Naarmate Griekenland dieper in het financieel-economisch-politieke moeras zakt, klinkt het in Nederland uit steeds meer monden van economen, politicologen, commentatoren en vele anderen dat de grote economische en inmiddels maatschappelijke crisis in Griekenland de schuld is van alles en iedereen behálve Griekenland zelf!

Het zijn de banken want zij hebben Griekenland volgepropt met leningen. Het zijn de sluwe bankiers want zij hebben de overheid allerlei exotische producten verkocht waarmee zij de schijn kon ophouden dat het huishoudboekje van de Helleense Republiek allemaal redelijk goed uitzag. En het zijn wij. Enerzijds omdat we, toen Griekenland noodleningen nodig had, het lef hadden van Griekenland dingen in ruil te vragen om terugbetaling in de toekomst mogelijk te maken; anderzijds omdat we, nu het duidelijk is dat Griekenland al die afspraken niet nakomt, de geldkraan dicht dreigen te draaien.

Maar wat hadden de banken moeten doen in al die jaren dat de Grieken op de deuren bonkten om geld te lenen? Hadden de banken, wiens core business bestaat uit het verstrekken van kredieten, ‘nee’ moeten verkopen? Niet alleen de aandeelhouders zouden dat stompzinnig hebben gevonden. Ik denk dat dezelfde lieden die nu van de daken schreeuwen dat de bankiers en anderen verantwoordelijk zijn voor de torenhoge werkloosheid in Griekenland en de Griekse crisis in het algemeen, toen moord en brand hadden geschreeuwd want hoe dúrven die bankiers de Grieken niet mee te laten delen in het Grote-Lenen-Feest dat in het Westen gaande was.

Geen dwang

En hoewel het zo mag zijn dat verschillende bankiers de Griekse overheid in loop der tijd allerlei moreel verwerpelijke producten hebben aangesmeerd, de Griekse politici hóefden die producten niet te kopen. Ze hebben er echter vaak zelf om gevraagd. En voordat iemand gaat denken ‘maar ze begrepen ze misschien niet’, twee opmerkingen daarover. In de eerste plaats, als je iets niet begrijpt, dan hoef je het, zoals ik al stelde, niet te kopen. In de tweede plaats: het was geen keukenverkoperspraatje á la ‘nu tekenen anders gaat de aanbieding niet door’. De Griekse politici die die producten kochten, konden even aankloppen bij de Griekse centrale bank. Daar zit een leger van experts die de producten best kon doorgronden of, als het in Athene niet lukte, de hulp van de ECB en andere centrale banken uit de eurozone kon inroepen.

Hoe komt het dat Griekenland het enige land is dat die klap maar niet te boven komt?

En wat hadden de andere eurolanden moeten doen toen Griekenland om noodleningen vroeg, zonder meer honderden miljarden overmaken in de wetenschap dat het om een land gaat dat, bij ongewijzigd beleid, nooit dat geld terug zou kúnnen betalen?

De crisis die in de herfst van 2008 begon, trof niet alleen Griekenland maar álle Europese landen. Hoe komt het dan dat Griekenland het enige land is dat die klap maar niet te boven komt? Omdat Griekenland zeer veel schulden had, zei onlangs iemand tegen me op een bijeenkomst. Hij vervolgde meteen dat dat door de banken uit de andere Europese landen kwam overigens. En inderdaad, de hoogte van de Griekse staatsschuld is inmiddels episch geworden. Als we kijken naar alle schulden, dus die van de overheid, bedrijven en huishoudens samen, dan zien we dat de Griekse schuldenberg in 2000 195 procent van het Griekse bruto binnenlands product (bbp) bedroeg. In hetzelfde jaar was de totale schuld in Nederland 294 procent. In 2010 was de Griekse schuldenberg aangegroeid tot 262 procent van de Griekse economie, maar die van Nederland lag ruim boven 325 procent van het Nederlandse bbp. Alleen… als het alleen aan schulden lag, zou Nederland dan nu niet verzwolgen moeten zijn door de crisis? Hetzelfde geldt voor België (in 2000 een totale schuld van 298 procent van het bbp en in 2010 ruim 350 procent) of Zweden (320 respectievelijk 340 procent schuld). Wat dit simpele voorbeeld in de kern laat zien is dat het níet de kwestie is van alleen een hoge schuld hebben is en daardoor relatief meer kwetsbaar zijn voor de crisis. Het is iets anders.

