Het Regeerakkoord als vierpartijendocument hinkt op twee gedachten. Op het terrein van arbeidsmarkt en sociale zekerheid worden dit duidelijk zichtbaar.

 

Vaderschapsverlof

In deze bijdrage komen de maatregelen op het terrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de orde. In het bijzonder de visie van het nieuwe kabinet op de arbeidsmarkt, het ontslagrecht en het pensioenstelsel. De volgende keer wil ik kijken naar de uitwerking van het Regeerakkoord (RA) op het bredere geheel van de verzorgingsstaat.

De belangrijkste tegenstelling die het Regeerakkoord moet overbruggen is die tussen individuele vrijheid en gezamenlijke verantwoordelijkheid. De voortdurende uitbreiding van individuele rechten zet de plichten die iedere burger heeft onder druk, waardoor die bijna automatisch op het bordje van de overheid belanden (of op SZW-terrein bij de werkgever). Dat zet de overheidsfinanciën flink onder druk. Iedereen wil de beste zorg, maar het eigen risico mag niet omhoog. Grote groepen vinden dat ze te weinig krijgen betaald en dat de werkdruk te hoog is in vergelijking met anderen. Er moet meer geld naar onderwijs, politie en defensie. Kortom, iedereen vindt dat hij of zij een graai in de pot met overheidsgeld mag doen voor een legitieme portie. Het is natuurlijk onmogelijk elke groep te bedienen, net zoals het onmogelijk is dat iedereen qua inkomen achterloopt.

Eerder schreef ik dat de belangrijkste taak van een nieuwe minister van SZW zou moeten zijn het terugdringen van het grote beroep dat in Nederland op een uitkering wordt gedaan. Het RA lezend kiezen de coalitiepartijen vooral voor het aanpakken van flexibele arbeidsrelaties en schijnzelfstandigheid. Het RA stelt terecht: “Veel verantwoordelijkheden voor de arbeidsrelatie zijn te eenzijdig bij werkgevers belegd”. Het gaat dan vooral om de hoge kosten van ontslag en de verplichtingen die de werkgever heeft over loonbetaling bij ziekte gedurende twee jaar. De daad wordt echter nauwelijks bij het woord gevoegd. Werkgevers worden bijvoorbeeld verplicht om voortaan de eerste vijf dagen kraamverlof voor vaders volledig door te betalen in plaats van twee, terwijl dit een gebeurtenis is waar zij toch verder weinig mee hebben te maken.

 

ZZP-schap

Het RA problematiseert flexibele arbeidsrelaties en ZZP-schap en zet vol in op het bevorderen van vaste arbeidscontracten. Meer zekerheid voor flexwerkers en meer flexibiliteit voor vaste werknemers is een mantra die ook weer in dit akkoord van stal wordt gehaald. De realiteit is dat het eerste meestal wel wordt gerealiseerd maar het tweede niet. In de huidige krappe arbeidsmarkt is dat des te lastiger, aangezien vaste werknemers een uitstekende onderhandelingspositie hebben. Zorgelijk is dat de coalitiepartijen dit willen om te komen tot een “eerlijkere” arbeidsmarkt, waarbij een vaste baan het ideaal is. Dit zet de deur open naar nog meer overheidsbemoeienis. Nu is er niets eerlijk of oneerlijk aan een markt. Het is gewoon een mechanisme dat vraag en aanbod bij elkaar brengt en met de uitkomst kun je tevreden zijn of niet. Het nieuwe kabinet kiest voor het laatste, door flexwerk en zelfstandig ondernemerschap als minderwaardig te zien. Mensen worden blijkbaar gedwongen voor dergelijke loopbanen te kiezen bij gebrek aan beter. Het zijn volgens het RA toch vooral schijnconstructies die bedoeld zijn om de lasten die met name de werkgever heeft in geval van een vaste baan te ontlopen. Dat die lasten te hoog zijn wordt op papier wel beleden, maar er wordt, afgezien van het verzachten van de loondoorbetaling bij ziekte voor kleine werkgevers, weinig aan gedaan. In plaats van het structureel aanpakken van de oorzaken kiest men ervoor de gevolgen van de rigide arbeidswetgeving in de vorm van ZZP-schap als uitwas te zien en die aan te pakken. Datzelfde geldt voor uitzendwerk, payrolling en nulurencontracten. Het RA kondigt nog meer wetgeving aan op al deze terreinen, wat het geheel nodeloos ingewikkeld maakt.

