Er zijn in Nederland bijna 2 miljoen mensen onder de AOW-gerechtigde leeftijd die voor hun levensonderhoud een beroep doen op een uitkering. In mijn vorige bijdrage heb ik geschetst hoe het optreden van de zogenaamde armoede- en productiviteitsval veel van deze mensen in deze situatie gevangen houdt. Voor de meeste politieke partijen is dit een gegeven. Hun beeld is statisch: Mensen komen er nooit meer uit. Voor hun ligt dan ook de prioriteit bij ‘armoedebestrijding’ en gaat verdelen voor op verdienen.

 

Twee typen verzorgingsstaat

Is het erg als mensen voor hun bestaan afhankelijk zijn van een uitkering? We zijn er de afgelopen decennia aan gewend geraakt dat vrijwel iedere burger op enig moment in zijn/haar leven (veel) geld ontvangt van de overheid. Het is een gedachte die ten grondslag ligt aan onze verzorgingsstaat. Door iedereen, en niet alleen de laagste inkomens, een financieel belang te geven, ontstaat er een breed draagvlak voor het in stand houden van de arrangementen van die verzorgingsstaat. Het laat tegelijk zien hoe zeer dit denken het doen en laten in onze maatschappij heeft geperverteerd. In je eigen bestaan voorzien, is als streven bij velen naar de achtergrond verdrongen. Mensen hebben idealen die niet op zichzelf betrekking hebben, maar de maatschappij (uiteraard naar hun eigen inzicht) moeten verbeteren. overheidsingrijpen is daarbij het voornaamste instrument.

Wie breder kijkt, ziet dat er internationaal grosso modo twee typen verzorgingsstaat zijn. De eerste vertrouwt vooral op financiële prikkels en legt het initiatief bij het individu om het lot in eigen hand te nemen en op die manier te verbeteren. Angelsaksische landen kennen lage uitkeringen die mensen stimuleren om ook laagbetaald werk aan te nemen. Via fiscale voordelen voor werkenden ben je netto snel beter af dan met niet werken. Beloningsverschillen bieden juist een kans om op te klimmen en het inkomen te verbeteren. In de Westeuropese verzorgingsstaten is er veel kritiek op deze manier van activering. Hier wordt gewezen op de mensen die er niet (snel) in slagen om een baan te vinden of gedwongen blijven om langdurig laagbetaald werk te doen. Dat leidt tot de wens om deze groepen via royale uitkeringen en aanvullende voorzieningen een ‘menswaardig’ bestaan te bieden en te behoeden voor armoede.

Nu valt er over wat armoede is heel veel te zeggen, maar dat bewaar ik liever voor een volgende keer. Punt is dat een royaal opgezet stelsel in theorie geen probleem hoeft te zijn als de uitkering terecht komt bij iemand die echt geen alternatief heeft en de eerste gelegenheid aangrijpt om zelf in het eigen levensonderhoud te voorzien. Kortom, de uitvoering van inkomensvervangende regelingen moet zodanig zijn dat adequaat wordt vastgesteld wie wel en wie geen recht heeft op ondersteuning en dat mensen zonodig worden geholpen om weer een plekje te vinden op de arbeidsmarkt. Belangrijk onderdeel van deze opvatting is een hoge mate van vertrouwen dat geen misbruik zal worden gemaakt.

 

Bijstand 

Deze gedachten komen bij uitstek tot uiting in de uitvoering van de bijstand en aanverwante regelingen, waar de gemeente de voornaamste regisseur is. Hoe vervult de gemeente deze cruciale taak? Velen in de bijstand hebben een individuele vrijstelling van de arbeidsplicht. Die is weliswaar tijdelijk bedoeld maar vaak permanent in de praktijk. Onder het inmiddels afgeschafte stelsel van collectieve vrijstellingen was bijna tweederde van de bijstandspopulatie ingeschat als kansloos en daarmee vrijgesteld van arbeidsverplichtingen. Gegeven de samenstelling van het uitkeringsbestand en de gronden voor vrijstelling heeft waarschijnlijk nog steeds een zeer substantieel aandeel geen enkele verplichting om aan de slag te gaan. Daarnaast is er een groep in met name de grote steden die de bijstand vooral als basisinkomen ziet en geen intentie heeft om legaal werk te verrichten. Dit bleek bijvoorbeeld eind 2014 uit een aantal experimenten in Rotterdam en Utrecht. In Rotterdam was het effectief om bij aanvraag van een bijstandsuitkering mensen eerst een paar weken aan het werk te zetten en daarna nog eens zorgvuldig te bekijken of iemand echt wel voor een bijstandsuitkering in aanmerking kwam. Velen hadden daar geen trek in, haakten af en kwamen ook niet meer terug. Ook in Utrecht zou een experiment worden uitgevoerd, waarin mensen met een bijstandsuitkering werden opgeroepen voor het volgen van een training. Ondanks herhaaldelijk aandringen kwam tot 40 procent van de opgeroepen bijstandstrekkers niet opdagen bij de verschillende sessies en liet ook niets van zich horen toen daarop de uitkering werd stopgezet. In Rotterdam heeft men serieuze conclusies getrokken uit het experiment en de aanpak verscherpt. In Utrecht schrok men zich rot, want dit gedrag kwam niet overeen met hun wereldbeeld. Reden waarschijnlijk om het experiment in de soep te laten lopen, want het heeft uiteindelijk de rapportage niet gehaald omdat het de wetenschappelijke toets niet kon doorstaan.

Gemeenten richten hun re-integratieinspanningen dus op de resterende populatie die wel verplicht is om te gaan werken en ook bereid is daaraan mee te werken. Het is de weg van de minste weerstand. Maar dat is juist de groep die ondersteuning het minst nodig heeft en vaak ook op eigen kracht een baan vindt. Deze mensen in een re-integratietraject stoppen, kan dan ook juist verlengend werken op hun verblijf in de bijstand. Een zogenaamde beleidsdoorlichting van het re-integratiebeleid kwam dan ook tot de conclusie dat de inzet van re-integratie “een klein positief effect heeft op de kans om een baan te vinden”.

De gemeente faalt dus grotendeels in het vaststellen van wie ondersteuning bij re-integratie nodig heeft en het beïnvloeden van de kans op werk. Door grote groepen aan hun lot over te laten, is de toekenning van bijstand weinig selectief en komt (met name in de grote steden) ook terecht bij groepen die geen inkomensondersteuning nodig hebben.

Waarom moet de gemeente deze mensen achter de broek zitten? Er is toch geen werk voor ze. We willen toch dat iedereen mee kan doen in onze maatschappij? Dan moet je ze ook een fatsoenlijke uitkering geven en verder niet zeuren. De opstelling van de gemeente leidt er echter juist toe dat mensen niet meedoen. Door grote groepen aan hun lot over te laten, plaats je mensen buiten de maatschappij. Het zorgt er voor dat ook de tweede en de derde generatie van allochtone afkomst een groot beroep doet op de bijstand en vervreemdt van de maatschappij. De bijstand is in veel grote steden nog steeds een financieringsbron voor mensen die zich inlaten met allerlei illegale activiteiten. Een traditie die teruggaat op links-extremisten uit eigen land of omliggende landen, die zich in de stad gingen wijden aan het verbeteren van de maatschappij, het consumeren van verdovende middelen, kunstzinnige activiteiten en het in bezit nemen van andermans woning. Kortom overlast veroorzakende activiteiten die de gewone burger op kosten jagen.

 

Basisinkomen

Gemeenten roepen intussen dat de bijstand te ingewikkeld is geworden en willen deze voortaan verstrekken als basisinkomen. Daarmee verstrekken ze vooral zichzelf een brevet van onvermogen. Elke gemeente heeft zijn eigen uitgebreide stelsel van inkomensondersteunende regelingen opgetrokken, dat bovenop de bijstandsuitkering komt. Hierdoor ziet de inkomensondersteuning voor de laagste inkomens in elke gemeente er anders uit. Elke gemeente heeft ook een eigen computersysteem om de bijstand berekenen. Er zijn dan ook verschillende softwareleveranciers, die langs elkaar heen werken en voor veel geld bereid zijn maatwerk te leveren en steeds weer opnieuw het wiel uit te vinden.

Kom ik ten slotte terug bij de vraag of het erg is dat die paar miljard naar die zielige mensen gaat die een uitzichtloos bestaan genieten in de uitkering. Mijn punt is dat dit bestaan niet uitzichtloos is. Dat er mogelijkheden zijn om via hard werken in je eigen bestaan te voorzien en dat dit voor iedereen een doel is om na te streven. Het houdt bovendien de regelingen betaalbaar voor hen die ondersteuning hard nodig hebben. Als er nu eens één miljoen mensen minder een beroep zouden doen op een uitkering, dan komen een aantal langdurige betaalbaarheidsdiscussies in een heel ander perspectief te staan. Dan zijn er een miljoen extra mensen die meebetalen aan de pensioenen en de gezondheidszorg in plaats van dat de collectieve middelen moeten worden gebruikt om hen een uitkering te verstrekken. Daar snijdt het mes dus aan twee kanten. En al die miljarden dan die verloren gaan door belastingontwijking door multinationals, ondersteuning van Grieken, najagen van klimaatdoelstellingen enz.? Dat staat los van de noodzaak om het beroep op een uitkering door gezonde mensen terug te dringen. Een noodzaak die niet alleen financieel van aard is maar ook en vooral moreel.