Globalisering kan goed uitpakken voor iedereen. Toch is dat de afgelopen decennia per saldo niet gebeurd. En dat komt door de centrale banken.

Er zijn slechts een paar dingen die je met 100% zekerheid kan voorspellen. Een daarvan is dat een ruime meerderheid van de chief executive officers (ceo’s) in elke enquête aangeeft globalisering een goede zaak te vinden. En dat is allesbehalve een onzinnig antwoord. Globalisering is iets wat de internationale handel en kapitaalstromen makkelijker en goedkoper kan laten verlopen. Het kan alles en iedereen bevoordelen. De nadrukt ligt hier op het woordje ‘kan’. Want de globalisering van de afgelopen decennia heeft dat níet gedaan.

Europa

De Europese Unie is niets anders dan de Europese uiting van globalisering. Meer samenwerking, vrij verkeer van kapitaal, goederen en (in veel mindere mate) diensten, dat zijn de pijlers waarop de EU rust. Toch is de weerstand ertegen groot en groeiend, zelfs in landen die een belangrijk deel van hun welvaart te danken hebben aan internationale handel, zoals ons land.

Deze ogenschijnlijk vreemde zaak is alleen vreemd op het eerste gezicht. Globalisering heeft namelijk eerder nadelig dan voordelig uitgepakt voor veruit de belangrijkste groep in iedere maatschappij: de middenklasse.

Globalisering had in ieder geval drie gevolgen moeten hebben, namelijk lagere loonstijgingen, hogere winsten voor bedrijven en dalende prijzen. Hoe dat zo?

Globalisering niet voltooid

Lagere loonstijgingen gaan hand in hand met toenemende globalisering omdat globalisering onder meer inhoudt dat China nu meedoet met de wereldeconomie. Anders gezegd: de wereldmarkt voor arbeid is stukken internationaler geworden en het aanbod van arbeid is fors toegenomen. Honderden miljoenen werknemers meldden zich voor het eerst op die mondiale arbeidsmarkt. Omdat de internationale handel en het internationaal zakendoen in loop der tijd veel gemakkelijker en goedkoper zijn geworden, maar vaak ook voor het eerst mogelijk – denk aan het verplaatsen van de productie naar China – was er inderdaad sprake van een mondiale arbeidsmarkt. Die toenemende concurrentie op die markt en het feit dat het aanbod van arbeid veel sterker toegenomen is dan de vraag ernaar, leidt tot neerwaartse druk op de lonen. De wet van vraag en aanbod, de hoeksteen van een vrijemarkt economie, zegt dat.

Als de lonen minder hard stijgen en bedrijven tegelijkertijd hun productie verplaatsen naar goedkope oorden, de efficiëntie verhogen en productiever worden door technologische innovatie, dan is het niet vreemd dat de winsten bij bedrijven fors zijn gestegen in de afgelopen decennia.

Die twee effecten hebben zich inderdaad voorgedaan in het Westen. De ontwikkeling van de arbeidsinkomensquote, die aangeeft hoe groot het aandeel van de lonen in de totale Nederlandse economie is, blijkt dat dat aandeel begin jaren tachtig het hoogtepunt bereikte. Toen waren de lonen goed voor ongeveer 87 procent van het nationale inkomen in Nederland. Dat aandeel zakte na 1982 rap en lag in 1990 een fractie onder de 80 procent. Na een kortstondige opleving begin jaren negentig kwam de klad er weer in.

Grafiek Arbeidsinkomensquote in Nederland

arbeidgrafiek

En Nederland is geen uitzondering. Hetzelfde patroon zien we in alle ontwikkelde landen. In de zogeheten G10-landen, een groep bestaande uit Frankrijk, Duitsland, Nederland, België, Italië, Groot-Brittannië, Verenigde Staten, Canada, Japan en Zweden, zijn de lonen als percentage van het bbp gedaald van bijna 63 procent in 1975 naar onder de 59 procent in 2006, volgens de gegevens van de Bank voor Internationale Betalingen uit Basel. Bedrijfswinsten stegen tegelijkertijd behoorlijk.

Marktwerking buiten spel gezet

Het is echter níet het geval dat globalisering de middenklasse opeet door langzamer stijgende lonen. De kern van het probleem zit hem in het feit dat het derde gevolg van globalisering zich niet gemanifesteerd heeft: de prijzen zijn niet gaan dalen. De centrale banken hebben dat namelijk met man en macht tegengehouden.

Globalisering had een gunstig effect moeten hebben op de koopkracht. De globaliseringsgolf sinds het einde van de jaren zeventig stuwde de arbeidsproductiviteit behoorlijk op. Tel daarbij op de enorme technologische vooruitgang, deregulering en het feit dat globalisering de internationale handel simpeler, efficiënter en goedkoper maakte, dan hadden de prijzen van heel veel spullen die we aanschaffen behoorlijk moeten dalen al die tijd. Dát effect van globalisering hebben we echter niet gezien; sinds 1980 zijn de prijzen in het Westen doorgaans met 60 procent of meer gestégen. Dit is iets waarvoor de Westerse centrale banken verantwoordelijk zijn. Zij voerden al die tijd namelijk een beleid dat gericht was op jaarlijkse prijsstijgingen, ongeacht waardoor de prijzen omlaag worden geduwd, zoals technologische vooruitgang, toenemende productiviteit en globalisering. Al die zaken hadden, in een vrije markt, moeten leiden tot fors dalende prijzen, met andere woorden, tot structurele deflatie. Net zoals dat eind 19de eeuw is gebeurd.

Tussen 1880 en 1914 beleefde de wereld óók een periode van rap toenemende globalisering en technologische vooruitgang. De industriële revolutie in Europa maakte plotseling goedkope productie van allerlei spullen mogelijk. De machines maakten het productieproces goedkoper, onder meer doordat bedrijven konden profiteren van schaalvoordelen. Een snelgroeiende bevolking garandeerde de afzet en het Europese imperialisme zorgde voor enorme nieuwe markten voor Europese producten. De Europeanen boorden nieuwe voorraden grondstoffen in hun koloniën aan, wat de productie ook al ten goede kwam. Het duurde niet lang of de prijzen begonnen fors te dalen. Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten: overal zakten de prijzen rap. In Nederland daalde de prijsindex van 63 punten in 1880 naar 48 punten in 1896. Met andere woorden, de prijzen in 1896 waren 25 procent lager dan 15 jaar ervoor. De prijzen daalden elk jaar tussen 1880 en 1896 met ruim 1 procent. Die jaren van prijsdalingen, gingen gepaard met stijgende welvaart, concludeerde zelfs het Internationaal Monetair Fonds in een onderzoek.

De onzichtbare hand van de markt die toen wel aan het werk was, kreeg echter geen kans in de globaliseringsgolf sinds eind jaren zeventig; de zichtbare hand van de centrale banken was veel sterker. De centrale banken hebben dat effect van de globalisering, dalende prijzen, uitgeschakeld.

Funest

Lagere loonstijgingen in combinatie met aanhoudende inflatie was een regelrechte ramp voor met name de middenklasse. Maar waarom komt de middenklasse dan pas de laatste jaren in opstand, waarom is dat niet veel eerder gebeurd? Omdat het voor die middenklasse een lange tijd niets aan de hand leek te zijn. De middenklasse had het juist ogenschijnlijk goed omdat iedereen de afgelopen decennia naar hartelust kon lenen. Dat op grote schaal lenen camoufleerde de ramp die middenklasse trof. De camouflage is door de huidige economische crisis echter weggevallen. Men is erachter gekomen dat dat spel alleen kan doorgaan als iedereen kan blijven lenen om oude schulden af te lossen en meer te blijven uitgeven dan wat er binnenkwam. In 2008 is dat spel gestopt. De maskers zijn afgevallen en de middenklasse ontdekte langzaam maar zeker dat globalisering juist voor de middenklasse zeer slecht heeft uitgepakt. Het is echter níet de globalisering, vrijhandel, deregulering en technologische vooruitgang waarop de woede van de middenklasse zich moet richten. Het zijn de centrale banken die de middenklasse in feite beroofd hebben van heel veel welvaart die globalisering, als de markt zijn werk kon doen, had moeten opleveren. De welvaart die het opgeleverd heeft is voor een groot gebaseerd op torenhoge schulden. En daarmee is het geen welvaart. Net is nepwelvaart.