Opgelucht haalden vele (internationale) media adem na het bekend worden van de verkiezingsuitslag in Nederland. De gevreesde opmars van rechts-populisten was afgestopt. Tegelijkertijd was er nauwelijks aandacht voor het feit dat 1 op de 10 Nederlanders op een extreem-linkse partij had gestemd en dat zou toch zorgen moeten baren.

 

Individuele vrijheid en economisch paternalisme

In de campagne in de aanloop naar de verkiezingen van 1998 kwalificeerde toenmalig premier Wim Kok GroenLinks (GL) als extreem links en wie het economisch programma van deze partij tot zich neemt, zoals doorgerekend door het CPB in Keuzes in Kaart 2018-2021, kan lezen dat dit predicaat bijna 20 jaar later nog steeds van toepassing is.

Het paradoxale aan GroenLinks is enerzijds de wens voor maximale individuele vrijheid, die ook wordt doorgezet als wet- en regelgeving hiermee expliciet in strijd zijn. Dit uit zich onder andere in het volledig zelf willen beschikken over leven en dood (baas in eigen buik, levensbeëindiging), de consumptie van verdovende middelen en ook in het aan je laars lappen van verkeersregels, regels rond (illegaal) verblijf van vreemdelingen, verplichtingen ten aanzien van uitkering en werk en andermans eigendommen. Aan de andere kant is er het economisch paternalisme, dat de deur wagenwijd openzet naar een ongelimiteerde expansie van de bemoeienis en de omvang van de overheid. Verschillen in economische uitkomsten zijn in strijd met de door de partij aanbeden gelijkheid en de overheid moet hiertegen optreden.

De inherente spanning tussen individuele vrijheid en economisch paternalisme lijkt op het eerste gezicht moeilijk verzoenbaar. Het betreft hier echter een vrijheid zonder verantwoordelijkheid. Zodra verantwoordelijkheid voor het individuele handelen en gedrag moet worden genomen, komt dat op het bordje van de overheid te liggen. Deze moet de idealen van GL aan de rest van de maatschappij opleggen, want die verkeert in onwetendheid dat zij deze idealen heeft of weet niet wat goed voor haar is.

 

Nivelleringsfeestje

Een tweede paradox is dat een partij wier kader en achterban vooral bestaat uit hogeropgeleiden met bovenmodale inkomens zo zeer pleit voor nivellering en hoge lasten voor vooral midden- en hogere inkomens.  De vraag is of mensen met een laag inkomen op dergelijk beleid zitten te wachten. Een aanzienlijk deel van de mensen met een laag of midden inkomen is er niet op uit om hun getalsmatige meerderheid in te zetten om ‘rijken’ te pakken. Velen hechten weliswaar aan de verzorgingsstaat, maar ook aan culturele motieven. Veel maatregelen en regelingen, die de partij voorstelt, zijn dan ook niet zo zeer opgetuigd om mensen met een laag inkomen te helpen, maar uit dirigistische overwegingen om de maatschappij in een bepaalde richting te sturen. Ook zijn velen van hen werkzaam in de collectieve sector en dan is belasting betalen iets wat ten bate komt aan het hogere doel en gemakkelijk kan worden ontlopen via een extra periodiek, wat meer subsidie of het in rekening brengen van een hoger tarief.

Het GL-verkiezingsprogramma is vooral een nivelleringsfeestje, dat lasten oplegt aan en doorschuift naar de midden en hogere inkomens en het bedrijfsleven. Daarbij maakt de partij handig gebruik van de zwakheden in de modellen van het CPB. Deze zijn keynesiaans van aard. Dat wil zeggen dat bij de verhoging van de overheidsuitgaven in de nu aanstaande kabinetsperiode het bestedingseffect domineert en leidt tot een stijging van de groei en de werkgelegenheid. Per saldo stijgen de lasten niet bij GL in de komende kabinetsperiode, maar dat is een kameelneus, die doet denken aan de ‘verbeelding aan de macht’ van het kabinet Den Uyl. Dit kabinet tuigde allerlei leuke regelingen voor de mensen op, waarvan de rekening werd neergelegd bij volgende kabinetten.  Of zoals het CPB het opschrijft: “Het negatieve houdbaarheidseffect wordt vooral binnen de volgende kabinetsperiode bereikt” (p. 162). De lastenverzwaring na 2021 is 11,5 miljard euro (p. 160).

 

Enorme verschuivingen

Achter het per saldo gelijk blijven van de lasten tot en met 2021 gaan enorme verschuivingen schuil van tientallen miljarden euro’s, die ervoor zorgen dat er per saldo een kolossale lastenverschuiving optreedt van lagere inkomens naar hogere inkomens en bedrijven. Ook worden tal van nieuwe regelingen en belastingen geïntroduceerd, die echter pas volledig effect hebben in de jaren na 2021.

