Onlangs ben ik uitvoerig ingegaan op de ogenschijnlijk vreemde zaak dat aanhoudend gelddrukken door de ECB en de Fed niet heeft geleid tot hoge inflatie. In die beschouwing omschreef ik onder meer dat de geldgroei de cruciale rol speelt daarbij. Zonder te veel geldgroei geen inflatie op de middellange termijn; wil je als centrale bank inflatie hebben op de middellange termijn, dan hoef je alleen maar de geldpersen aan te zetten en dat vol te houden.

Dat te veel geld in omloop inflatie teweegbrengt, blijkt uit talloze episodes uit de monetaire historie. In 1995 hebben twee economen van de regionale centrale bank in Minneapolis (VS) bijvoorbeeld gekeken naar de relatie tussen geldgroei en inflatie over een lange periode. Samen met de statistieken van het Internationaal Monetair Fonds over geldgroei en inflatie in de ruim 100 lidstaten (dus het argument dat de onderzoekers de periode uitgezocht hebben die hen goed uitkwam respectievelijk dat ze selectief een paar landen hebben gekozen, gaat niet op) blijkt de relatie op de middellange termijn ijzersterk te zijn.

Waarom die relatie op de middellange termijn wél en op de korte termijn niet sterk is en waarom dat laatste dus géén argument kán zijn om te stellen dat geldgroei er niet toe doet, is de kern van de monetaire economie, daar heb ik eerder uitvoerig over geschreven. Als u weer eens iemand hoort zeggen of ergens leest dat gelddrukken voor de Fed en de ECB niet inflatoir is omdat het nog niet tot inflatie heeft geleid, dan weet u in ieder geval één ding zeker: die persoon heeft geen kaas gegeten van de monetaire economie, hij/zij is een kenner ervan net zoals ik een kenner van scheikunde ben (begrijp er geen snars van).

Op naar het dorp Stabilia

Wellicht is een voorbeeld hier op zijn plek. Voordat we naar een denkbeeldig dorp, laten we die Stabilia noemen, gaan: inflatie is een algemene prijsstijging, dus bijna alles wordt dan duurder en niet alleen voedsel of iets anders. Stel nu dat in Stabilia, een geïsoleerd dorp met vijftig huishoudens, plotseling de vraag naar graan toeneemt bijvoorbeeld door een geboortegolf, maar het aanbod niet. Daardoor wordt graan veel duurder. Tegelijkertijd zijn er in dat dorp 200 zilvermunten in omloop: elk huishouden heeft er vier. Vóór de stijging van de vraag naar graan kostte één kilo graan één zilvermunt. Na de vraagtoename is de nieuwe prijs twee zilvermunten. Omdat iedereen graan eet, gaat nu ineens de helft van het inkomen van het huishouden op aan eten in plaats van een kwart. Dus terwijl vroeger elk huishouden drie zilvermunten overhad voor andere producten, zoals hout, vlees en kleren, zijn dat nu nog maar twee zilvermunten.

Centrale bankiers, veel economen en anderen roepen vaak dat de inflatie-oorzaken complex zijn, je moet er flink voor doorgestudeerd hebben om dat complexe samenspel van factoren te kunnen snappen. Dat is onzin

Dat betekent dat de vraag naar hout, vlees en kleren daalt. Immers, de dorpelingen hebben er ineens veel minder geld voor. Door die afnemende vraag dalen dan al snel de prijzen van vlees, hout en kleren. In Stabilia is daarom geen sprake van inflatie. Voedsel is weliswaar duurder, maar hout, kleren en vlees zijn goedkoper. Tellen we alles bij elkaar op, dan is het mandje goederen voor ons dorp niet duurder geworden. Economen spreken in dit geval van veranderingen van relatieve prijzen: één kilo graan is veel meer hout waard dan voorheen, maar er is geen inflatie. Maar stel nu dat in ons dorp een dorpeling in de heuvels net buiten Stabilia zilver vindt. Zo veel zilver dat de dorpssmid er 200 zilvermunten van kan maken. Per huishouden zijn er dan niet vier maar acht zilvermunten. Wanneer de graanprijs nu van één naar twee zilvermunten gaat, gaat dat niet ten koste van de vraag naar hout, vlees en kleren. Sterker nog, de vraag daarnaar stijgt ook, omdat elk huishouden na graanaankopen zes zilvermunten overheeft, en niet drie zoals in de vorige situatie. In dit geval worden zowel voedsel, hout, vlees én kleren duurder. Nu is er wél sprake van inflatie. Het enige verschil met de eerste situatie is dat de geldhoeveelheid is gestegen.

Kaas en diploma’s

Wat diegenen die ondanks het overweldigende bewijs voor de these dat te veel geld in omloop voor inflatie zorgt vaak als argument gebruiken, is dat correlatie geen causaliteit betekent. Dus dat de laatste decennia de consumptie van kaas en het aantal afgestudeerden aan de Nederlandse universiteiten beide zijn gestegen, wil niet zeggen dat het een de ander veroorzaakt heeft.

Het zijn niet de oliesjeiks, de vakbonden, de ondernemers, het weer of wie of wat dan ook die de inflatie veroorzaken maar de centrale banken, altijd en overal

Omdat dit soort voorbeelden geven door diegenen die zeggen dat geldgroei en inflatie niets met elkaar te maken hebben altijd indruk maakt (en zorgt voor gelach), komen ze met hun onjuiste bewering weg. Dat argument, correlatie is geen causaliteit, is dan het slot van de discussie want verder bewijs acht men niet nodig en de onwetende toeschouwer, kijker of lezer is vaak ermee overtuigd.

Omdat dat onjuist is (andere onderzoekers hebben ook gekeken naar wat nou wat veroorzaakt: hoge geldgroei de inflatie in inflatie die hoge geldgroei en zij concluderen dat het de hoge geldgroei is die de inflatie ontketent en niet andersom), schrijf ik ook dit soort long reads zodat u de volgende keer als u een ‘expert’ op de TV ziet, op de radio hoort of in de kranten leest (zij krijgen heel veel ruimte namelijk, zoals laatst op de opiniepagina’s van het FD) beter zult weten.

Een ander argument dat de relatie tussen geldgroei en inflatie onzin is dat ik keer op keer voor de voeten krijg verworpen in talloze discussies over inflatie, is Japan. Daar is de centrale bank al twintig jaar lang bezig met quantitative easing om inflatie te ontketenen en het is al die tijd niet gelukt. Elke keer als ik ergens een debat heb over inflatie, wacht ik met smart op dit argument (het is geen kwestie van óf dat argument valt maar slechts een kwestie van tijd dat dat gebeurt). Japan is namelijk een uitstekend voorbeeld…maar niet dat die relatie niet bestaat maar dat die wél bestaat!

Japan als voorbeeld

Sinds 1995 dalen de prijzen in het land van de rijzende zon. Volgens de officiële inflatiecijfers van het Japanse bureau voor de statistiek waren tussen 1995 en het begin van de huidige crisis zeven jaren waarin de prijzen zijn gedaald. In evenveel jaren stegen de prijzen echter. Per saldo waren de prijzen in 2008 in Japan iets hoger dan in 1995. Met andere woorden, per saldo was er sprake van inflatie in Japan over die periode.

Er is dus geen sprake van een diep deflatiemoeras in Japan, zoals velen vaak beweren (blijkbaar geldt dat als je iets tien keer zegt het ene feit wordt, ondanks het feit dat de cijfers iets heel anders laten zien). Kijken we vervolgens naar de geldgroei in Japan dan zien we dat die in 1990 rap is gaan dalen. Groeide de geldhoeveelheid eind jaren tachtig nog met ongeveer 13 procent, begin jaren negentig nam die niet meer toe. Sindsdien bedraagt de gemiddelde groei van de geldhoeveelheid in Japan ongeveer 2 á 3 procent per jaar. Zoals gezegd kwam inflatie en deflatie tussen 1990 en de huidige crisis in Japan even vaak voor. Gezien het feit dat de geldhoeveelheid nauwelijks toenam, is dat volkomen logisch. Japan is dus niet hét voorbeeld dat het verband tussen geldgroei en prijzen er niet is. Japan is juist hét voorbeeld dat het verband tussen geldgroei en prijzen zeer sterk is (het is altijd een genot de opponenten te zien zoeken naar mogelijkheden de discussie een andere kant op de sturen wanneer ik met deze cijfers en feiten over Japan aan kom zetten).

