In een eerdere beschouwing hier op Jalta concludeerde ik dat de euro niet levensvatbaar is op de middellange termijn. Sindsdien is bekend geworden dat de Nederlandse regering en De Nederlandsche Bank (DNB) in 2012 een plan klaar hadden de florijn in te voeren, mocht de eurozone uit elkaar vallen. De vraag die voor de hand ligt is of de herinvoering van de gulden (of de ‘florijn’ zoals de nieuwe Nederlandse munt in het draaiboek heette) het meest logische is. En het antwoord is: neen.

In theorie zou Nederland bij een uiteenvallen van de euro twee opties hebben. De eerste is een eigen munteenheid invoeren. Ik kan mij echter niet voorstellen dat in die plannen het scenario is opgenomen dat Nederland in zijn eentje uit de euro stapt. Het enige wat overblijft is dat Nederland geen veroorzaker zou zijn van het uiteenvallen van de euro, maar dat ons land ermee  geconfronteerd wordt. Met andere woorden, de euro zou er niet meer zijn. En dit is een zeer belangrijk punt omdat het betekent dat ook Duitsland geen euro meer zou hebben. Hier komt de tweede optie om de hoek kijken, namelijk met Duitsland en een aantal andere landen een nieuwe gemeenschappelijke munt invoeren.

Gemeenschappelijke munt is goed

Want laten we ons niets wijs maken, een gemeenschappelijke munt in Europa is toe te juichen. Dit is geen kwestie van voor of tegen samenwerking te zijn, maar gewoon gezond economisch verstand. Alles wat onderlinge handel efficiënter, makkelijk en goedkoper maakt, is zeer welkom. Dit geldt zeker voor ons land dat relatief veel zakendoet met het buitenland.  Maar de grote voordelen van een gemeenschappelijke munt zijn alleen realiseerbaar als de juiste landen eraan deelnemen. Dat is nou dé weeffout van de euro en dé reden waarom die munt niet levensvatbaar is en alleen kunstmatig, tegen zeer hoge kosten, bij elkaar gehouden kan worden. Den Haag is nu open en eerlijk over het  plan-florijn omdat men meent dat het nu wel kan; de euro loopt geen gevaar. Voor wat het waard is, meen ik dat dat naïef is.

Bij uiteenvallen van de euro kán Nederland de florijn of de gulden invoeren, maar er is een betere optie

Waar Nederland zich dan, achter de schermen, ook sterk voor moet maken is de invoering van een nieuwe gemeenschappelijke munt in Europa. ‘Achter de schermen’ omdat dat soms nodig is. Zouden enkele landen aankondigen dat ze aan een euro 2.0 werken, dan is het binnen een etmaal over met de euro 1.0. Dat is op zich niet erg – zoals al gezegd meen ik dat die munt toch niet levensvatbaar is – maar zo’n abrupt einde zou wel enorme negatieve gevolgen hebben. Beter is het om de blauwdruk van de opvolger klaar te hebben en dán de stekker uit euro 1.0 te trekken. Een werkgroep bestaande uit ambtenaren van het Nederlandse ministerie van Financiën, De Nederlandsche Bank (DNB), de Duitse Bundesbank en het Duitse ministerie van Financiën kan heel goed in de luwte, zonder dat iemand dat door heeft, aan zo een plan werken (ik moet zeggen: ik hoop van harte dat men as we speak ermee bezig is). Maar niet alleen ambtenaren uit die twee landen.

Hiermee kom ik op de hamvraag: wat zijn dan de ‘juiste landen’ die een gemeenschappelijke munt wél levensvatbaar maken?

De landen die de huidige muntunie in gevaar brengen, en de sterke landen ervan een hoge rekening bezorgen, zijn Italië, Griekenland, Portugal en Frankrijk bijvoorbeeld. Nooit lees je dat het voortbestaan van de euro in gevaar komt door financiële problemen in Nederland, Duitsland of Oostenrijk. Soms moet men niet ingewikkeld doen maar het meest voor de hand liggende concluderen: een gemeenschappelijke munt zonder die potentiële probleemlanden is daarom dé oplossing.

Streng toelatingsbeleid cruciaal

Om alle voordelen van een gemeenschappelijke munt te kunnen benutten, moeten de aangesloten landen stuk voor stuk landen zijn die economisch sterk zijn, bereid zijn pijnlijke economische hervormingen door te voeren wanneer dat nodig is, hoge inflatie koste wat het kost willen voorkomen en prat gaan op een gezond huishoudboekje. Welke landen zijn dat? Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Denemarken, Zweden, Finland, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, maar ook sommige Oost-Europese landen zoals Slowakije en wellicht ook de Baltische staten Estland, Letland en Litouwen.  En als u nu denkt: Noorwegen, dat is toch niet eens een EU-land. Dat klopt, maar het zou me niet verbazen als de Noren zich wel aan een munt gedeeld door die landen zouden willen aansluiten, zeker in een omgeving van diepe economische crisis en toenemende geopolitieke spanningen. Grote kans dat de Denen, Britten en Zweden, die gekozen hebben niet mee te doen met de euro, wel zouden overwegen zich aan te aansluiten bij zo een muntunie. 

