Keynesiaan. Die term bent u afgelopen tijd veelvuldig in de media tegengekomen. Grote kans dat u die naam onmiddellijk associeert met een grote overheid en pleidooien voor een Frankrijk meets Italië monetair beleid. En dat is jammer, want waar keynesianisme voor staat is veel meer dan dat. Angstaanjagend veel meer dan dat.

Keynesianen worden zo genoemd omdat ze de gedachtengoed van de vermaarde Britse econoom John Maynard Keynes onderschrijven. Keynes was een briljante denker. Zijn vele economische boeken zijn tot op de dag van vandaag niet weg te denken uit economieboekjes voor scholieren en studenten. Zijn economische adviezen vormen al decennialang het fundament voor economisch beleid in het Westen. De aanpak van de huidige crisis stoelt op keynesianisme. Volgens Time Magazine behoort hij tot de 100 belangrijkste personen van de vorige eeuw.

En terwijl iedereen van keynesianisme gehoord heeft, valt het mij op dat bijna niemand precies weet wat dat echt inhoudt. Daarvoor moet je namelijk op zijn minst Keynes’ magnum opus gelezen hebben, The General Theory of Employment, Interest and Money, verschenen in 1936. Dat boek geeft het antwoord op de vraag waar keynesianisme voor staat. Ik zal verder in dit stuk keynesianisme dan ook beschrijven aan de hand van de citaten van Keynes zelf. Om het allemaal behapbaar en overzichtelijk te houden, verdeel ik citaten uit zijn boek over vier thema’s: rente en sparen, de overheid en marktwerking en inflatie/deflatie.

The General Theory of Employment, Interest and Money

The General Theory of Employment, Interest and Money

Rente en sparen

‘Rente is geen beloning voor het wachten (lees: het risico dat je loopt als je iemand geld leent) maar beloning voor het niet sparen’,  schrijft Keynes. Sparen is voor Keynes namelijk een vies woord omdat ‘sparen geen substitutie is voor toekomstige consumptie maar verlaagt die op de korte termijn’. Met andere woorden, in het wereldbeeld van een keynesiaan is het geld dat iemand opzij zet niet bedoeld voor consumptie later. Blijkbaar sparen mensen om het door de WC te spoelen. Sparen betekent voor een keynesiaan dus niet alleen dat mensen niet alles uitgeven, het betekent dat mensen nooit hun geld zullen uitgeven. Daarom zijn voor een keynesiaan alle middelen geoorloofd mensen te dwingen hun geld te besteden aan wat dan ook. Een hoge rente helpt uiteraard niet, ‘het is waar dat wanneer de rente stijgt, de consumptie zal dalen’ aldus de Brit. Geen woord over dat mensen kunnen sparen voor hun oude dag, of dat ze in de toekomst meer zullen moeten consumeren (bijvoorbeeld door gezinsuitbreiding). Ook zegt Keynes niets over bespaarde euro’s die banken kunnen uitlenen aan andere consumenten, waardoor de consumptie helemaal niet hoeft te dalen. Nee niets van dat alles: sparen is altijd slecht en iemand die spaart is lid van de financieel-economische terroristische organisatie Al Sparida. Stijgende rentes zijn voor een keynesiaan dan ook een nachtmerrie omdat mensen daardoor wel eens meer zouden kunnen gaan sparen. Merk op dat stijgende rentes voor een keynesiaan dus áltijd een slechte zaak zijn, ook als de rentes stijgen doordat de economie hard groeit en de vraag naar leningen, om uit te geven (huishoudens) of om te investeren (bedrijven) het aanbod overtreft. Later zullen we overigens zien dat dit voor een keynesiaan volkomen logisch is, want met de wet van vraag en aanbod – en dus een vrije markt – hebben de keynesianen niets.

Alles is dus geoorloofd om sparen te ontmoedigen, vandaar dat Keynes veelzeggend schrijft ‘Dus als we het probleem van sparen aangepakt hebben…’. Meer in het algemeen geldt dat een keynesiaan altijd en overal de consumptie wil aanjagen. En zo komen we tot de rol van de Staat.

Overheid en marktwerking

‘Als begrotingsbeleid gebruikt wordt als een instrument om te zorgen voor een meer gelijke verdeling van het inkomen dan zal dat de neiging tot consumeren vergroten en dat is goed’ aldus de roerganger van de keynesianen. Als we dit combineren met zijn stellingen dat ‘stijgende inkomens gepaard gaan met meer besparingen’ en ‘hoe hoger ons inkomen des te groter, helaas, het gat tussen ons inkomen en onze consumptie’ én in ons achterhoofd houden hoe keynesianen denken over sparen, dan is het niet vreemd dat keynesianen een natte droom krijgen wanneer een econoom, journalist, beleidsmaker, politicoloog of wie dan ook roept dat belastingen voor de rijken omhoog moeten. Hoe gaan de keynesianen spaarders te lijf?

In de eerste plaats door ervoor te zorgen dat de overheid altijd in het rood staat. Enter Keynes: ‘Een omslag van een beleid waarin de overheid geld leent (dat wil zeggen een begrotingstekort kent, op.a.) naar het tegenovergestelde (dat wil zeggen een overschot noteert, op.a.) zorgt voor een ernstige inzakking van consumptie. Financieel prudent zijn verlaagt de vraag en is een gevaar voor de welvaart’ (deze laatste zin is zeer ironisch, zoals we zo meteen zullen zien). Dit is waarom keynesianen landen die hun overheidsfinanciën een beetje op orde brengen, als een groot gevaar zien. In hun ogen is op dit moment Duitsland een groter gevaar voor de eurozone (want begrotingsevenwicht) dan Frankrijk, waar het begrotingstekort hoog is en oploopt! Dat de overheden in de voormalige communistische en socialistische landen zich sufgenivelleerd hebben – en we weten met welke gevolgen – of dat de consumptie in een land als Zweden echt hoog en groeiend is, ondanks het feit dat de overheid daar in de afgelopen vier decennia bijna de helft van de tijd een begrotingsoverschot had, zijn voor keynesianen ongemakkelijke feiten waar ze het niet over willen hebben.

Behalve ervoor zorgen dat ze een structureel tekort kent, moet de Staat van de keynesianen veel meer doen. ‘Ik verwacht dat de Staat, die in staat is uit te rekenen wat de marginale nut van kapitaalgoederen is, een almaar grotere verantwoordelijkheid op zich neemt om direct investeringen in een economie te bepalen omdat de marktschatting van die marginale nut fluctueert’ en op een andere plek in The General Theory: ‘de taak te bepalen hoeveel investeringen nodig zijn is niet veilig in de handen van de private sector’. Ofwel: het is niet de ondernemer die moet bepalen of en hoeveel hij zal investeren, de Staat moet dat direct bepalen. ‘De investeringen moeten gesocialiseerd worden want dat is de enige manier te zorgen voor volledige werkgelegenheid’ schrijft Keynes. Die volledige werkgelegenheid, ofwel goede economische tijden, mag er echter niet voor zorgen dat ook de ondernemer ervan profiteert volgens de keynesiaanse Bijbel. Daarin staat namelijk dat ‘een toename van werkgelegenheid ervoor zorgt dat een groter deel van het totale inkomen in de handen van de ondernemers komt. Die geven relatief minder uit dan anderen.’ Zoals eerder aangekondigd: de wet van vraag en aanbod is niet bepaald in trek bij de keynesianen, wat ook blijkt wanneer we lezen dat Keynes schrijft dat ‘het door de ‘natuurlijke’ ontwikkelingen bepaalde werkgelegenheid niet natuurlijk is en ingrijpen nodig is om dat te corrigeren’. Dat Keynes hier ‘natuurlijke’ zelf tussen aanhalingstekens heeft gezet, spreekt boekdelen. Daarmee zegt hij in feite dat de uitkomst van het spel van vraag en aanbod onnatuurlijk is en dus gecorrigeerd moet worden. Door wie? ‘De bemoeienis van de Staat is een factor die voor evenwicht zorgt’ lezen we in The General Theory.