Grieks economisch model

De Griekse regeringen hadden het financieel altijd lastig. De staatsschuld was hoog en de rente erover torenhoog. Dat kwam overigens niet zomaar uit de lucht vallen maar was een direct gevolg van het Griekse economische model. Dat model kwam er in het kort op neer dat de overheid structureel rood stond. De centrale bank zette de geldpers aan om de overheid te helpen. Alleen zorgde dat ook voor aanhoudende, hoge inflatie. Die hield de rentes van alle looptijden hoog maar zorgde er ook voor dat de lonen hard stegen (om de inflatie zoveel mogelijk bij te houden). Als de economische motoren daardoor vast dreigden te lopen, verlaagde Athene de waarde van de drachma en kon het spel vanaf het begin beginnen.

grafiek1

Het was dat economische model waardoor in 1993 bijvoorbeeld de Griekse tienjarige rente op ruim 20 procent stond. De rentelasten alleen al drukten elk jaar behoorlijk op de Griekse begroting. Niet lang na de ondertekening van het Verdrag van Maastricht werd duidelijk dat Griekenland de euro zou invoeren. Misschien niet vanaf het begin maar dan wel vlak erna. Op de rentemarkt geschiedde daardoor een wonder. In 1999 vonden we de Griekse tienjarige rente op 6 procent en in de jaren erna, toen Griekenland inderdaad een euroland werd, zakte die verder, naar het niveau van Duitsland en Nederland. Dezelfde beweging zagen we tegelijkertijd op de geldmarkt, de markt voor leningen met een looptijd van maximaal twaalf maanden. Het éénmaands ATHIBOR-tarief, de Griekse versie van de EURIBOR, zakte van 30,3 procent in 1994 naar 8,29 procent in 2000. De ATHIBOR-rentes van alle looptijden kelderden.

grafiek2

tabel1

Voor de Griekse regeringen betekenden deze spectaculaire rentedalingen jaar in jaar uit enorme meevallers op de begroting. Athene zag immers zijn rentelasten met miljarden euro per jaar zakken. Dat had zichtbaar moeten zijn in de Griekse begrotingen, die hadden door die gigantische meevallers fors moeten dalen. Die namen ook af, van circa 8 procent tekort in 1996 naar minder dan 3 procent tekort in 1999. Maar ná 1999 viel Griekenland terug in zijn oude gewoonte: tot het begin van de crisis lagen jaarlijkse begrotingstekorten van Athene tussen 5 en 10 procent van de Griekse economie (ondanks het feit dat de Europese regels dat verbieden op straffe van een boete, heeft de Europese Commissie geen cent boetes geïnd, wat Nederland financiële schade berokkend heeft).

grafiek3

Het eenmaands ATHIBOR-tarief, de Griekse versie van de EURIBOR, zakte van 30,3 procent in 1994 naar 8,29 procent in 2000 door het vooruitzicht op de invoering van de euro in Griekenland

Griekse boekhouding

Dat het Griekse begrotingstekort in 1999 zo laag was, is geen toeval. 1999 Was namelijk het beoordelingsjaar voor de Griekse aanvraag de euro te mogen invoeren. Het begrotingstekort was daarom in 1999 omlaag gedrukt door een scala aan boekhoudkundige trucs die hun weerga niet kennen maar ook door allerlei exotische derivaten – daar heb je de gewiekste bankiers – maar niet of nauwelijks door de fors lagere rentelasten. Met andere woorden, die gigantische meevallers door de spectaculaire rentedaling waren verkwanseld. In plaats van die te gebruiken om de staatsschuld te verlagen en de economie te hervormen (met de extra miljarden kun je de pijnlijke gevolgen ervan verzachten of zelfs mitigeren), gaf Athene die meevallers tot de laatste cent uit. Sterker nog, aangetrokken door de rentestanden die Griekenland sinds Aristoteles niet had gekend, gingen de Griekse regeringen méér lenen.