Er zijn heel veel motieven die mensen doen kiezen voor flexwerk en die maken dat mensen ZZP-er willen zijn. Niet voor iedereen is dit uit nood geboren. De toename van het aantal ZZP-ers komt ook doordat het aantrekkelijk is voor de zelfstandige zelf. Ook zijn het niet alleen financiële motieven die een rol spelen. Een notie die ontbreekt in het RA, dat nog wel probeert een onderscheid te maken tussen echte zelfstandigen en zij die dat blijkbaar niet zijn. De toename van het aantal ZZP-ers heeft natuurlijk ook te maken met zaken als ontslagrecht, loondoorbetaling bij ziekte en premiedifferentiatie in de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het RA erkent dat de huidige wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties een mislukking is, maar kondigt wel de zoveelste overeenkomst aan tussen opdrachtgever en ZZP-er die moet voorkomen dat sprake is van schijnzelfstandigheid. Verstandiger zou het uitgangspunt zijn dat iedereen die zegt zelfstandige te zijn ook als zodanig te behandelen, waarbij achteraf op basis van de belastingaangifte van betrokkene kan worden vastgesteld of hij of zij dat ook daadwerkelijk is. Dat heeft als voordelen dat je niet iedereen opzadelt met allerlei administratieve verplichtingen en gericht kunt controleren of iemand ook daadwerkelijk zelfstandige is. In plaats daarvan kiest het RA ervoor iedereen die werkt met tarieven tot circa 125 procent van het minimumloon of laagste CAO-loon te zien als werknemer met een arbeidsovereenkomst. Voortaan wordt elke zelfstandige dus blijkbaar verplicht om expliciet een uurtarief te hanteren, wat echter niet veel zegt over diens inkomsten als het aantal uren voor een klus onduidelijk is. De mogelijkheden voor manipulatie zijn daarmee nogal groot. Gelukkig ziet het RA wel af van het opleggen van een verplichte arbeidsongeschiktheids- of pensioenverzekering aan zelfstandigen.

Dezelfde analyse als hierboven voor flexwerkers en zelfstandigen is van toepassing op het ontslagrecht. Ook dit wordt enkel gezien als instrument om kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt te beschermen, waar de werking natuurlijk breder is. Ook hier geen fundamentele herziening of vereenvoudiging, maar het stapelen van nieuwe regels op het krakkemikkige bouwwerk van bestaande regels. Het gedrocht van de transitievergoeding wordt verder opgetuigd. Je bouwt voortaan al vanaf het begin van de arbeidsrelatie transitievergoeding op i.p.v. na twee jaar. Ook hier wordt dus de verantwoordelijkheid voor de inzetbaarheid nog meer richting werkgever verschoven. De beoogde versoepeling is dat een cumulatie van bijna-redenen voor ontslag nu voor de rechter voldoende grond kan zijn om een ontslag goed te keuren als een volledige individuele reden ontbreekt. Daar staat “tegenover” dat de rechter voortaan ook een hogere ontslagvergoeding mag toekennen dan één jaarsalaris, wat de deur weer openzet voor torenhoge ontslagvergoedingen waar iedereen nu juist zo graag van af wilde. Dit voortdurend “uitruilen” suggereert ook dat het huidige ontslagrecht in evenwicht is, wat in tegenspraak is met hetgeen de coalitiepartijen zelf stellen dat teveel verantwoordelijkheden bij de werkgever zijn belegd. Helaas komt ook mijn voorspelling uit dat het huidige niveau van de transitievergoeding maar een begin is en het bedrag alleen maar kan toenemen.

