt, aangeeft welke kennis morgen nodig zal zijn.

Parlez you Chinesisch?

Het leren van vreemde talen is ook iets wat zich bij uitstek leent voor dit overbruggingsbeleid. Iemand die zijn diploma behaald heeft maar geen werk kan vinden, eindigt in een bureaucratische molen én jeugdwerkloosheidsstatistieken. Het volgen van een tweede opleiding kan te veel gevraagd zijn, maar het leren van een nieuwe taal in bijvoorbeeld een half jaar is dan een prima oplossing. De overheid kan ervoor zorgen dat een jongere die geen baan kan vinden maar wel een taal gaat leren, een uitkering krijgt zonder dol te worden van allerlei verplichtingen. Welke talen? Het Nederlandse bedrijfsleven klaagt steen en been dat de kennis van het Duits ernstig tekort schiet. Duitsland is onze belangrijkste handelspartner en het gebrekkige kennis van het Duits kost de Nederlandse economie honderden miljoenen euro per jaar. Het Duits is slechts een voorbeeld. Als het Duits dé taal is van onze belangrijkste handelspartner, dan is het Chinees een taal van de economische gigant van morgen net als het Portugees bijvoorbeeld (Brazilië). Het leren van die talen mag ook best gestimuleerd worden. De overheid zou elke jongere bij zijn / haar diploma-uitreiking een, persoonlijke, voucher cadeau kunnen geven voor een cursus vreemde taal naar keuze bij de NCOI, LOI of een andere onderwijsinstelling. Een taal leren gaat het best door een tijdje in het buitenland door te brengen en het geleerde te gebruiken. Vandaar dat een verblijf in het buitenland tijdens de studie zeer aan te raden is. We moeten er als land voor zorgen dat geen student een verblijf in het buitenland laat schieten omdat hij/zij afgeschrikt wordt door de hoge kosten ervan.

Er zijn belangijker talen dan het Engels of het Duits (Bron: verschillende bronnen)

Er zijn belangijker talen dan het Engels of het Duits (Bron: verschillende bronnen)

En als u nu denkt ‘maar dit kost veel geld’: ja, dat klopt. Maar we hebben het hier over investeringen in het onderwijs. Talloze onderzoeken wijzen uit dat investeren in onderwijs zich altijd uitbetaalt. Uit onderzoek blijkt óók dat Nederland erg goed is in het maximale rendement uithalen uit elke euro gestoken in het onderwijs. Mede omdat het om investeringen in het onderwijs gaat geldt dat als de Nederlandse overheid ergens geld voor mag lenen, dan voor die investeringen. Dit geldt zeker nu geld lenen extreem goedkoop is. De Nederlandse Staat betaalt slechts 1,1 procent om geld te lenen voor een periode van tien jaar. Als we als land érgens voor mogen lenen dan voor investeringen in ons onderwijs. Die betalen zich gegarandeerd terug in tegenstelling tot geld lenen om Griekenland tegen beter weten in overeind te houden, zoals we nu doen.

De overheid zou elke jongere bij zijn / haar diploma-uitreiking een, persoonlijke, voucher cadeau kunnen geven voor een cursus vreemde taal

Het is dus een zaak van nationaal belang gericht beleid te voeren om de periode tussen nu en 2022 te overbruggen. We moeten als land voorkomen dat de vaardigheden en kennis van onze jongeren verloren gaan door langdurige inactiviteit, vandaar dat langer leren, ervaring opdoen en ervoor zorgen dat het onderwijs van vandaag beter aansluit op de wensen van het bedrijfsleven morgen een must is. Maar er valt nog meer te doen.

Hervorming belastingen en publieke sector

Als we het bovenstaande wel doen is dat nog geen garantie dat onze bedrijven in het tweede decennium van deze eeuw en verder voldoende jongeren zullen kunnen vinden. Tegelijkertijd met het het hierboven omschreven overbruggingsbeleid voor jongeren moet Nederland zichzelf aantrekkelijk maken voor die jongeren om hier te willen blijven. Jongeren die het in Nederland niet naar hun zin hebben, kunnen zomaar verkassen naar andere landen. Dat klinkt misschien vreemd maar denk maar even mee.

