Onlangs werden de deelnemers bekend aan het programma Wie is de Mol. Interessant is het om de samenstelling eens nader onder de loep te nemen, want deze lijkt met grote zorgvuldigheid tot stand gebracht.

 

In onderstaande tabel heb ik op basis van openbare bronnen op internet voor de tien deelnemers het geslacht, de geboorteplaats en het geboorteland van hun ouders trachten te achterhalen. Vooropgesteld, dit zou totaal nutteloze informatie moeten zijn, want op basis hiervan stel je toch geen deelnemersveld voor een televisieprogramma samen? Wat blijkt? De makers hebben keurig vijf mannen en vijf vrouwen geselecteerd en twee westers allochtonen en twee niet-westers allochtonen. Er lijkt ook rekening te zijn gehouden met verschillen in seksuele voorkeur.

 

Geslacht Geboorteplaats Geboorteland ouders
Jan Versteegh Man Rotterdam Nederland
Olcay Gulsen Vrouw Waalwijk Turkije
Simone Weimans Vrouw Rotterdam Suriname
Ruben Hein Man Nijmegen Nederland
Stine Jensen Vrouw Hillerod Denemarken
Loes Haverkort Vrouw Almelo Nederland
Ron Boszhard Man Amsterdam Nederland
Emilio Guzman Man Las Palmas Spanje
Jean Marc van Tol Man Rotterdam Nederland
Bella Hay Vrouw Amsterdam? Nederland

 

Als we kijken naar de CBS-gegevens voor de bevolking naar herkomst, dan zien we dat van de 17 miljoen Nederlanders er ruim 13 miljoen een autochtone afkomst hebben, ruim 2 miljoen een niet-westers allochtone en ruim 1,5 miljoen een westers allochtone. Westers en niet-westers allochtoon samen omvatten in totaal 1 op de 5 Nederlanders. Bij Wie is de Mol is dit het dubbele. Wie klaagt over te weinig kleur laat zichzelf waarschijnlijk verwarren door de samenstelling van de bevolking in de vier grote steden, die voor een derde tot de helft uit mensen bestaat die niet in Nederland zijn geboren (en waarvan een aanzienlijk deel ook niet de Nederlandse nationaliteit heeft). Waarbij overigens geldt dat de herkomst van al deze mensen heel verschillend is.

 

Randstad

Het quotadenken, waaraan blijkbaar ook de makers van Wie is de Mol zich bezondigen, is een heilloze weg. Het zwakke punt hierin is dat het gemakkelijk is om een groep te vinden die nog minder aan bod komt. Dat verraadt dan tevens de blinde vlek van de opstellers van de lijst. Al het gezeur over te weinig ‘kleur’ ontneemt het zicht op het feit dat in de media ‘mensen uit de provincie’ nog minder aan bod komen. De geograaf Josse de Voogd vestigt al een poos de aandacht op de tegengestelde opvattingen die er leven in de Randstad en in de rest van Nederland, waarbij de tweede groep in de media veel minder aan het woord komt (tot het moment dat deze op een snelweg flink van zich afbijt). Het deelnameveld van Wie is de Mol illustreert dit treffend. In bovenstaand rijtje zijn twee mensen afkomstig uit Oost-Nederland, eentje uit Zuid-Nederland en helemaal niemand uit Noord-Nederland. In deze regio’s woont wel een meerderheid van de Nederlandse bevolking. En dat gegeven staat nog los van het feit dat helemaal niemand van dit rijtje thans buiten de Randstad woonachtig lijkt.

Van de 3,5 miljoen westerse en niet-westerse allochtonen bestaat de grootste minderheidsgroep met circa 400.000 uit Turken. Dat betekent dat Friezen, die worden gerekend tot de autochtonen en deze week werden herontdekt, met een aantal van circa een half miljoen nog steeds de grootste etnische minderheid zijn in ons land. Waar het Sinterklaasjournaal alles in het werk stelt om het zwart van de Pieten te poetsen, zet het de bewoners van Fryslân in de aanloop naar de intocht zonder gene neer als een stelletje achterlijke boerenkinkels. Blijkbaar mag je al je vooroordelen publiekelijk etaleren als het om een inheemse minderheid gaat.

Het plaatje van Wie is de Mol leert ons ook een andere les: De verbetering van de positie van achtergestelde groepen en/of minderheden (in casu vrouwen en allochtonen) die luidruchtig hun plaats opeisen, gaat ten koste van andere minderheden (in casu mensen uit de ‘provincie’) en tast de dominantie van hoogopgeleide Randstedelingen niet aan. Het weekblad Elsevier liet dat al diverse malen zien voor de samenstelling van de Tweede Kamer en diverse kabinetten. Net zoals de komst van migranten de meeste impact heeft op de kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt.

 

Je doet het nooit goed

Het punt met quota is dat je het nooit goed doet. Voor elke groep die iemand opvoert met een vermeende achterstand, kan een ander met een andere groep komen waarmee het nog ‘erger’ is gesteld. Of met een voorbeeld waar de verhoudingen anders(om) liggen. Vrouwen zijn inderdaad numeriek ondervertegenwoordigd in het kabinet, maar er zit niemand met een niet-westers allochtone achtergrond in. Mannen zijn inderdaad oververtegenwoordigd in de bestuurskamers van grote bedrijven, maar ook onder degenen die achter de vuilniswagen aanlopen om het afval op te halen.

In een seculiere en door individualisme doordrongen maatschappij als de Nederlandse blijft het gedram op afkomst en identity politics verbazen en ook hoe makkelijk mensen, vooral bestuurders, plat gaan voor de argumenten die vanuit de hoek van discriminatieroepers worden aangedragen. Het juiste antwoord hierop is dat je mensen individueel beoordeelt en niet op basis van de groep waar zij al dan niet toe behoren. Dat is ook de grondslag voor artikel 1 in de grondwet en het verhaal van de Verlichting. De partijen die pleiten voor een uitbreiding van artikel 1 door daarin nog meer groepen expliciet op te nemen, slaan de plank mis. De zinsnede “of op welke grond dan ook” in dit artikel maakt dit overbodig. Nog meer groepen noemen geeft nog meer mogelijkheden aan mensen die zich met dergelijke groepen associëren om zich op basis daarvan verongelijkt of achtergesteld te voelen. En aan de overheid om ook daarvoor beleid te ontwikkelen.

 

Afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons