Veel van Thomas Piketty’s boek Kapitaal in de 21e Eeuw bestaat uit voorspellingen en doemdenken, en daar ga ik het vandaag over hebben. In eerdere afleveringen van deze serie heb ik enkele van de problemen besproken die ik zie met de theorie, data, en beleidsvoorstellen van de beste man, maar daar houdt het verdrietig genoeg niet mee op: zoals in praktische alle science fiction speelt toekomst een belangrijke rol.

Want Piketty’s boek gaat, zoals de titel suggereert, uiteindelijk over de komende eeuw, en over wat ons in die eeuw te wachten staat. In het eerste deel van deze serie heb ik uitgelegd waarom Piketty’s theorie van het kapitalisme vol gaten zit, maar laten we hier de technische details negeren en zijn werk behandelen in vogelvlucht: als het grote-lijnenverhaal van de toekomst van het kapitalisme.

Dat grote-lijnenverhaal is, zoals zoveel grote-lijnenverhalen, een met doemdenken doordrenkte tragedie. Het plot van de tragedie in kwestie is als volgt: het kapitalisme, of de vrije markt zelfs, leidt tot een situatie waarin de rijken, dat zijn de kapitalisten, steeds meer kapitaal bezitten en het leger van de werkenden een steeds kleiner stukje taart mag oppeuzelen. Het steeds meer kapitaal bezitten van de kapitalisten en daarmee hun controle van alle politieke macht leiden tot een niet nader beschreven apocalyptisch conflict dat nog afschuwelijker is dan wat klimaatverandering ons ooit zou kunnen aandoen. De enige manier waarop dit te voorkomen valt is als de anagnorisis van deze fundamentele koers van het kapitalisme ons ertoe brengt de belastingen drastisch te verhogen.

Dit pessimisme is niets nieuws. Malthus verkondigde dat voorplanting tot overbevolking en diepe armoe zou leiden; Ricardo dat de landeigenaren alles zouden bezitten; en Marx dat innovatie op een of andere manier tot zowel lage lonen als lage winsten zou leiden. Daar is allemaal niets van terechtgekomen, zoals ik vorig jaar op De Dagelijkse Standaard heb uitgelegd: praktisch iedereen ter wereld, en dat zijn inmiddels bijna 7 miljard mensen, is er vandaag de dag beter aan toe dan praktisch iedereen in 1915 – en dat waren toen minder dan 2 miljard mensen. Datzelfde zal gelden, zo denk je dan, voor Piketty’s voorspellingen. En dat denk je niet puur omdat zijn theorie niet klopt of zijn empirie misleidt, maar ook omdat je de indruk niet kan ontgaan dat er ergens in de menselijke natuur een drang bestaat om te fantaseren over het einde der tijden. Die drang garandeert doemdenken en eindtijdbewegingen (en gezeur over de vrije markt, zoals Deirdre McCloskey hier uitlegt), maar zeker geen accurate, gedetailleerde prognoses.

In een essay over Piketty’s boek proberen Harvard-politicoloog James Robinson en MIT-econoom Daron Acemoglu uit te leggen waarom deze doemtheorieën steeds falen. Ze signaleren in hun essay twee belangrijke factoren: de rol van technologie, en de rol van politieke instituties. Technologische vooruitgang is uiteraard van cruciaal belang voor het hele verhaal: dat is uiteindelijk wat ons zo veel welvarender heeft gemaakt dan zelfs maar een paar honderd jaar geleden. Piketty en de zijnen gaan ervanuit dat technologische vooruitgang een gegeven is, vanzelf gaat, en dat de beleidsopties die hij voorstaat er geen enkele invloed op hebben. Dat is, zoals McCloskey opmerkt, een riskante aanname: tenslotte kan volledig nivelleren iedereen maar zo’n 20% rijker maken, terwijl de innovaties van de afgelopen eeuw de gemiddelde Nederlandser wel 20 keer rijker hebben gemaakt.

De andere, institutionele verklaring voor het falen van ambitieuze fundamentele wetten van het kapitalisme is dat economische uitkomsten niet in een vacuüm tot stand komen: veranderende omstandigheden leiden tot evoluerende wetgeving en verschuivende machtsrelaties. Die veranderingen worden gedreven door allerlei dingen, maar zeker niet alleen door een simpele ongelijkheid als r > g. (Voor de sfeer laten Acemoglu en Robinson overigens zien dat r – g geen enkele voorspellende waarde heeft gehad voor de ontwikkeling van de inkomensongelijkheid gedurende de afgelopen anderhalve eeuw, een vrij treurig resultaat voor een fundamentele wet.) Acemoglu en Robinson laten aan de hand van voorbeelden uit verschillende landen zien dat ook zonder agressief overheidsingrijpen excessen te niet kunnen worden gedaan, en dat verschillende coalities verschillende resultaten kunnen bereiken die in Piketty’s model nooit realiseerbaar zouden zijn. Voor de validiteit van zijn voorspellingen is dat desastreus.

Verschillende landen, daar zeg je me trouwens wat. Wellicht het grootste falen van Piketty ligt op internationaal vlak. Dat zijn grote observatie, en zijn grote extrapolatie, dat de ongelijkheid in de wereld groot en groeiende is, absoluut niet waar is als je de wereld als een geheel beschouwt. Want dan zie je, zoals Columbia-econoom Xavier Sala-i-Martin en New York Fed-econoom Maxim Pinkovsky overtuigend hebben aangetoond, dat die ongelijkheid de afgelopen vijftig jaar fors is gekrompen, en de extreme armoede ver teruggedrongen. Die vooruitgang op willen offeren op het altaar van de woede over Liliane Bettencourt’s horloges en sieraden, zoals Piketty zo af en toe lijkt te voorstaan, is wel een heel bijzonder teken van toewijding aan Nemesis en Phthonus.