Waar wel onmiddellijk mee wordt begonnen is het verhogen van de belastingtarieven in de derde en vierde schijf en deze gaan ook in bij een lager inkomen. Om een nog verdere verhoging te camoufleren, komt er een werkgeversheffing voor topinkomens, die 14 procent bedraagt vanaf een inkomen van €150.000. De kinderbijslag wordt afgeschaft en ondergebracht bij het kindgebonden budget, waarvan het inkomensafhankelijke element wordt versterkt. Dit is illustratief voor het principe dat bestaande inkomensafhankelijke regelingen nog inkomensafhankelijker worden, zoals bijvoorbeeld ook de ouderenkorting. Ook komen er nieuwe inkomensafhankelijke regelingen, bijvoorbeeld in de langdurige zorg. Hetzelfde principe geldt ook voor vermogenstoetsen, die worden aangescherpt en uitgebreid. Verder wordt het niveau van de bijstand verhoogd en komt voor paren op 104,5 procent van het wettelijk minimumloon. Zo krijgen we dus de situatie dat, ook zonder het effect van inkomensafhankelijke regelingen die in het voordeel van uitkeringstrekkers uitwerken, ook de uitkering zelf al meer oplevert dan in een volledige baan werken op minimumloonniveau.

De CPB-modellen zijn gericht op het doorrekenen van individuele maatregelen en zijn niet goed ingesteld op een lawine aan nivellerende en lastenverhogende maatregelen wier cumulatief effect ook nog eens groter is dan het effect van alle maatregelen afzonderlijk. Ook hier heeft GL handig gebruik van gemaakt. De modellen zullen niet (volledig) vatten hoe mensen met een hoger inkomen en hoe bedrijven reageren op de stortvloed aan lastenverzwaringen die ze over zich heen krijgen en de cumulatie die daarbij optreedt. Een voorbeeld van deze cumulatie is de eufemistisch aangeduide geleidelijke defiscalisering van de eigen woning. Dit betekent op termijn het einde van de hypotheekrenteaftrek en het onderbrengen van de eigen woning in Box 3. Daar komt vervolgens een ‘progressieve vermogensaanwasbelasting’ overheen. Die belasting gaat in vanaf een vermogen van €1000, want dan ben je kennelijk al rijk volgens GL, en start met een tarief van 35 procent dat oploopt tot 52 procent. Dus niet alleen vervalt de aftrek, maar ook ga je nog eens stevig belasting betalen op dat deel van de waarde van je eigen woning dat uitkomt boven de hypotheeksom.

 

Kameelneuzen

Echte kameelneuzen zijn de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen en de gratis opvang voor kinderen tussen een half en drie jaar. In het eerste geval komt iedere zelfstandige in aanmerking voor een uitkering van 70 procent van het minimumloon bij arbeidsongeschiktheid. De premie wordt betaald uit de algemene middelen. Dit wordt heel handig pas volledig ingevoerd vanaf 2021, waardoor er geen effect is op de CPB-doorrekening voor de komende kabinetsperiode. De kosten voor beide regelingen schat het CPB op respectievelijk 1,2 miljard (gratis arbeidsongeschiktheidverzekering) en 2,1 miljard (gratis kinderopvang) euro. Dat is heel statisch beredeneerd, met abstrahering van gedragseffecten; bij de invoering van de WAO dacht men ook dat het gebruik beperkt zou blijven tot maximaal 250.000 personen. Het werd bijna het viervoudige.

Een programmatische vergelijking laat zien dat D66 best een eind kan meegaan in de idealen en het programma van GL. VVD en CDA moeten dit echter niet willen en dan niet alleen om economische overwegingen, maar vooral om principiële. Voor de VVD beperkt vrijheid zich niet tot vrijblijvendheid in de persoonlijke levenssfeer maar heeft een bredere werking in het maatschappelijk en economisch leven. Voor het CDA geldt dat verantwoordelijkheid nemen niet iets is wat uitsluitend de overheid moet doen, maar dat vrijheid en verantwoordelijkheid bij elkaar horen ook voor individuen en maatschappelijke en sociale verbanden. Is de CU dan een alternatief? Deze partij substitueert de staat steeds meer voor God en wil op een activistische wijze de religieus geïnspireerde doelen door de staat laten realiseren. Doelen die steeds meer samenvallen met de linkse politieke agenda. Toch is het lezen van de economische paragraaf van deze partij bijna een verademing  vergeleken met die van GL.

Te hopen is dat het onderzoeken van een mogelijke coalitie met GL het verkennen van een doodlopende weg is, die eerst moet worden afgelopen alvorens de betrokken partijen op hun schreden zullen terugkeren. Zo niet, dan zullen we natuurlijk niet meteen bovenstaande economische rampspoed volledig over ons heen krijgen, maar een slap aftreksel hiervan volstaat al voor een verwoestend effect op de economie en als de kameel eenmaal met zijn neus de tent is binnengedrongen dan volgt de rest vanzelf.