De Nederlandse vertaling van Thomas Piketty’s boek over de kwalen van het kapitalisme, Kapitaal in de 21ste eeuw, is een paar weken geleden dan uiteindelijk verschenen. Een mooi moment voor een toernee door ons land, met zelfs een optreden voor de commissie Financiën van de Tweede Kamer. De receptie van zijn boek, vooral aan de linkerkant van het politieke spectrum, is dolenthousiast: het NRC spreeekt van “mateloze bewondering,” terwijl de Volkskrant de Fransman in een rijtje zet met Adam Smith en Karl Marx. Naar een vergelijking met de laatste zat Piketty natuurlijk vrij openlijk te vissen: niet alleen met zijn boektitel, maar ook met de inhoud: zijn fundamentele “wetten” van het kapitalisme, en een fundamentale “divergentiekracht” die de interne contradicties van het systeem uiteindelijk zal blootstellen.

Over die divergentiekracht – een onderliggende empirische regelmatigheid die, via de mechaniek van de fundamentele wetten, tot groeiende ongelijkheid leidt – wil ik het hier hebben. De idee zoals het naar aanleiding van Piketty is gaan leven is als volgt: als het rendement op kapitaal hoger is dan de groei van de economie, of zoals Piketty de ongelijkheid schrijft, als r > g, dan groeit het kapitaal sneller dan de economie, dan wordt de ratio van kapitaal tot nationaal inkomen steeds hoger, en dan wordt de eigenaren van het kapitaal dus steeds machtiger en rijker in vergelijking met de rest van de bevolking.

Niet automatisch meer inkomen

Deze drie dingen kloppen geen van alle. Zoals Piketty zelf uitlegt is wat van belang is voor de relatieve groei van kapitaal en economie niet slechts het rendement op kapitaal, maar hoeveel daarvan gespaard wordt. Die besparingen dienen gedeeltelijk om te compenseren voor afschrijvingen; en hoeveel meer kapitaal er is, hoe meer er afgeschreven wordt. Uiteindelijk raken afschrijven, besparingen, en de groei van het nationaal inkomen in balans, en groeien kapitaal en economie in hetzelfde tempo. Dit is geenszins controversieel (hier is een voorbeeld van Paul Krugman waarin het geldt, bijvoorbeeld). Sterker nog, het ligt ten grondslag aan Piketty’s “tweede fundamentele wet van het kapitalisme”: β = s / g. Wat dit zegt is dat β, de kapitaal-inkomen-ratio, op lange termijn onafhankelijk is van de relatie tussen r en g*. En dat kun je goed zien in Piketty’s eigen boek, in figuur 4.8: de ratio tussen kapitaal en nationaal inkomen in de Verenigde Staten – waar de wereldoorlogen niet voor een onderbreking zorgden – is al meer dan een eeuw praktisch constant.

Maar goed, kan men zeggen, dit geldt pas op de lange termijn. Wanneer men herstelt van een wereldoorlog, zoals Europa in Piketty’s ogen tot op zekere hoogte nog steeds, dan groeit die ratio wel, dankzij r > g. Maar dat er relatief meer kapitaal in de economie is, betekent niet automatisch dat er ook meer inkomen uit dat kapitaal voortvloeit. Want meer kapitaal drijft, ceteris paribus, het rendement uit kapitaal omlaag.  En als dat snel genoeg omlaag gaat, dan gaat ook de ratio tussen kapitaalinkomen en nationaal inkomen omlaag, in plaats van omhoog. Die ratio (α genoemd in Kapitaal) is bij definitie het product van het rendement op kapitaal en de ratio tussen kapitaal en nationaal inkomen, als weergegeven in Piketty’s “eerste fundamentele wet van het kapitalisme”: α = r x β. Piketty claimt in zijn boek dat r maar langzaam omlaag gaat wanneer β groeit, en dat α dan dus ook groeit. Verdrietig genoeg is die claim gebaseerd op een verkeerde interpretatie van voorafgaande schattingen van de relatie tussen r en β. Piketty gebruikt netto-waardes voor r, na afschrijvingen, in plaats van de bruto-waardes die standaard zijn in de literatuur. Dat verandert fundamenteel de relatie tussen de twee variabelen (de netto-r gaat als een malle omlaag als je steeds meer afschrijvingen in mindering moet brengen), met als resultaat dat α paradoxaal genoeg krimpt wanneer β groeit**.

Rijken worden rijker

Niet meer kapitaal, en ook niet meer inkomen uit kapitaal dus: hoe worden de rijken dan zoveel rijker? Want dat is waar Piketty zich ostentelijk zorgen over maakt. De enige weg die ik nog zie – en één die hij in latere delen van zijn boek enigzins benadrukt – is er één waarin de rijken een steeds groter gedeelte van het bestaande kapitaal toeeigenen doordat hun r groter is dan de r van anderen. Dat zou kunnen: ze investeren wellicht beter, door betere adviseurs en de hulp van insiders, en wellicht zijn hun investeringen riskanter. Maar zelfs dan ligt de conclusie dat ze meer en meer kapitaal verzamelen zullen niet voor de hand: over die hogere r betaal je belastingen, met die r moet je uitgaven financieren, en met riskantere investeringen komt risico.

De bestaande belastingen alleen drukken het netto-rendement op kapitaal al onder het niveau van g, waardoor bestaand kapitaal steeds minder relevant wordt in vergelijking met de economie als gehaal. Bovendien claimt Piketty dat r gemiddeld over de laatste eeuwen zo’n 5% is geweest: dat is toevallig net zo veel als macroeconomen zoals Larry Summers, de president Clintons minister van Financiën en topadviseur van president Obama, inschatten als het percentage van hun rijkdom dat mensen ieder jaar uitgeven. Daar blijft dus niet zo veel van over.

PCs en mobieltjes

En dat blijkt ook wel. In zijn boek vergelijkt Piketty de rijkste mensen ter wereld, die van de Forbes-lijst, in 1987 met die van 2013. Hij doet dat op misleidende wijze: hij vergelijkt de mensen die een kwart eeuw geleden op de lijst stonden met hen die er nu op staan, en concludeert dat ze stukken rijker geworden zijn. Maar het zijn twee volstrekt verschillende groepen mensen! In werkelijkheid zijn de meesten van de allerrijksten uit 1987 veel van hun vermogen kwijtgeraakt, en vervangen door de ondernemers die ons PCs en Mexicanen mobieltjes hebben bezorgd. Bill Gates en Carlos Slim kent u waarschijnlijk; maar zeggen de namen Yoshiaki Tsutsumi; Taikichiro Mori; Sam Walton; Shigeru Kobayashi; Haruhiko Yoshimoto; Salim Ahmed Bin Mahfouz; Hans en Gad Rausing; Paul, Albert, en Ralph Reichmann; Yohachiro Iwasaki; en Kenneth Roy Thomson u veel? Waarschijnlijk niet, hoewel ze volgens Piketty inmiddels al het kapitaal en alle politieke macht in de wereld zouden moeten hebben.

* Wat wel van belang is, is het niveau van g en daar zal ik het in een toekomstige aflevering over hebben

** Voor veel meer detail en uitleg, zie deze paper van MIT-econoom Matthew Rognlie

Over twee weken: Deel II.

Beeld cc Sue Gardner