Ongeveer 70.000 werknemers hebben een marginale druk van meer dan 80 procent en bijna een kwart miljoen een marginale druk die boven de 64 procent ligt. Dit blijkt uit een door  Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op verzoek van diverse Leden van de Eerste en Tweede Kamer geproduceerd  onderzoek naar de marginale druk die het gevolg is van het door de overheid gevoerde inkomensbeleid.  Marginale druk is het percentage dat verloren gaat van elke extra verdiende euro door belasting- en premieheffing en verlies aan inkomensafhankelijke aanspraken. De eerstgenoemde groep levert dus van elke extra verdiende euro weer 80 cent in.

 

Helaas pindakaas

In het onderzoek gaat het vooral over inkomensafhankelijke regelingen, hoewel belasting- en premieheffing verantwoordelijk zijn voor het leeuwendeel van de marginale druk. Zoals de studie terecht opmerkt zijn er drie aspecten die een rol spelen bij inkomensafhankelijke regelingen. Deze zijn uiteraard bedoeld als extra inkomen voor betrokkenen. Vanwege het budgettaire beslag dat daarmee is gemoeid, wil men aanspraken zoveel mogelijk beperken tot degenen die in de ogen van de overheid ondersteuning nodig hebben. Daarbij moet tevens de financiële prikkel om via werk in het eigen levensonderhoud te voorzien niet te zeer worden beperkt. Aan elke regeling zitten dus drie aspecten: Een budgettair, inkomenspolitiek en arbeidsmarktaspect.

De conclusie van de brief is vooral “helaas pindakaas” voor de mensen die worden geconfronteerd met een hoge marginale druk. Daarbij is hoog een marginale druk van meer dan 64 procent. Dat vrijwel iedereen vanaf een modaal inkomensniveau van circa €35.000 per jaar wordt geconfronteerd met een marginale druk van 50 procent of meer is blijkbaar normaal.

Waar minister Asscher in zijn brief totaal aan voorbijgaat, is dat het huidige kabinet de marginale druk problematiek fors heeft verergerd. Bovenop het grote aantal inkomensafhankelijke regelingen (de commissie Van Dijkhuizen telde er vijf jaar geleden 54 alleen al in de fiscale sfeer) kwam het huidige kabinet nog eens met extra inkomensafhankelijke regelingen die veel  werkenden in Nederland raakten. Zo werden de algemene heffingskorting en de arbeidskorting afhankelijk gemaakt van de hoogte van het inkomen. Het grote aantal inkomensafhankelijke regelingen maakt dat de berekeningen in dit onderzoek een onderschatting vormen van de problematiek. Alleen de voornaamste regelingen zijn meegenomen en dan ook alleen nog die waarvan gegevens op huishoudensniveau bekend zijn. Wat zovele gemeenten (en zelfs waterschappen)  in de lokale sfeer hebben opgetuigd valt erbuiten, evenals inkomensafhankelijke eigenbijdrageregelingen in de Wmo en de Wlz en de aanvullende beurs in de studiefinanciering.

 

Linkse fabel

Waarom is een hoge marginale druk erg? Het onderzoek gaat hier niet nader op in en noemt het alleen “niet leuk” voor betrokkenen. Dat is het ook niet, als extra inspanning niets extra oplevert en dus vaak ook niet wordt geleverd. Een hoge marginale druk leidt bovendien tot verstoringen. Een veelgehoorde linkse fabel is dat mensen zich bij hun beslissingen niet laten leiden door financiële prikkels. Dat is natuurlijk niet waar en dat weten linkse partijen zelf ook als ze pleiten voor rekeningrijden en (het verhogen van) allerlei milieuheffingen. De eerste verdiener in een huishouden vindt van zichzelf dat hij of zij niet veel keus heeft, maar voor de tweede geldt dat een stuk minder. In dynamisch perspectief geldt voor allebei dat zij hun arbeidsaanbod zullen aanpassen. Een dag minder in de week werken, zoals dat al de norm is in de collectieve sector, wordt financieel een stuk interessanter bij een hoge marginale druk. Daarnaast wordt ontwijk- en ontduikgedrag aantrekkelijker. Verder leidt een regeling als b.v. de huurtoeslag tot verstoring van de huurmarkt.