Een van de zaken die bekend zijn, is bijvoorbeeld dat, bij ongewijzigd beleid, het werken in Nederland nauwelijks gaat lonen naarmate de vergrijzing toeneemt. Als het AOW bijvoorbeeld niet gewijzigd wordt, is de enige manier waarop die uitkering betaalbaar blijft de premies en belasting op werken fors te verhogen. De wiskunde erachter is simpel. Meer 65-plussers betekent meer AOW-uitkeringen. Hadden er in 2010 2,5 miljoen Nederlanders recht op een AOW-uitkering, in 2020 zal dat ruim 3 miljoen zijn. De AOW-uitkeringen worden daarnaast ook almaar langer uitgekeerd door de toenemende levensverwachting. De AOW wordt gefinancierd door midden van wat een omslagstelsel heet. Iedereen die werkt, draagt via premies bij aan het AOW-potje. Daarnaast gebruikt de overheid een deel van de algemene middelen, dus de opbrengst van alle andere belastingen en heffingen, om de AOW-uitkeringen te kunnen betalen. Dit maakt een ingrijpende hervorming van het AOW-stelsel geen kwestie van linkse of rechtse voorkeuren maar een kwestie van moeten, omdat het stelsel alleen betaalbaar blijft als, zoals gezegd premies en belasting op inkomen, fors stijgen. Maar omdat de kans dan groot is dat velen niet gaan werken, minder gaan werken, zwart gaan werken of emigreren, is een forse verhoging van de premies en inkomstenbelasting alleen op papier een oplossing. In de praktijk zal ook bij die verhogingen onvoldoende geld zijn voor het AOW.

Almaar langer recht op AOW Bron: CBS

Almaar langer recht op AOW Bron: CBS

Geconfronteerd met zeer hoge premies en hoge en stijgende inkomstenbelasting, zouden wel eens nog meer jongeren ervoor kunnen kiezen te emigreren, ondanks het feit dat er voor hen in Nederland werk volop is over enige tijd. Nog meer jongeren, omdat een groot deel van het overigens toenemend aantal emigranten de afgelopen jaren, jongeren zijn. De CBS-cijfers laten zien dat vooral jongeren beneden de dertig jaar en alleenstaanden emigreren en de emigratiestap wagen. Lagere belastingen in het nieuwe thuisland zijn nu al vaak een belangrijke reden voor emigratie; met het vooruitzicht van nog hogere belastingen in Nederland bij ongewijzigd beleid, zal emigreren alleen maar aantrekkelijker worden. Zeker voor jongeren die de kennis en kunde zullen hebben waar ook andere landen, net als Nederland, om staan te springen. Nederland leidt ze op, wat veel geld kost, waarna ze hun kennis en kunde in andere landen gaan inzetten, onder meer omdat de inkomstenbelasting veel lager is dan in Nederland.

Geconfronteerd met zeer hoge premies en hoge en stijgende inkomstenbelasting, zouden wel eens nog meer jongeren ervoor kunnen kiezen te emigreren, ondanks het feit dat er voor hen in Nederland werk volop is over enige tijd

Om deze brain drain uit Nederland te voorkomen in een tijd waarin Nederland juist álle jongeren hard nodig zal hebben, moet Nederland nú beginnen met hervormingen – overigens wat voor AOW geldt, geldt ook voor pensioenen – en gericht beleid om aantrekkelijk te zijn voor jongeren om in te blijven wonen. Dat betekent hervormingen van onder meer AOW, maar ook het pensioenstelsel, anders gaan jongeren straks almaar meer betalen om steeds minder zelf te krijgen. De inkomstenbelasting moet omlaag en omdat dat niet van de ene dag op de andere te realiseren is, moet de overheid er nu mee beginnen.

Ons belastingstelsel moet ingrijpend veranderd worden en dat kan niet als tegelijkertijd de publieke sector niet ingrijpend wordt verbouwd: die twee zijn net Siamese tweelingen. Politici kunnen wel van alles willen, maar er is een grens aan wat financieel mogelijk is. Dat is nu al het geval en wordt de komende jaren alleen meer het geval. Niet alleen door de vergrijzing overigens maar ook door het feit dat bijvoorbeeld de gasinkomsten zullen afnemen. Nu zijn de gasinkomsten, direct en indirect, goed voor circa 10 procent van de overheidsinkomsten. Dalende gasinkomsten slaan zo straks een enorm gat in de overheidsbegroting. Dat gat dichten met hogere belastingen of een hogere staatsschuld, traditioneel de makkelijkste keuzes voor politici, mag niet gebeuren. Hoe langer we echter wachten met de (belasting)hervormingen, des te groter de kans dat Nederland in de toekomst wél voor die traditionele ‘oplossingen’ zal kiezen.

Ons belastingstelsel moet ingrijpend veranderd worden en dat kan niet als tegelijkertijd de publieke sector niet ingrijpend wordt verbouwd: die twee zijn net Siamese tweelingen

Met het oog op de toekomst van dit land is het dan ook treurig te constateren dat onze overheid daar nog niet echt mee bezig is. De recente met veel bombarie aangekondigde hervorming van het belastingstelsel is een prima voorbeeld. Zelfs als je dat als een stap in de goede richting vindt, is het wel een kleine stap. In dit tempo lukt het niet op tijd dat te doen wat omwille van de toekomst van Nederland nodig is: een ingrijpende hervorming van de belastingen en de publieke sector.