Vrijhandelsafspraken maken met andere landen is een economisch uiterst zinvol beleid. Zo bezien is er niets mis met de TTIP als principe. Maar juist ómdat vrijhandel voordelig is, kan de EU zijn aandacht, tijd en energie beter steken in vrijhandelsverdragen met de vele, belangrijke, economieën waarmee we die nog niet hebben. De actuele ontwikkeling rondom de Asian Infrastructure Investment Bank laat duidelijk zien dat de EU meer naar het oosten en minder naar het westen moet kijken.

“Ik ben 80 jaar oud. Ik ben opgegroeid tijdens de Tweede Wereldoorlog en ben begonnen als ambtenaar na de oorlog. Ik dacht toen dat de VS een constructieve missie had in de wereld: om internationale instellingen op te zetten, wereldhandel te stimuleren en wat toen bekend was als ‘de vrije wereld’ te leiden. Er was toentertijd veel respect voor de VS in de wereld. Ik denk dat we een stuk daarvan hebben verloren. Deels omdat andere landen zijn gegroeid, maar deels is dat ook onze eigen schuld. De oorlog in Irak is een voorbeeld. We hebben de indruk van unilateralisme en kortaf gedrag achtergelaten. Dat strookt niet met het soort leiderschap dat ik graag zie in de wereld.” Dit is wat Paul Volcker, de legendarische voormalig voorzitter van de Fed (de Amerikaanse centrale bank) tegen me zei toen we elkaar voor het eerst uitgebreid spraken. Dat was in 2008.

Toen al maakte Volcker zich zorgen over de rol van de VS op het wereldtoneel. In elk gesprek daarna herhaalde hij deze zorgen. De laatste tijd moet ik veel aan die zorgen denken als ik bijvoorbeeld de berichten over de AIIB, de Asian Infrastructure Investment Bank, lees. De AIIB is geboren in 2014 op initiatief van de Chinese regering die ontevreden was over de snelheid waarmee de traditionele internationale soortgelijke instellingen, namelijk het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank, het toenemend gewicht van landen zoals China lieten blijken in bijvoorbeeld het aantal stemmen van China en andere opkomende landen in de besturen ervan. De AIIB is dus een concurrent van die drie instellingen die traditioneel gedomineerd worden door de Westerse landen en met name de VS. Zo is de VS het enige lid van het IMF dat vetorecht heeft in het bestuur ervan. Anders gezegd: de AIIB is een instelling die de Amerikaanse dominante positie in de wereld kan ondergraven. Kan, want als de Westerse landen er niets mee te maken willen hebben, kan Washington een stukje rustiger slapen.

edin1Vrij snel bleek echter dat veel Westerse landen in de rij staan om tot de oprichters van de AIIB te behoren. Australië en Zuid-Korea gaven als eerste ontwikkelde landen aan als founding member mee te willen doen in de AIIB. Washington reageerde als door een wesp gestoken. De Amerikaanse regering probeerde beide landen te overtuigen dat niet te doen. Beide landen negeerden de Amerikaanse bezwaren en traden in maart 2015 toe tot de AIIB. Begin maart maakte Groot-Brittannië bekend ook AIIB te steunen. Het was het eerste Westerse land dat dat deed. Vrijwel meteen kwam daar hevige kritiek op uit Washington. In een interview zei een hoge Amerikaanse functionaris dat Groot-Brittannië dat besluit nam ‘zonder te overleggen met de VS’. Die opmerking spreekt boekdelen: blijkbaar verwacht Washington dat de Westerse landen met de Amerikanen overleggen over hun buitenlands en economisch beleid. De Amerikaanse wond naar aanleiding van het Britse besluit was nog vers toen drie andere grote Westerse landen er zout in gingen wrijven: vrij snel na het Britse besluit tot de AIIB toe te treden, besloten ook Duitsland, Frankrijk en Italië hetzelfde te doen. Op het moment van schrijven telt de lijst van de oprichters van de AIIB 57 landen, waaronder Nederland, alle Scandinavische landen, Polen, Brazilië, Oostenrijk, Zwitserland, Zuid-Afrika, Rusland, India, Turkije en Spanje. Van de grote economieën op de wereld zijn alleen Japan, Canada en de VS niet op die lijst te vinden. En van die drie overweegt Canada zich alsnog aan te sluiten, net als België overigens.