Het was overigens niet alleen de Griekse regering die méér ging lenen. Ook de huishoudens en bedrijven wilden meedoen met het voor de Grieken praktisch gratis geldfestijn. Tussen 1996 en 2008 steeg het aantal leningen aan Griekse huishoudens met tussen 20 en 40 procent per jaar. Ter vergelijking: Nederland, volgens velen wereldkampioen lenen, zag die leningen in dezelfde periode jaarlijks met tussen 7 en 15 procent. Kredietverlening aan de totale private sector, dus huishoudens en bedrijven, groeide in Griekenland ook veel harder dan in Nederland. Per saldo, dus als we corrigeren voor aflossingen, is de Nederlandse schuldenberg tussen 1990 en 2010 23 procent; die van Griekenland 88,5 procent, blijkt uit de cijfers van de Bank voor Internationale Betalingen in Basel. In Spanje en Portugal, die net als Griekenland de rentes spectaculair zagen dalen in die periode, namen de schulden met 89,8 respectievelijk 159,5 procent toe.

grafiek4 grafiek5

Tikkende tijdbom

Dat de Griekse overheid, gezinnen en bedrijven meer gingen lenen is an sich geen slechte zaak. Het was waar ze het geld voor gebruikt hebben, of beter gezegd níet voor gebruikt hebben, wat voor een tikkende tijdbom zorgde. Al die tientallen miljarden euro werden namelijk te weinig gebruikt om de vastgeroeste economie te hervormen en te investeren in bijvoorbeeld onderwijs om de economie beter uit te rusten voor de toekomst. Onderwijs? Zeker. Uit de cijfers van de OESO blijkt namelijk dat 68 procent van alle Grieken in de leeftijd tussen 25 en 64 voortgezet onderwijs gevolgd hebben. Dat is lager dan het gemiddelde voor de OESO-landen. En de kwaliteit van het Griekse onderwijs laat te wensen over. De gemiddelde score voor lezen, wiskunde en wetenschap is het PISA-raamwerk (Programme for International Student Assessment) dat de prestaties in het onderwijs tussen landen vergelijkt. In Griekenland ligt dat aanmerkelijk onder het OESO-gemiddelde. Er viel dus veel meer te halen uit het Griekse onderwijs, om maar wat te noemen.

Het aantal Griekse ambtenaren vervijfvoudigde tussen 1970 en 2009

Maar in plaats van te investeren, staken de opeenvolgende Griekse regeringen, ook die die te maken kregen met de eerder genoemde meevallers, geld in andere zaken. Het aantal ambtenaren bijvoorbeeld vervijfvoudigde tussen 1970 en 2009. Per jaar kwamen er 4 procent meer ambtenaren bij, blijkt uit een onderzoek van twee Griekse economen, Zafiris Tzannatos en Iannis Monogios. Het aantal werkenden in de private sector nam in dezelfde periode met minder dan 1 procent per jaar toe.

Meer ambtenaren

Dat het aantal banen in de private sector mondjesmaat toenam, had verschillende oorzaken, zoals dat het ontslaan van mensen wanneer nodig duur of nauwelijks mogelijk was. Een andere reden was de relatief hoge minimumloon. Die droeg ongetwijfeld bij aan de hoge jeugdwerkloosheid in Griekenland ook vóór de huidige crisis, namelijk ruim 16 procent. Diegenen die tegenwoordig stellen dat de Griekse problemen een buitenlandse oorzaak kennen en dat wij Griekenland daarom móeten helpen, noemen vaak de schrikbarend hoge jeugdwerkloosheid als hét argument daarvoor. Zij doen dan in feite alsof de jeugdwerkloosheid in Griekenland vóór de crisis niet of nauwelijks bestond, terwijl de cijfers iets heel anders uitwijzen dus.

Het ambtenarenleger dijde jaarlijks fors uit omdat de zittende regeringen op die manier hun kans op herverkiezing wilden vergroten. Het model was simpel: zorg dat je gedurende je mandaat veel mensen ambtenaar maakt en zij, en hun families, zullen uit dankbaarheid bij de volgende verkiezingen op je stemmen. Zeker omdat hun lonen doorgaans 50 procent hoger waren dan de lonen in de private sector. Om de ambtenaren te beschermen mocht je toch de verkiezingen onverhoopt verliezen, werd het haast onmogelijk ambtenaren te ontslaan.

In de laatste editie van de jaarlijkse corruptie-index van Transparency International vinden we Griekenland op een gedeelde 69ste plaats, onder landen zoals Rwanda, Saoedi-Arabië of Bahrein.

