Trots als een pauw was onze minister-president net als de minister van Financiën op de derde dinsdag in september: de koopkracht voor nagenoeg iedereen in dit land gaat volgend jaar omhoog. Als de olieprijs echter de komende maanden niet spectaculair daalt, dan kunnen die mooie koopkrachtplaatjes waarschijnlijk de prullenbak in.

De olieprijs schommelde jarenlang tussen 90 en 120 dollar per vat om begin 2014 een daling in te zetten die zeker spectaculair te noemen is. Een vat zwarte goud tuimelde in prijs; kostte een vat begin 2014 nog ongeveer 110 dollar, aan het eind van dat jaar vonden we de prijs op iets meer dan 40 dollar.

Sindsdien bewoog de olieprijs tussen ongeveer 60 dollar aan de bovenkant en 40 dollar aan de onderkant, met een kortstondige escapade naar circa 27 dollar begin dit jaar.

Waar die lage olieprijs voor de olie-importerende landen als een soort onaangekondigde belastingverlaging aankwam – de energierekening daalde fors – deed die juist erg veel pijn in de oliepróducerende landen. Die landen zagen hun inkomsten flink lager uitkomen; verschillende overheden kwamen in grote problemen. Onder hen vonden we ook dé grote olieboer Saoedi-Arabië. Ook daar deed de lage olieprijs veel pijn, maar omdat de regering in Ryad behoorlijk wat geld achter de hand had, kon Saoedi-Arabië zich veroorloven een tactiek te voeren om de olieprijs onder neerwaartse druk te houden en in ieder geval niet te proberen aan te jagen. Het was de Saoedi’s vooral te doen om het behoud van hun marktaandeel, vandaar dat ze meermaals in het afgelopen jaar onverwacht extra korting gaven aan hun klanten in Azië en Europa.

Marktaandeel beschermen

De bedoeling was steeds om andere landen financieel pijn te doen zodat ze hun productie zouden verlagen; als de olieprijs onder de kostprijs komt – en dat was bij 40 tot 50 dollar voor veel olieproducenten het geval – zouden de Saoedi’s de concurrentie verzwakken terwijl ze zelf overeind zouden blijven. Enerzijds door het eerder genoemde spaarpot van enkele honderden miljarden dollars waardoor het woestijnland zich kon veroorloven een tijdlang pijn te lijden zonder dat de pijn te erg zou worden en anderzijds doordat de kostprijs voor Saoedi-Arabië zeer laag is. Om één vat olie uit de grond te halen moet Saoedi-Arabië ongeveer 9 dollar uitgeven. Alleen het buurland Koeweit kan dat goedkoper doen en dan ook marginaal, namelijk tegen de kosten van 8,50 dollar. Ter vergelijking: voor Noorwegen, de Verenigde Staten en Canada liggen die kosten tussen 36 en 41 dollar.

Inmiddels lijkt het er echter op dat de pijn ook voor de regering in Ryan te veel is geworden. Op de vergadering van de olieproducerende landen verenigd in OPEC in Algerije vorige week  besloten de leden hun gezamenlijke olieproductie terug te schroeven. Het idee is simpel: zorg voor minder aanbod en bij gelijkblijvende vraag zal de olieprijs stijgen.

Hadden ze dat niet eerder kunnen doen? Uiteraard en bijna alle OPEC-landen waren daar ook een groot voorstander van. Maar het was steeds het meest invloedrijke OPEC-lid, Saoedi-Arabië, dat er een stokje voor stak. Zoals gezegd: een productieverlaging was niet in Saoedi’s belang en ze konden de pijn uitzingen.

Dat is sinds kort dus veranderd. Door de lage olieprijs is het begrotingstekort van Ryad hoger dan 13 procent, waarmee het land het grootste begrotingstekort heeft  van de G-20 landen, de grootste economieën ter wereld. Het land is al 150 miljard dollar kwijtgeraakt om de wegvallende olie-inkomsten op te vangen, de ambtenarensalarissen zijn verlaagd om begrotingstekort te proberen te verkleinen en de lijst van bedrijven die hun facturen gestuurd aan Ryad maar niet betaald krijgen, is behoorlijk lang en groeiend. Ondertussen ligt de economische groei op ongeveer 1 procent, nauwelijks iets om rustig te kunnen slapen. Vorige week is daar ook een nieuw financieel risico bij gekomen toen het Amerikaanse parlement de veto van President Obama ongedaan maakte zodat Amerikanen Saoedi-Arabië voor de rechter kunnen slepen voor de ramp van 11 september 2001.Dat kan het land de komende jaren voor zeer hoge schadeclaims komen te staan.

Iran, sancties en olieverkopen

Hoe erg de pijn in Saoedi-Arabië is, blijkt misschien wel het beste uit een opmerkelijk deel van het besluit van de OPEC vorige week. Eerder dit jaar zei Saoedi-Arabië meermaals dat het de eigen olieproductie best zou willen verlagen maar alleen als Iran, dé grote concurrent op economisch en geopolitiek front, ook zijn productie zou verlagen. Dit was een beleefde manier om de andere OPEC-landen die aandrongen op een gezamenlijke productieverlaging af te poeieren. Saoedi-Arabië wist namelijk maar al te goed dat Iran dat nooit zou accepteren: dat land mag sinds kort voor het eerst in jaren olie uitvoeren dankzij een akkoord met het Westen over het opheffen van de sancties, sancties die de afgelopen jaren zeer veel economische schade hebben berokkend. Nu Iran de kans krijgt zij olie te verkopen en die schade deels te herstellen, zou Teheran nooit een productieverlaging opgelegd door de OPEC accepteren. Saoedi-Arabië wist dus dat dat als voorwaarde stellen hetzelfde is als zelf weigeren de olieproductie te verlagen. Deze week gingen de Saoedi’s echter akkoord met zowel een verlaging van hun eigen productie als de toestemming voor Iran om de productie van dat land níet te verlagen. Ook dit geeft aan hoeveel pijn de langdurig lage olieprijs doet op het Arabisch schiereiland.

Grafiek: Goedkope olie doet zelfs de Saoedi’s te veel pijn nu

grafiek1

Het onmiddellijke gevolg van het OPEC-besluit was een stijging van de olieprijs. Het zal waarschijnlijk niet lang duren voordat de energierekening voor de Nederlandse huishoudens en bedrijven daardoor gaat stijgen. Toch maar even snel de tank volgooien tegen de huidige prijzen dus. Of toch maar niet? Of de olieprijs blijft stijgen, is namelijk niet zeker. Dit om twee redenen.

In de eerste plaats omdat olieproducenten zoals Rusland, Noorwegen of Mexico zich niets van het OPEC-besluit hoeven aan te trekken omdat ze geen OPEC-lid zijn. Hetzelfde geldt voor de Amerikaanse schalieolieproducenten. Mocht de olieprijs stijgen, dan worden hun velden ineens weer rendabel en het is te verachten dat ze hun productie in dat geval zullen opvoeren en vaak zelfs opnieuw starten omdat velen ermee gestopt zijn door de lage olieprijs.

In de tweede plaats moet de OPEC nog besluiten wat de nieuwe productieplafonds worden voor elke lidstaat én valt het nog te bezien of elke lidstaat zich daar vervolgens aan zal houden. OPEC heeft namelijk geen eigen politiemacht of inspecteurs die kunnen controleren of de leden zich inderdaad houden aan de afgesproken productieplafonds.

Snelle stijging prijzen

Mocht de olieprijs inderdaad stijgen, dan zal dat vele gevolgen hebben. Denk daarbij aan de negatieve gevolgen voor de economische groei in het westen doordat de energierekening weer gaat oplopen. Denk echter er ook aan dat de centrale banken, zoals de ECB, een groot probleem kunnen krijgen. Door de stijgende olieprijs zou de inflatie gaan stijgen terwijl het economisch herstel juist wind tegen krijgt. Een bank als de ECB komt dat voor de keuze te staan de rente te verhogen om een stijging van de inflatie te voorkomen (wat de wettelijke opdracht is) of de rente juist te verlagen om de economie die het nog zwaarder zal krijgen, te helpen, zoals ik onlangs heb geschreven. Sterker nog, de olieprijs hoeft niet eens te stijgen de komende maanden voor de inflatie in de eurozone om behoorlijk op te lopen.

Het heeft allemaal te maken met hoe de inflatie wordt berekend, namelijk door de prijzen van vandaag te vergelijken met die van een jaar geleden. Waar een belangrijk deel van het totale inflatiecijfer, de energie, sinds 2014 in die vergelijking fors in prijs bleek te dalen, verandert dat voor het eerst in jaren. In september vorig jaar meldde Eurostat, het Europese bureau voor de statistiek, bijvoorbeeld dat het energiecomponent bijna 9 procent goedkoper was. Die sterke daling hield vervolgend maandenlang aan. Gezien het belang van energie in het totale inflatiecijfer is het geen wonder dat in die tijd de totale inflatie om en nabij 0 procent lag.

Grafiek: Is de dalende trend in inflatie aan het keren?

grafiek2

 

In de zomer van dit jaar was de neerwaartse trekkracht van energie op de totale inflatie met 7 procent daling al iets kleiner en vorige maand was dat verder gezakt naar slechts 3 procent daling van de energieprijzen. De totale inflatie weerspiegelde dat: die klom van onder de 0-procentgrens in het voorjaar naar 0,4 procent in september dit jaar. Het was de snelste inflatiestijging in jaren in de eurozone. Deze stijging zal aanhouden zelfs als de olieprijs de komende maanden geen cent omhoog gaat. Sterker nog, de inflatie in het euroland zal zelfs stijgen als de olieprijs gaat licht gaat zakken. De reden is dat ook een lagere olieprijs van nu nog steeds aanmerkelijk hoger zou liggen dan eind vorig jaar waardoor in de berekening van de totale inflatie de energie die totale inflatie minder hard dan voorheen omlaag zou drukken.

De enige manier waarop de inflatie in het euroland de komende maanden níet zou stijgen, is als de olieprijs de komende maanden spectaculair daalt, denk aan een daling richting 20 dollar per vat. En dat brengt ons bij een uiterst interessante en voor ons allemaal zeer relevante vraag: is de dalende trend in de inflatie aan het keren? Als het antwoord een ‘ja’ blijkt te zijn, dan zullen gepensioneerden en deelnemers in de honderden Nederlandse pensioenfondsen echt pijn gaan lijden. Omdat de ECB namelijk de rente niet zal verhogen, zouden de pensioenfondsen, net als de afgelopen jaren, niet in staat zijn pensioenen en pensioenaanspraken te verhogen met de jaarlijkse inflatie. Dat niet indexeren van de pensioenen zoals dat heet, heeft de afgelopen jaren, met die historisch lage inflatie, de pensioenen in feite met 11,9 procent verlaagd. Rekent u maar uit hoe ernstig de pijn zou zijn bij 1,5 procent inflatie dan. Als de olieprijs niet fors daalt, dan kunnen alle mooie plaatjes van een stijgende koopkracht voor iedereen waarmee het kabinet onlangs schermde bij de presentatie van de begroting voor volgend jaar, de prullenbak in.