De enige manier waarop een gemeenschappelijke munt levensvatbaar kan zijn, is als alleen de juiste landen meedoen. Met de huidige euro is dat bij lange na niet het geval.

De afgelopen jaren is veelvuldig gesproken over de noodzaak voor twee munten in Europa, de neuro en de zeuro. Wat de munt voor ons deel van het continent betreft, had ik in 2009 de naam de Hanze-euro voor ogen (samen met Arne van der Wal, toenmalig hoofdredacteur van het zakenweekblad FEM Business en een historicus van huis uit). Waarom de Hanze-euro?

In de middeleeuwen ontstonden er rond de Noord- en Oostzee samenwerkingsverbanden van handelssteden uit Duitsland, Nederland, België, Polen, Noorwegen, Zweden, Baltische staten, Engeland en Finland. Het doel van deze Hanze – oud-Duits voor ‘groep’ of  ‘gevolg’ – was gezamenlijk optrekken om hun handel te beschermen en uit te breiden. Op het hoogtepunt waren ongeveer 200 steden uit Noord-Europa lid van de Hanze. In de hoogtijdagen besloeg de Hanze het gebied tussen de mondingen van de Rijn en Maas tot diep in Finland. Uit Nederland waren onder meer de steden Kampen, Zwolle, Hasselt, Groningen, Deventer, Zutphen, Tiel, Hattem en Arnhem lid.

Omdat door de jaren heen verschillende soorten munten in uiteenlopende maten en waardes in gebruik waren genomen, werd handel lastiger. De Hanzesteden bedachten als oplossing een soort wisselkoers van alle afzonderlijke munten ten opzichte van een rekenmunt. Zo beslechtten ze het wisselkoersrisico en het probleem voor de onderlinge handel. Daarnaast kwam de Hanze met overdraagbare wisselbrieven, die de basis vormden voor de huidige cheques en papiergeld.

Hanze-euro, de betere versie van de euro

Hoe zou zo’n Hanze-euro in te voeren zijn? Zelf uittreden uit de euro stuit niet op juridische problemen, zoals een onderzoek van het Duitse parlement uitwees. Immers, het recht om ergens mee te stoppen is voorbehouden aan soevereine landen en gaat boven elke Europese regel of afspraak erover. Bovendien kent de EU zelfs een mechanisme dat het mogelijk maakt bínnen het Verdrag over de Europese Unie een nieuwe munt te beginnen: enhanced cooperation. Als minstens negen EU-landen verder willen integreren op een gebied en dat binnen de EU willen doen zonder dat alle EU-landen meedoen, dan mag dat. Concreet houdt dat in dat als bijvoorbeeld Nederland, Duitsland, Oostenrijk, Finland, Zweden, Denemarken, Letland, Litouwen, Estland, Polen, Slowakije en Luxemburg  de Hanze-euro willen invoeren, dat zelfs juridisch gesproken gewoon mag volgens de bestaande Europese regels.

In de Hanze-euro zouden Duitsland en Nederland bij de zwakste broeders horen. Elke muntunie waar Nederland en Duitsland een van de zwakste landen zijn is het lidmaatschap meer dan waard.

In een muntunie die bestaat uit de genoemde landen zouden Nederland en Duitsland, als we kijken naar de hoogte van de staatsschuld bijvoorbeeld, of de gemiddelde economische groei sinds 2002, zowat de zwakste landen zijn. Dat zegt heel wat over zo een muntunie. Elke muntunie waar Nederland en Duitsland een van de zwakste landen zijn, is het lidmaatschap meer dan waard.

De landen uit het Europese zuiden worden van de Hanze-euro niet uitgesloten omdat ze in het zuiden liggen, maar omdat ze in hun huidige toestand elke club waar ze lid van worden, verzwakken. De deuren van de Hanze-euro staan wagenwijd open voor ze. Per slot van rekening geldt in een muntunie: hoe meer sterke landen, hoe groter de voordelen voor iedereen. Maar in tegenstelling tot de huidige euro, zijn landen uit Zuid-Europa bij de Hanze-euro pas welkom als ze op een eerlijke manier voor het zware examen slagen en aantonen bereid te zijn zich continu in te spannen voor een sterke munt. Bij de invoering van de euro moesten landen één jaar lang de schijn ophouden goed bezig te zijn en dat was voldoende. Om de Hanze-euro in te voeren moet er sprake zijn van een lange track record, van minstens 7 of 8 jaar. De euro waarmee wij allemaal nu al tien jaar betalen, is een goed maar slecht uitgevoerd concept. De Europese politici wilden te snel te veel landen in de muntunie. Haastige spoed is nooit goed. Griekenland, Italië, Portugal, Spanje,  waren duidelijk lichtjaren verwijderd van een voldoende op het euro-examen. Toch mochten ze meedoen. Daarmee was vanaf dag een al de basis gelegd voor grote problemen in de toekomst.

Grafiek 1: Duitsland en Nederland bij de zwakste landen in de Hanze-euro…

Grafiek 2: …ook als we kijken naar economische groei (Bron: Eurostat)