Het gevolg was een enorm en groeiend overheidsapparaat dat én duur, chronisch inefficiënt en tot op het bot corrupt was. Volgens de OESO was op sommige afdelingen de helft van de ambtenaren overbodig en een op de vijf departementen bij de talloze ministeries bestond alleen uit het departementshoofd! Voorbeelden zoals tientallen mensen op de afdeling ‘groenonderhoud’ van een ziekenhuis dat geen vierkante meter groen had, zijn er te over. De loonkosten voor al die ambtenaren stegen overigens elk jaar harder dan de economische groei. Intussen daalden de overheidsinkomsten elk jaar omdat het aandeel van de private sector in de economie afnam maar ook door de toenemende belastingontduiking. Belastingontduiking die te begrijpen is omdat de Griekse huishoudens en bedrijven de lasten alleen maar zagen stijgen. Immers, de grote en verder uitdijende overheid kostte steeds meer geld. Belasting ontduiken werd ook in de hand gewerkt door de inefficiënte Griekse belastingdienst. Op de laatste editie van de jaarlijkse corruptie-index van Transparency International vinden we Griekenland op een gedeelde 69ste plaats, onder landen zoals Rwanda, Saoedi-Arabië of Bahrein. In de EU-ranking is Griekenland, samen met Italië, Bulgarije en Roemenië, de lantaarndrager.

Dichttimmeren met nieuwe leningen

Zelfs de enorme meevallers door de fors lagere rentes konden het financiële gat ontstaan door de stijgende uitgaven en dalende inkomsten, niet dichten. De enorme tekorten op de begroting timmerde Athene dicht met nieuwe leningen. Niet om te investeren dus maar om de inefficiënte overheid nog groter, logger en inefficiënter te maken. Met al dat geld lenen om de financiële joekels van gaten te dichten, liep de staatsschuld verder op. Op die manier trokken de Griekse regeringen gewoon de historische lijn, ingezet door hun voorgangers, gewoon door. Hoge loonstijgingen, belastingen en premies zorgden ervoor dat de arbeidskosten tussen 2000 en 2010 met ruim 35 procent stegen, wat veel meer is dan de stijging van de productiviteit in die periode. Ter vergelijking: in de eurozone als geheel stegen de arbeidskosten in dezelfde periode met minder dan 20 procent. Met die te hoge loonstijgingen heeft Griekenland zichzelf uit de markt geprijsd.

Total loss

De opeenvolgende Griekse regeringen en de centrale bankiers hebben in loop der decennia economisch en monetair beleid gevoerd dat van de economie van hun land een niet-concurrerend, log, uitgeteld en corrupt instituut heeft gemaakt. Hadden de Griekse regeringen in een eerder stadium, met inzet van de eerder genoemde rentemeevallers, het overheidsapparaat en de economie hervormd, dan was de Griekse economie veel bestendiger tegen de harde klap uit 2008 geweest, had het land net als vele andere de klap verwerkt en waren omvangrijke noodleningen niet nodig geweest. Het zijn de Griekse politici en centrale bankiers die de Griekse economie total loss gereden hebben waardoor die nu rijp is voor sloop en niet de buitenlandse banken en overheden.

Het staat een ieder natuurlijk vrij te schrijven en op radio en TV te roepen dat alles en iedereen verantwoordelijk is voor de Griekse crisis behalve Griekenland zelf en dat wij die economie zelfs vernietigd hebben. Tegen iedereen die dat doet zeg ik: put your money where your mouth is. Er staat niemand iets in de weg mee te doen met dit crowdfundingsinitiatief om Griekenland te redden. Kom op, maak je spaargeld over, liquideer je bezittingen en stort dat geld in het fonds om Griekenland te redden. U krijgt dat geld natuurlijk tot op de laatste cent – gezien het sterke schuldgevoel zullen die lieden geen rente vragen neem ik aan – terug. Waarom? Als de toestand van de Griekse economie niet ligt aan het economisch beleid van de Griekse regeringen maar aan buitenlandse factoren, zal dat land, eenmaal verlost van de bankiers en de andere eurolanden, binnen no time zijn zaakjes op orde hebben en al dat geld kúnnen en wíllen terugbetalen. Dat lijkt me een logische conclusie. Veel succes.