 

Werken met lonen

“Werken moet lonen” is een andere mantra die terugkomt in dit RA, zij het in een ander jasje. Het gaat nu opeens over dat werknemers meer loon moeten krijgen. Het nieuwe kabinet komt weliswaar met enige lastenverlichting om dit te ondersteunen, maar legt de bal vooral bij werkgevers. Geen woord over de afstand tussen loon en uitkering. Werken moet lonen ging er voorheen toch altijd over dat je met niets doen bijna evenveel opstreek als met een volledig betaalde baan op of vlak boven het wettelijk minimumloon. Dit probleem wordt weggeframed, door aan het begrip “Werken moet lonen” een volledig nieuwe betekenis te geven en de verantwoordelijkheid elders te beleggen. De vele inkomensafhankelijke regelingen die door Rutte II zijn ingevoerd, worden helaas ongemoeid gelaten. Juist hierdoor is werken minder gaan lonen. Wel gaat het nieuwe kabinet in gesprek met gemeenten om de bijdrage van hun regelingen aan de armoedeval te beperken (over verantwoordelijkheden afschuiven gesproken) en het bevorderen van de invoering van de tegenprestatie in de bijstand (succes gewenst in Amsterdam). Het aantal beschutte werkplekken wordt met 20.000 verhoogd, zodat gemeenten de mogelijkheid krijgen hier weer meer mensen weg te zetten in plaats van ze via regulier werk de uitkering te laten verlaten. De hiermee gemoeide 500 miljoen euro had beter voor iets anders kunnen worden benut.

Het RA wil naar de opbouw van individueel pensioenvermogen, met behoud van collectieve elementen. De huidige doorsneesystematiek wordt afgeschaft en vervangen door het fiscaal faciliteren van een opbouw die past bij de ingelegde premie. Er komt een soort van collectieve buffer om schokken op te vangen, b.v. op financiële markten of als een onverwachte stijging van de levensduur optreedt. De verplichte deelname aan een bedrijfstak- of bedrijfspensioenfonds blijft gehandhaafd. Hierop kwam eerder kritiek uit Europa, welke het nieuwe kabinet met de voorgestelde wijzigingen richting een meer individueel pensioenstelsel denkt te kunnen ondervangen. De doorsneepremie bemoeilijkte tussentijds switchen van pensioenfonds. De vraag is echter waarom een individuele opbouw verplicht zou moeten plaatsvinden bij precies het ene pensioenfonds waarbij de werkgever is aangesloten. Dat is dan nergens meer voor nodig en vormt een onnodige belemmering voor de individuele keuzevrijheid van een werknemer. Als de collectieve risico’s worden gedekt door een buffer waaraan iedereen verplicht bijdraagt, zou de werknemer moeten kunnen rondshoppen om de pensioenuitvoerder te vinden die het best past bij zijn of haar individuele voorkeuren. Dat is ook precies de spanning met het Europese mededingingsrecht, want de markt wordt afgeschermd door de verplichte deelname bij één bepaald fonds in stand te houden. Uiteraard wil het kabinet hier sociale partners uit de wind houden en stelt daarom ook expliciet dat extra Europese regels worden afgewezen. Er zijn echter grote onderlinge verschillen in prestaties van pensioenfondsen, die verplichte winkelnering onnodig maken en de wens voor meer individuele keuzevrijheid ondersteunen.

De huidige demissionaire bewindslieden Asscher en Klijnsma hebben er op het terrein van SZW de afgelopen vier jaar niet veel van gebakken. Asschers voornaamste wapenfeit was de aanpassing van het ontslagrecht, die ontslag alleen maar ingewikkelder en duurder heeft gemaakt voor werkgevers. Waar het juist het omgekeerde moest bewerkstelligen. Klijnsma wekte de indruk dat ze het pensioendossier nooit in de vingers heeft gekregen, waardoor er daar weinig is gebeurd. Zij bleef op haar andere belangrijke beleidsterrein, de bijstand, maar wat aanrommelen. Linkse wethouders grepen hun kans en gingen in weerwil van Den Haag zelf maar wat experimenteren. Het is de vraag of een nieuw duo zich met een dergelijk ingewikkeld RA beter kan onderscheiden.

 

Afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons