Iets wat economen output gap noemen is de hoeksteen van de rechtvaardiging van het beleid dat onder meer de Europese Centrale Bank voert. Maar op die hoeksteen is heel wat aan te merken. Sterker, die is vrijwel waardeloos.

Acroniemen en onschuldig klinkende termen, daar houden de centrale bankiers van. Dus spreken ze niet over het monetair financieren van begrotingstekorten ofwel ongedekt geld drukken zodat politici naar hartenlust kunnen uitgeven (een doodzonde voor een centrale bank) maar van quantitative easing. De ECB vindt zelfs die haast exotische term te alarmachtig klinken en – daar heb je de eerste acroniem – spreekt zelf steevast over het APP (Asset Purchase Programme), iets wat u uiteraard niet mag verwarren met het SMP-programma. En de LTRO’s en TLTRO’s hebben er ook niets mee te maken, maar dat spreekt voor zich (Wat dat zijn? LTRO’s zijn leningen voor commerciële banken die ze bij de ECB kunnen opnemen, zonder limiet, met een looptijd van enkele jaren maar wel tegen de schrikbarend hoge, vaste, jaarlijkse rente van – hou u vast – 0,05 procent; TLTRO’s zijn exact dezelfde leningen alleen met de vraag van de ECB dat de banken een krabbeltje onder de leningaanvraag zetten waarmee ze plechtig beloven dat geleende geld zelf ook uit te lenen aan bedrijven).

Waarom de centrale bankiers van acroniemen en onschuldig klinkende termen houden? Om dezelfde reden als waarom politici spreken over stimuleren en investeren en niet over belastingverhogingen: beide proberen te vermijden het beestje bij zijn echte naam te noemen.

Het ECB-beleid wordt bepaald door de omvang van het verschil tussen iets waarvan we de omvang niet real time kunnen meten maar pas jaren na dato min of meer zeker weten en iets wat zelfs helemaal niet te meten of waar te nemen is maar slechts, zeer ruw, geschat kan worden

De bedoeling is dus bij het grote publiek de indruk te wekken dat de centrale banken echt geen gekke dingen doen. En voor diegenen die dat toch niet zomaar aannemen, trekken de centrale bankiers met die acroniemen et cetera een rookgordijn op. En het werkt. Je moet wel erg vasthoudend zijn om je door dat bos acroniemen en exotische termen heen te worstelen zonder halverwege ontmoedigd c.q. gek te worden om te zien wat er daadwerkelijk aan de hand is. Hier bij Jalta worstel ik me dagelijks door die jungle om al die rook weg te blazen zodat u duidelijk kunt zien wat er gaande is. Vandaag richt ik me om een vuurtje dat wel erg veel rook veroorzaakt, namelijk iets wat de ‘output gap’ heet.

Mind the gap

Volgens ECB-President Mario Draghi is de output gap in de eurozone behoorlijk groot en neemt maar langzaam af. Die grote gap en het feit dat die maar langzaam afneemt, is voor de ECB dé reden om geldpersen vol aan te zetten en dat tot minstens diep in 2017 zo te houden. Aan de andere kant van de oceaan, in de VS, is de output gap volgens de Fed ook nog steeds groot, wat voor die centrale bank betekent dat ook die geld moet blijven drukken als bezetene. Weliswaar gaat de Fed de rente verhogen naar 0,25 procent, maar vergeet niet dat het monetaire beleid neutraal is pas ergens bij 4 á 5 procent rente. Anders gesteld: dat verhogen van de rente van 0 naar 0,25 procent is te vergelijken met iemand die in het huis waar alle kranen al heel lang wijd open staan en het huis blank staat, de kraan in de WC ietsje dicht draait. In Canada, Groot-Brittannië en andere landen dragen centrale bankiers ook die output gap doorgaans aan als dé reden voor het beleid dat ze voeren.

Maar wat is die output gap precies en waarom is het zo belangrijk dat het in feite het fundament is onder het beleid dat de ECB, Fed en andere centrale banken voeren?

Instabiliteit

Vraag het een econoom en hij/zij zal meteen het antwoord op de eerste vraag oplepelen: output gap is het verschil tussen de werkelijke productiecapaciteit en de potentiele productiecapaciteit. In normale mensentaal: het verschil tussen hoe snel een economie groeit en hoe snel die, op middellange termijn en op een houdbare manier kán groeien als we alle machines, fabrieken en mensen inzetten. In economisch slechte tijden neemt de productie af, dat is wat we een recessie of een periode van zeer lage groei noemen, waardoor die illustere output gap ontstaat. Die is dan negatief, immers, de werkelijke economische groei is lager dan wat een economie normaliter aankan.

Het is pas zo een twee jaar later dat het min of meer definitieve cijfer over economische groei bekend wordt gemaakt, dus pas in 2017 weten we hoe hoog de economische groei is geweest in 2015, niet eerder

Die output gap zien de centrale bankiers het liefst niet negatief worden en als dat gebeurt, moet dat zo snel mogelijk rechtgetrokken worden. Een negatieve output gap betekent namelijk zoals gezegd dat de economische groei laag is. Dat op zijn beurt houdt in dat de inflatie omlaag wordt gedrukt (lage economische groei en dalende inflatie gaan hand in hand, volgens moderne centrale bankiers). Lage inflatie is juist iets wat de moderne centrale bankiers koste wat kost proberen te vermijden omdat dat funest zou zijn voor een economie. Ik heb regelmatig de belachelijkheid van die stellige beweringen aangetoond, zie bijvoorbeeld dit stuk, en ga er nu dan ook niet verder op in. Ik wil terug naar die output gap, dé reden voor het beleid dat in mijn ogen nu al en op termijn voor nog meer verarming en verzwakking van de middenklasse zal leiden en daardoor voor nog meer economische, politieke en maatschappelijke instabiliteit zal zorgen.

Zoals gezegd is de output gap het verschil tussen hoe snel een economie groeit en hoe snel die kan groeien. En daar valt het an sich plausibele concept eigenlijk in duigen.

Onmogelijke wiskunde

Afgaand op de stelligheid waarmee centrale bankiers over output gap spreken, neem ik het niemand die denkt dat de output gap te berekenen of enigszins nauwkeurig te schatten is, kwalijk. De waarheid is echter dat die hooguit ruw te schatten is en zeer zeker niet te berekenen is (hoewel dat het leger economen bij de centrale banken er niet van weerhoudt erover te schrijven alsof het gewoon ergens af te lezen is).

Afgaand op de stelligheid waarmee centrale bankiers over output gap spreken, neem ik het niemand kwalijk als die denkt dat de output gap te berekenen of enigszins nauwkeurig te schatten is

Vergeet niet, om de output gap te berekenen of te schatten hebben we om te beginnen de werkelijke economische groei nodig. ‘Maar dat hebben we, elk kwartaal krijgen we te horen hoe hoog de economische groei is’ hoor ik u al denken. Nou, niet bepaald. We krijgen elk kwartaal een schatting hoe hoog de groei is. Hoe snel de Nederlandse economie in 2015 is gegroeid, zullen we pas in 2017 met enige mate van zekerheid weten. In Nederland bijvoorbeeld publiceert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) altijd eerst de eerste raming van economische groei (dat is het cijfer dat u in de media tegenkomt en dat alle aandacht krijgt), gevolgd door een tweede raming enkele maanden later, wanneer meer cijfers die bedrijven en ondernemers moeten invullen, binnenstromen. Pas twee jaar later komt het CBS met iets wat het ‘de definitieve raming’ noemt: het cijfer over economische groei twee jaar eerder, dat op meer harde cijfers stoelt maar nog steeds dus een raming is. Het is pas zo een twee jaar later dat het min of meer definitieve cijfer over economische groei bekend wordt gemaakt, dus in 2017 over economische groei in 2015. Ik hoef niet eens te noemen denk ik dat de naar zuiden emigrerende vogels meer media-aandacht krijgen dan dat cijfer. Logisch, het is voor niets en niemand meer relevant.

Ongrijpbaar

Als het meten van iets tastbaars, zoals de waarde van alles wat we in een jaar maken (lees economische groei) zo’n lastige opgave is, dan is het niet moeilijk voor te stellen dat het meten van iets ongrijpbaars zoals hoe snel onze economie zou groeien als we alle middelen optimaal inzetten, helemaal een hopeloze missie is. Tel die twee moeilijkheden bij elkaar en het mag overduidelijk zijn: meten van de output gap is zó onnauwkeurig dat op basis daarvan verregaande conclusies trekken op zijn minst dubieus te noemen is.

Al met al is de conclusie dat de output gap het verschil is tussen iets waarvan we de omvang niet real time kunnen meten maar pas jaren na dato min of meer zeker weten en iets wat zelfs helemaal niet te meten of waar te nemen is maar slechts, zeer ruw, geschat kan worden. Ik weet niet wat u ervan vindt, maar om op basis hiervan stellige uitspraken te doen en een beleid te voeren dat op zijn minst potentieel zeer gevaarlijk is (wie zijn monetaire historie kent, weet dat)…ik vind het nogal ver gaan, zeker gegeven het feit dat er niets minder dat onze welvaart, ons spaargeld en onze oudedagvoorziening op het spel staan.

En het is ook niet dat we ons niet eerder aan de output-gap steen gestoten hebben. In de jaren zeventig draaiden bijna alle centrale banken in het Westen de geldkraan wijd open. De reden: de output gap was zwaar negatief, dat wisten ze zeker, iedereen die zich met het berekenen ervan bezig hield, concludeerde dat. Wat bleek jaren later? De output gap was in dat decennium min of meer 0 en soms zelfs positief (de economie groeide hárder dan wat houdbaar is)! Zij gooiden met hun beleid dus veel olie op het inflatievuurtje dat al door de outputgapwind aangewakkerd werd. Geen wonder dat de inflatie in de jaren zeventig boven de 10 procent uitkwam in veel Westerse landen.

Het ergste is daarom nog misschien wel dat onze politici en experts het allemaal klakkeloos accepteren, aanmoedigen of minstens goedpraten wat de ECB doet. Dat de eerstgenoemde groep dat doet, dat verbaast me niet. Zij vinden het gewoon leuk om geld uit te kunnen geven en wat is dan makkelijker dan een geldpersmachine te hebben. Wat ook speelt is dat een ruime meerderheid van hen geen idee heeft wat output gap is. Maar de experts, die weten het gewoon en trekken niet aan de bel. Ondertussen verliest ons spaar- en pensioengeld met de dag stukje bij beetje zijn waarde. Ik vrees dat vele Nederlanders over enkele jaren of pas in het volgend decennium de rekening gaan betalen voor die focus van onze centrale bankiers op de output gap.