AIIB verovert de wereld snel

edin2

Blauw = oprichters van de AIIB

Bruin = landen die niet willen toetreden tot de AIIB of waarvan de aanvraag afgewezen is

Geel = landen die het lidmaatschap van de AIIB aangevraagd hebben / dat overwegen te doen

 

TTIP

Het wordt steeds duidelijker dat de dominante positie van de VS in de wereld erodeert. De AIIB zet dat proces niet in gang maar maakt het alleen duidelijk zichtbaar. Nederland doet mee met de AIIB, en veel andere EU-landen, en dat is goed: uit zo goed als alle economische toekomstscenario’s blijkt dat de (economische) toekomst ten oosten van ons ligt, niet ten westen. Het zwaartepunt van de wereldeconomie verschuift van het Westen naar het Oosten en dáár moeten we op inspelen. En daarmee kom ik tot een andere hot issue in de politiek-economische wereld anno 2015 die net als de AIIB uit vier letters bestaat: de TTIP.

TTIP staat voor het Transatlantic Trade and Investment Partnership, ofwel een vrijhandelsakkoord tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie (en een aantal andere Europese niet-EU landen; voor het gemak zullen we verder in dit artikel het alleen over de EU hebben als de Europese partner in het geheel). Het TTIP is nog alles behalve een feit; er wordt volop onderhandeld over de precieze inhoud van het vrijhandelsverdrag. Hoewel de onderhandelingen dus nog gaande zijn, is er heel veel tegenstand. In veel Europese landen, maar ook buiten Europa, demonstreren velen tegen het TTIP.

De EU heeft nog geen handelsverdrag met onder meer alle BRIC-landen en – op Zuid-Korea na – heel Azië, Australië en Nieuw-Zeeland maar wél met Zimbabwe, Bahamas en de Seychellen.

In het kort beweren de voorstanders van het TTIP dat het vrijhandelsverdrag tussen de twee grootste economische blokken in de wereld voor meer economische groei en banen zal zorgen. De tegenstanders stellen dat het TTIP slecht zal uitpakken voor het milieu en voedselveiligheid in de EU. Dat laatste omdat het verdrag vooral de zogeheten niet-tarifaire belemmeringen voor de handel tussen de VS en de EU zal wegnemen. Met andere woorden: de standaarden onder meer op het gebied van voedselveiligheid zullen gelijkgetrokken worden omdat de kans groot is dat de afspraak zal zijn dat men elkaars standaarden automatisch erkent. Aangezien de Amerikaanse voedselveiligheidsstandaarden doorgaans minder strikt zijn dan de Europese, zou TTIP betekenen dat de EU-deuren wijd open zullen gaan voor Amerikaanse voedselproducten die op dit moment de EU niet of nauwelijks binnen komen omdat ze niet voldoen aan de EU-standaarden.

Afkeer van vrijhandel als principe

Andere bezwaren betreffen het verlies van de soevereiniteit en dat grote bedrijven meer macht zullen krijgen. Het soevereiniteitsvraagstuk betreft de vrees dat de nationale parlementen de uiteindelijke tekst alleen kunnen aannemen of afwijzen. Eenmaal aangenomen kunnen de afspraken gewijzigd worden alleen bij unanimiteit wat in feite betekent dat wijzigen onmogelijk is. En grote bedrijven krijgen volgens de tegenstanders meer macht omdat iets wat Investor-State Dispute Settlement (ISDS) heet een onderdeel zal zijn van het verdrag. ISDS houdt in dat bedrijven staten kunnen aanklagen als die staten wetten aannemen die de winst van zo een bedrijf kunnen aantasten. Dus als Nederland in de toekomst ooit een ingrediënt dat in Coca Cola zit verbiedt, bijvoorbeeld vanwege gezondheidsredenen, kan Coca Cola Corp de Nederlandse Staat aanklagen voor het verlies van winst. Omdat die procedures duur zijn, bestaat de vrees dat alleen grote bedrijven daar gebruik van zullen kunnen maken.

Wat in de zeer verhitte discussie over TTIP opvalt, is dat de tegenstanders zich vaak niet alleen tegen het TTIP lijken te keren maar steeds vaker tegen het principe van vrijhandel an sich. De belangrijkste reden is dat grote bedrijven meer macht krijgen. Economisch bezien is die afkeer van vrijhandel als principe een zeer slechte zaak.

Vrijhandel tussen landen is de beste manier om de welvaart in alle deelnemende landen te vergroten. Nederland is een prima voorbeeld: het was onze handelsgeest en onze open grenzen die Nederland rijk hebben gemaakt in loop der tijd. Het was de bloeiende handel met het buitenland die ons onze Gouden Eeuw opgeleverd heeft. Dat de Europese landen al vrij snel na de Tweede Wereldoorlog in Europa gingen werken aan een interne markt, door allerlei handelsbelemmeringen te slechten, is een ander voorbeeld. Die landen die ervoor kozen zo min mogelijk handel te drijven met het buitenland (en dus zoveel mogelijk zelfvoorzienend te zijn) zijn niet bepaald landen die we met grote economische successen associëren. Anno 2015 is Noord-Korea wellicht het beste voorbeeld. De afgelopen decennia hebben onder meer Albanië en Roemenië het ook geprobeerd. Wat volgde was een regelrechte ramp voor die landen en de bevolking ervan.

Het echte gevaar is dat de publieke opinie zich door de TTIP massaal nog meer tegen vrijhandel an sich zal keren, waardoor gewenste en broodnodige vrijhandelsverdragen met de andere landen en regio’s buiten de VS, vrijhandelsverdragen die onze economie en onze welvaart echt zouden helpen, onmogelijk kunnen worden.

Dit is wat eerstejaars studenten economie al te leren krijgen, als theorie van comparatieve voordelen. Die theorie zegt dat de welvaart van landen toeneemt als zij zich specialiseren in het maken van bepaalde goederen of diensten en vervolgens handelen met andere landen om alles te krijgen wat ze nodig hebben in plaats van zelf alles proberen te maken wat ze nodig hebben. Die theorie toont aan dat zelfs een land dat álles goedkoper kan maken dan welk ander land dan ook, nog steeds beter af is als het zich gaat specialiseren en handel gaat drijven met het buitenland. Een land dat kiest voor zo min mogelijk handel met andere landen kiest er dan in feite voor om eigen welvaart niet te maximaliseren.

Handel EU-VS bloeit al

Vrijhandel is dus goed en zeer gewenst. De volgende vraag met betrekking tot de TTIP is dan of de handel tussen de VS en de EU nog vrijer gemaakt kán worden. Eerst wat feiten. Uit de cijfers van het Europese bureau voor de statistiek, Eurostat, blijkt dat de EU-landen in 2002 spullen ter waarde van 885 miljard euro verkocht hebben in de VS. Omgekeerd kochten we goederen ter waarde van 937 miljard euro van de Amerikanen. Behalve in de jaren waarin er sprake was van een recessie, zoals in 2009, steeg de onderlinge handel elk jaar. In 2008 bijvoorbeeld verscheepten de EU-bedrijven goederen ter waarde van 1.309 miljard richting de Amerikaanse havens; omgekeerd meerden in de EU-havens schepen met de Amerikaanse spullen die samen 1.585 miljard euro waard waren. In 2014 waren beide bedragen gestegen tot 1.702 miljard euro respectievelijk 1680 miljard. Kortom, de onderlinge handel tussen Europa en Amerika bloeit en dat is toe te juichen. Kan dat nog beter? Het antwoord is ‘ja’.

