15 Augustus 1971 is een zeer belangrijke, misschien wel de belangrijkste dag in de economische geschiedenis sinds het Bretton-Woodsakkoord uit 1944. Op die dag maakte de toenmalige Amerikaanse president Richard Nixon wereldkundig dat de Amerikaanse dollar niet meer inwisselbaar was tegen goud. Dat was het einde van het uit 1944 daterende Bretton-Woods stelsel. De kern daarvan was de koppeling van de dollar aan goud. De munten van alle andere Westerse landen werden vervolgens gekoppeld aan de dollar en daarmee indirect aan goud. Het Amerikaanse besluit de koppeling met goud te verbreken, heeft onze wereld voorgoed veranderd. Enigszins simplificerend: in Bretton Woods werd het nieuwe internationale financiële stelsel geboren; in 1971 werd het begraven. Het was het startschot voor enorm uitdijende overheden, aanhoudende begrotingstekorten, almaar hogere schulden, aanhoudende inflatie en financiële en economische instabiliteit.

Valuta’s losgekoppeld van goud

Iedereen die belangstelling heeft voor de internationale financiële verhoudingen weet dat President Nixon dat besluit heeft genomen. Maar weinigen weten echter dat de geestelijke vader van het idee om de dollar los te koppelen van goud niemand minder dan Paul Volcker is geweest. Volcker was toen een ambtenaar op het Amerikaanse ministerie van Financiën. Hij zou later, in 1979, de voorzitter van de Fed, de Amerikaanse centrale bank, worden. Jalta sprak onlangs met Volcker. Dat interview, in drie delen, kunt u hier, hier en hier lezen.

Aan het eind van onze ontmoeting vroeg ik Volcker over zijn rol bij die loskoppeling. Ik vroeg hem of hij er ooit spijt van heeft gehad. Zittend in zijn stoel hoog in het Rockefeller Center aan de New Yorkse Fifth Avenue, dacht Volcker heel eventjes na, alsof hij in zijn gedachten terug ging naar 1971. “In mijn ogen was het voor de Verenigde Staten onmogelijk geworden de koppeling tussen de dollar en het goud in stand te houden. Hadden we dat wel geprobeerd, dan waren we na enige tijd door ons goud heen.” Onder het Bretton-Woods arrangement waren, zoals gezegd, Westerse valuta’s gekoppeld aan goud. De centrale banken van die landen hadden het recht dollars die ze in bezit hadden, bij de Fed in te ruilen voor goud. Dat is wat vooral de Europese landen sinds medio jaren zestig, onder aanvoering van Frankrijk, zijn gaan doen omdat zij vreesden dat het Amerikaanse goud op zou raken (de vrees die Volcker dus bevestigt).

Volcker heeft er geen spijt van dat de koppeling verbroken werd, omdat die volgens hem niet houdbaar was, maar hij is wel teleurgesteld in iets anders. “Ik ben teleurgesteld in wat zich daarna afgespeeld heeft. We hebben geen hervormingen doorgevoerd, verschillende landen besloten in reactie de koers van hun munt te laten zweven tegenover de dollar. Dat had ik niet verwacht. De Amerikaanse regering gebruikte de loskoppeling van het goud om zeer stimulerend begrotingsbeleid te voeren. Dat is iets wat je als overheid niet moet doen na een devaluatie van je munt. Dus het gevolg, de aanhoudende en in de jaren zeventig zeer hoge inflatie, begrotingstekorten en toenemende staatsschulden, dat was allemaal iets waar ik zeker niet op hoopte.”

Geen groot succes

De eminence grise van de monetaire wereld pleit dan ook voor een nieuwe internationale financiële orde, een soort nieuwe Bretton Woods. “Sinds 1971 zijn enkele decennia verstreken en ik denk dat we nu wel mogen concluderen dat de afwezigheid van een internationaal, op regels gebaseerd monetair stelsel geen groot succes is geweest. Financiële crises komen sinds 1971 net zo vaak voor als ervoor en zijn destructiever voor onze economieën. De huidige crisis laat zien dat we hervormingen nodig hebben op internationaal vlak” aldus Volcker. Wat de legendarische voormalige voorzitter van de Fed in feite zegt is dat het tijdperk van fiat geld, geld gebaseerd op het vertrouwen in de centrale banken, mislukt is.

En wanneer hij zegt dat de moderne centrale banken niet te begrijpen omdat ze inflatie nastreven – “dat iets meer inflatie toewensen lijkt wel de nieuwe monetaire juiste leer te zijn. Het probleem is dat als een beetje meer inflatie goed is, nog een beetje meer erbovenop gezien wordt als nóg beter. Ervaringen uit het verleden leren ons dat wanneer men inflatie opzettelijk aanjaagt, het heel moeilijk onder controle te houden is en heel lastig terug te draaien is”- impliceert Volcker in feite dat hij vreest dat het huidige stelsel, niet gebaseerd op regels maar op vertrouwen in de centrale banken, nog meer schade zal aanrichten. “Als je 2 procent inflatie per jaar nastreeft dan betekent dat dat na een decennium alle prijzen meer dan 20 procent zijn gestegen en dat het prijsniveau in één generatie verdubbelt. Dat is geen prijsstabiliteit maar men noemt dat wél zo.”

De ramp van 1971

Hoe destructief 1971 is uitgepakt is het beste te zien aan de hand van enkele grafieken. Kijken we bijvoorbeeld naar de Amerikaanse begroting per jaar, dan zien we sinds het jaar 1800 zien min of meer het beeld van jaarlijkse overschotten. Tekorten zien we eigenlijk alleen in oorlogsjaren, wat niet vreemd is. Vanaf begin jaren zeventig zien we echter zo goed als elk jaar een begrotingstekort.

Grafiek 1

grafiek1

En dat is niet alleen in de VS zo geweest. Tussen 1900 en 1971 is de Nederlandse begroting elk jaar weer keurig in evenwicht. Sinds 1971 zijn tekorten structureel, sinds dat jaar hebben we slechts vijf keer een kleine overschot gehad en vaak was dat het gevolg van incidentele baten zoals bij de veiling van de UMTS-frequenties.

Grafiek 2:

grafiek2

De Amerikaanse staatsschuld klimt na 1971 enorm, van ca. 30 procent van het bbp begin jaren tachtig naar ruim 100 procent tegenwoordig.

Grafiek 3:

grafiek3

En de schuld neemt alleen niet bij de overheid toe. In de grafiek hieronder ziet u de totale schuld van de Amerikanen, dus de overheid, consumenten en bedrijven samen. Wederom valt het jaar 1971 op.

Grafiek 4:

grafiek4

De geldgroei is sinds 1971 ook geëxplodeerd, met als gevolg aanhoudende uitholling van de koopkracht van de dollar (lees: inflatie).

Grafiek 5:

grafiek5

Grafiek 6:

grafiek6

Tot slot het aantal economische en financiële crises in de wereld sinds 1800. Uit de gegevens van het Internationaal Monetair Fonds blijkt dat de wereld sinds 1970 431 keer te maken heeft gehad met een banken-, valuta- of dan wel sovereigncrisis (met overheidsfinanciën). Dat is vaker dan in de decennia ervoor. De crises zijn, zoals Volcker constateert, bovendien ernstiger van aard.

Grafiek 7:

grafiek7