Geldgroei is niet alleen zeer belangrijk voor monetair beleid, geldgroei onder controle houden ís in feite het enige juiste monetaire beleid voor een centrale bank die de inflatie laag wil houden

Kortom, de conclusie trekken dat geld ertoe doet als we het over inflatie op de middellange termijn hebben is ten eerste zeer gerechtvaardigd en ten tweede nog een understatement ook. Het is namelijk niet alleen dat geld ertoe doet voor inflatie op middellange termijn, geld is het énige wat inflatie veroorzaakt op termijn.

Oliesjeiks en vakbonden veroorzaken geen inflatie

Wat vaak beweerd wordt en wat helaas ook alle studenten economie leren, is dat er zogeheten cost-push inflatie is, ofwel kostprijsinflatie. Dat komt erop neer dat inflatie stijgt wanneer de kosten voor bedrijven stijgen, denk aan loonkosten. Als bedrijven hogere lonen moeten betalen, dan berekenen ze dat door aan de consument. Dat doorberekenen zorgt voor inflatie. Heel plausibel maar in de kern niet juist.

Er is namelijk geen kostprijsinflatie, dat is een fabeltje! Het zijn niet de oliesjeiks, de vakbonden, de ondernemers, het weer of wie of wat dan ook die de inflatie veroorzaken maar de centrale banken. Zonder te veel geld in omloop zijn een hoge olieprijs, forse loonstijgingen en prijsverhogingen van producten vaak niet mogelijk en leiden ze zeker niet tot inflatie. Niet mogelijk omdat een oliesjeik wel 500 dollar kan vragen voor een vat olie of vakbonden 20 procent hogere lonen kunnen eisen, als er geen extra geld in omloop komt, moet die sjeik, wil hij van zijn olie af, de prijs verlagen en de vakbonden moeten met veel minder genoegen nemen. Denk terug aan Stabilia!

Dat alles neemt niet weg dat centrale bankiers, veel economen en anderen maar blijven roepen dat de inflatie-oorzaken complex zijn, je moet er flink voor doorgestudeerd hebben om dat complexe samenspel van factoren te kunnen snappen. Dat is onzin. Het enige wat u moet onthouden is dat te veel geld in omloop de prijzen aanjaagt. En wie beheren de geldpersen ook alweer?

Het mag overigens best ironisch worden genoemd dat juist dé centrale bank in de wereld, de Amerikaanse Fed, in zijn historie aangetoond heeft dat mikken op een lage geldgroei de hoge inflatie wel verslaat waar alle andere maatregelen zijn gefaald.

Bewijs uit de VS

In de jaren zeventig hadden de Verenigde Staten te maken met een forse inflatie, tot 15 procent per jaar. Geen toeval dus dat de geldgroei in die periode enorm was. In 1979 werd Paul Volcker tot voorzitter benoemd. Hij had een plan van aanpak: de Fed zou niet meer de rente bepalen maar zich richten op het beheersen van de geldgroei. Een centrale bank moet kiezen tussen die twee: als ze de rente bepaalt, dan laat ze de geldgroei aan zijn lot over; richt ze zich op het beheersen van de geldgroei, dan laat de bank de rente uit de hand. Een centrale bank kan bijvoorbeeld niet de rente én de geldhoeveelheid verlagen. Het laatste betekent dat geld schaarser wordt wat de rente vroeg of laat omhoog drukt. Afijn, vanaf dag één begon Volcker ‘zijn’ Fed te richten op het beheersen van de geldgroei. Dat het werkte in de zin dat de inflatie ging dalen, mag nu geen verrassing meer zijn eigenlijk. Zoals gezegd: te veel geldgroei en stijgende inflatie is het gevolg, verlaag de geldgroei en de inflatie zal ook zakken. Dat is precies wat we begin jaren tachtig in de VS zien.

Kortom: Geldgroei is niet alleen zeer belangrijk voor monetair beleid, geldgroei onder controle houden ís in feite het enige juiste monetaire beleid voor een centrale bank die de inflatie laag wil houden. Daarom is het frappant dat de moderne centrale banken zoals de Europese Centrale Bank (ECB) en de Fed niet of nauwelijks kijken naar de geldhoeveelheid! Daarover gaat het tweede deel van deze educatieve long read, bedoeld om de economische ontwikkelingen te kunnen plaatsen, begrijpen en op hun werkelijke waarde te schatten.