De toegevoegde waarde van een vrijhandelsakkoord zal echter waarschijnlijk relatief mager zijn omdat de handel tussen die twee blokken al relatief vrij is van allerlei tarieven en quota’s. Als twee landen die over en weer hoge tarieven voor invoer van elkaars spullen hanteren die laten vallen, dan is een explosie in onderlinge handel te verwachten. Maar als de tarieven al laag zijn of zelfs niet bestaan, zal het effect van een verdere liberalisering relatief klein zijn. Maar omdat er altijd wel wat handelsbarrières te slechten zijn, is een vrijhandelsverdrag tussen de twee niet bij voorbaat af te wijzen. De zaak is dan ook TTIP goed te regelen en niet om TTIP naar de prullenbak te verwijzen. En te vaak wordt één cruciaal punt met betrekking tot de TTIP zo goed als vergeten: de uiteindelijke tekst zal het gevolg zijn van onderhandelingen waar de EU-landen aan meedoen, het is niet zo dat de EU een tekst krijgt en daarmee moet instemmen.

Die tekst zal wel een compromis zijn tussen de EU en de VS. Het heet niet voor niets dat beide partijen onderhandelen; het is niet zo dat één partij zijn wensen oplegt aan de andere. Dat betekent bijvoorbeeld wel dat níet álles wat erin staat volgens de wensen van de EU zal zijn. Maar als dat de maatstaf wordt om iets af te wijzen, dan weet ik er nog een paar. Het leven is vol met compromissen waar we wel beter van worden dan als we die compromissen niet zouden sluiten. De EU kan niet op alle punten zijn zin krijgen, ook omdat de andere partij achter de onderhandelingstafel de grootste economie ter wereld is. Dat betekent dat de kans groot is dat de VS in de uiteindelijke TTIP-tekst op veel punten zijn zin zal krijgen. Maar nogmaals: omdat vrijhandel goed is, mag dat géén reden zijn TTIP dan maar op te blazen. De EU moet TTIP dus zeker niet afwijzen maar zich wel hard opstellen in de onderhandelingen. Dit om twee redenen.

Als de EU moet kiezen dan liever een vrijhandelszone tussen Lissabon en Vladivostok dan tussen Vilnius en Vancouver.

De eerste reden waarom de EU zich hard moet maar ook kán opstellen tegenover de VS: zoals gezegd bloeit de onderlinge handel tussen Europa en Amerika sinds het begin van deze eeuw. Wat daarbij opvalt is dat waar het een lange tijd zo is geweest dat de EU een handelstekort met de VS had, lees de EU verkocht altijd minder spullen in de VS dan wat zij uit de VS haalde, de laatste jaren de rollen zijn omgedraaid: sinds 2013 verdienen wij per saldo aan onze handel met de VS. Van de EU hoeft het huidige handelsstelsel met de VS niet te veranderen, wij vinden het wel prima zo.

Meer aandacht voor het oosten

De EU kan bijvoorbeeld erop staan dat het vermaledijde ISDS-clausule uit het vrijhandelsakkoord blijft. Het sterkste argument van de voorstanders ervan lijkt te zijn dat het ISDS deel uitmaakt van bijna alle andere vrijhandelsakkoorden. So what!? Dat is een net zo sterk argument als het argument van de voorstanders van de euro dat die munt onomkeerbaar is. Slaat ook nergens op. Bovendien: als een bedrijf vindt dat het schade lijdt door een wet dat een soeverein land aanneemt, dan hebben we in zowel de EU als de VS rechters die zich prima over zulke klachten kunnen buigen. Er is geen noodzaak voor parallelle stelsels op dat gebied.

Tot slot dan het, in mijn ogen, belangrijker punt dan de TTIP. Zoals reeds geconcludeerd is vrijhandel met andere landen goed. Eerder in dit stuk noemde ik al het feit dat het economisch zwaartepunt in de wereld al verschoven ís en de komende jaren en decennia verder zal verschuiven naar de opkomende landen, met name die in Azië. Naar het oosten dus. Dat is dan ook waar de EU naar moet kijken als de unie zijn toekomstige welvaart belangrijk vindt. De EU moet veel eerder vrijhandelsverdragen sluiten met de economische grootmachten van morgen dan met die van gisteren en vandaag. En dat is waar het aan schort in de unie. Uit het overzicht van de handelsverdragen van de EU met de rest van de wereld, opgesteld door de Europese Commissie, blijkt dat de EU talloze vrijhandelsverdragen heeft met onder meer Seychellen, Zimbabwe, El Salvador, Bahama’s en Papua Nieuw Guinea. De EU heeft nog geen (geldige) handelsverdragen of is vaak zelfs niet eens in gesprek om onderhandelingen voor zo een verdrag te starten met onder meer alle BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India en China) maar ook grote economieën zoals die van Indonesië, Thailand, Vietnam – en, op Zuid-Korea na, heel Azië wat dat betreft – Australië en Nieuw-Zeeland. Alleen al de BRIC-landen hebben samen een economie die net zo groot is als die van de VS.

Voor zijn toekomstige welvaart kan de EU dan ook zijn tijd, aandacht en energie beter richten op het afronden of starten van vrijhandelsonderhandelingen met die landen in plaats van TTIP met de VS snel proberen te sluiten. Het sluiten van handelsverdragen met die landen zou voor de EU ook om nog een reden voordeliger zijn. Waar bij de onderhandelingen in het kader van de TTIP de EU de zwakkere partij is, zou bij vrijhandelsgesprekken met de genoemde economische grootmachten van morgen veel minder, of zelfs niet, het geval zijn. De EU zou dan meer van de eigen wensen en standaarden bijvoorbeeld in het uiteindelijke verdrag kunnen krijgen.

Vrijhandelsverdragen van de EU: stand van zaken

edin3

Groen en geel = De EU en de European Economic Area

Rood = landen waarmee de EU vrijhandelsverdragen heeft

Wit = landen waarmee de EU nog niet eens praat over een vrijhandelsverdrag

Bron: Europese Commissie

En ook: als het de EU-landen te doen is om de welvaart van de eigen bevolking, dan is er in eigen huis ook nog heel wat werk te verrichten. De EU heeft een interne markt voor goederen maar die in diensten is nog ver weg. Probeer maar eens zomaar een bakkerij te openen in Duitsland of Frankrijk of als dakdekker, stratenmaker of architect in een ander EU-land aan de slag te gaan. Dat mag niet zomaar, want deze beroepen zijn, met honderden andere beroepen, beschermd in veel EU-landen. Of probeer in Nederland een uit een ander EU-land ingevoerd voertuig te registreren zónder BPM af te tikken. Gaat niet lukken. Die interne markt is vaak een illusie. Terwijl als de markt in diensten vrij zou zijn doen in de EU dat elk jaar tussen 0,7 en 2,3 procentpunt extra economische groei zou opleveren volgens verschillende schattingen. Voor Nederland betekent een echte Europese dienstenmarkt dus élk jaar tussen 4 en 14 miljard échte euro’s extra. Niet éénmalig maar jaar in jaar uit.

Hoewel TTIP als principe toe te juichen is, is stug vasthouden aan die onderhandelingen, het proberen die zo snel mogelijk af te ronden en de onderhandelingen achter gesloten deuren, op een geheimzinnige manier te voeren een groot gevaar. Het gevaar is niet dat er chloorkippen de EU-supermarkten overspoelen, gevaarlijk voedsel op onze tafels belandt of de Amerikaanse bedrijven onze overheden kaal zullen plukken. Het echte gevaar is dat de publieke opinie zich door de TTIP massaal nog meer tegen vrijhandel an sich zal keren, waardoor gewenste en broodnodige vrijhandelsverdragen met de andere landen en regio’s buiten de VS, vrijhandelsverdragen die onze economie en onze welvaart echt zouden helpen, onmogelijk kunnen worden. TTIP mag en moet komen, maar veel beter zou het zijn om eerst vrijhandel te regelen met Brazilië, China, Indonesië, India en andere grote markten en economieën in de wereld. Als de EU moet kiezen dan liever een vrijhandelszone tussen Lissabon en Vladivostok dan tussen Vilnius en Vancouver. Liever de TUTP (de Trans-Ural Trade Partnership) dan de TTIP.