Nu is er wel een verschil tussen marginale druk die het gevolg is van een verlies aan aanspraken (bijvoorbeeld toeslagen) of die welke vooral komt door belasting- en premieheffing. Bij groepen met een inkomen beneden €35.000 per jaar gaat het met name om verlies aan aanspraken, waarbij de voornaamste boosdoener de huurtoeslag is. Maar daarnaast zijn er dus veel meer. De vraag rijst waarom inkomensondersteuning vorm moet krijgen via tientallen verschillende regelingen. Het onderzoek vindt dat blijkbaar zelf ook, want stelt op p. 12: “De hoge marginale druk van bepaalde groepen wordt verklaard doordat zij veel inkomensondersteuning en belastingkortingen ontvangen”. Hierdoor zien ook betrokkenen zelf de bomen door het bos niet meer, wat weer leidt tot campagnes om niet-gebruik tegen te gaan. Het SCP kwam 10 jaar geleden uit op percentages niet-gebruik van tussen de 27 en 69 procent per regeling, vooral bij werkenden die i.t.t. uitkeringstrekkers geen gemeente hebben om ondersteuning voor hen te regelen. Dat het Asscher zelf ook weleens teveel wordt, blijkt uit de sneer die hij uitdeelt richting de SGP, die samen met het CDA om dit onderzoek had gevraagd uit zorg voor de positie van de alleenverdiener. Zo meldt de tekst op p. 12: “Een alleenverdienend paar met een inkomen rond het wettelijk minimumloon (20.000 euro) krijgt aan inkomensondersteuning en kortingen een bedrag van liefst 14.000 euro.”

 

Subsidie-infuus

Het onderzoek schermt steeds met de categorie met een inkomen tussen 10.000 en 20.000 euro voor wie de marginale druk laag is. Maar wie zijn dit als het minimumloon per jaar al meer dan 20.000 euro bedraagt? Meerpersoonshuishoudens met een inkomen op dit niveau zijn er dus niet (zoals ook figuur 11 en 12 in het onderzoek laten zien); alleen parttime werkende alleenstaanden met een inkomen boven het voor hen geldende bijstandsniveau van 70 procent van het minimumloon of jongeren met bijbaantjes etc. De eerste groep kan het aantal gewerkte uren uitbreiden (maar doet dat kennelijk om de een of andere duistere reden niet….) en de tweede kan zich beter aan de studie wijden want des te eerder kan worden begonnen in een goed betaalde baan.

Het onderzoek besluit met het doorrekenen van een aantal varianten om de marginale druk problematiek te verminderen. Deze doorrekeningen zijn budgetneutraal gemaakt, want verlaging van de marginale druk mag de staat geen geld kosten. Dan staan vervolgens tegenover elkaar een abstracte verlaging van de marginale druk voor een groep die geen gezicht heeft en het als gevolg van de opgelegde budgetneutraliteit verlagen van de aanspraken wat de laagste inkomens relatief het meest treft. De impliciete conclusie is dus dat als je  iets aan dit probleem wilt doen, je het geld moet weghalen bij de laagste inkomens.

Deze studie laat zien dat vrijwel elk werkend huishouden in Nederland wordt geconfronteerd met een marginale druk van 50 procent of meer. Daar staat voor circa de helft van deze huishoudens ook in de meeste gevallen een vrij substantiële aanspraak op een inkomensafhankelijke regeling tegenover. Dat neemt echter niet weg dat voor vrijwel iedereen die werkt van elke inkomenstoename om wat voor reden dan ook (promotie, meer uren, bonus) ten minste de helft verloren gaat. Dat is geen gezonde situatie, die in de brief nogal wordt gebagatelliseerd. Wat de studie vooral laat zien is dat de inkomensbescherming dusdanig is doorgeschoten dat meer dan de helft van de werkenden in Nederland aan het subsidie-infuus ligt. Daardoor worden deze mensen niet gestimuleerd om via inkomen uit arbeid (voor een groter deel) in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Waar de studie helemaal niet op ingaat, is wat dit betekent voor de overgang van uitkering naar werk. Er zijn ruim 1,5 miljoen mensen onder de AOW-leeftijd met een uitkering. Zij bevinden zich vooral in het inkomenstraject waar de aanspraken maximaal zijn en hebben dus louter aanspraken te verliezen als ze aan de slag gaan. Alleen radicaal het mes zetten in regelingen is een oplossing. Dat laten ook de doorrekeningen van de verschillende aanpassingsvarianten van de diverse regelingen zien. Deze verschuiven vooral de marginale druk naar inkomensniveaus waar toevallig volgens het model wat minder huishoudens zitten, daardoor daalt het aantal mensen dat wordt geconfronteerd met een hoge marginale druk. Een nieuw kabinet moet van het terugdringen van het aantal inkomensafhankelijke regelingen een prioriteit maken, welke hand in hand (om die term maar eens te gebruiken) kan gaan met een herziening van het huidige belastingstelsel. Het huidige kabinet heeft de lasten verzwaard en bij de in het begin genoemde afwegingen vooral de budgettaire en inkomenspolitieke aspecten zwaar laten wegen, ten koste van het arbeidsmarktelement. Het is nu tijd de omgekeerde weg te bewandelen.