De Staat moet dus volgens keynesianen alleen bepalen hoeveel er geïnvesteerd moet worden. Op die manier bepaalt de overheid hoeveel mensen consumeren en dat is ook letterlijk het advies van Keynes die ook schrijft: ‘de Staat moet de consumptie aansturen, deels via belastingen en deels via het bepalen van de rente maar ook door andere noodzakelijke ingrepen. ‘

Moet de Staat dus de eigenaar worden van alle kapitaalgoederen? Nee, zeggen de keynesianen die meteen hun Grote Leider citeren: ‘Het is niet het eigendom van de instrumenten van de productie die voor de Staat belangrijk is. Als de Staat kan bepalen hoeveel er geïnvesteerd moet worden en de rentevergoeding vast kan stellen als beloning voor eigenaren van kapitaal dat geïnvesteerd wordt, dan bereikt de Staat ook wat nodig is’. Laat dit even op u inwerken. In het wereldbeeld van een keynesiaan moet de Staat dus bepalen én hoeveel ondernemers moeten investeren én welke vergoeding ze daarvoor krijgen. In feite pleit een keynesiaan hiermee voor een soort communisme met privaat eigendom, waarbij de Staat bepaalt wat en wanneer we iets met onze eigendommen mogen doen. Nogmaals, in landen zoals de Sovjet-Unie pakte die rol van een alwetende Staat natuurlijk niet heel goed uit, maar met dat soort feiten mogen we bij de keynesianen niet aankomen.

Keynes erkent ruiterlijk dat al deze aanbevelingen, wanneer opgevolgd, ‘natuurlijk zullen betekenen dat de overheid groot moet zijn’ maar volgens de naamgever van het keynesianisme ‘is dat niet erg want een grote overheid is de enige praktische manier om economische destructie te voorkomen.’ Dit stuk zorgt vervolgens voor enige hilariteit wanneer we verder lezen dat een grote overheid ook ‘ de enige praktische manier is waarop individuele initiatieven succesvol tot uiting kunnen komen’. Dit van de man die dus wil dat de overheid bepaalt hoeveel ondernemers mogen investeren, hoe hoog hun beloning mag zijn, sparen levensgevaarlijk vindt en ondernemerschap wil socialiseren.

Overigens: stel nu dat deze adviezen werken en de economie erdoor bloeit. Dan komt er een moment dat een economie te snel draait, dat er met andere woorden oververhitting dreigt. Dan is afremmen nodig om ontsporing te voorkomen. FOUT, roept een keynesiaan. ‘Bij oververhitting van een economie is het niet aan te raden de rente te verhogen maar met drastische maatregelen de inkomens te herverdelen om de consumptie aan te jagen, dus de oplossing bij oververhitting is niet een hogere maar een lágere rente’. Bij oververhitting, wat niets anders is dan een situatie waarin de vraag het aanbod overtreft, moet niet het aanbod gestimuleerd worden maar de vraag, aldus een keynesiaan. Ik denk dat verder commentaar hierbij overbodig is.

Overigens is voor een keynesiaan ‘werkloosheid onlosmakelijk verbonden met kapitalisme’. Vandaar dus dat ik in mijn jeugd – ik ben geboren in ex-Joegoslavië waar ik de eerste 15 jaren van mijn leven heb doorgebracht – nooit een werkloze heb gezien en waarom ‘werkloosheid’ een woord is dat in de woordenboeken van de landen van achter het IJzeren Gordijn pas opdook na de val ervan.

Inflatie en deflatie

Eerder is al naar voren gekomen dat de keynesianen een grote, alomaanwezige overheid,  als een stabiliserende factor zien. Het verbaast dan ook niet dat ze vinden dat de Staat de rente moet sturen. Maar dat heeft ook een andere, minder ideologisch consequente en meer praktische reden.

Consumeren is een must voor de keynesiaan.  zoals we gezien hebben. Vandaar dat de overheid structureel rood moet staan, wat we ook kunnen verwoorden als het almaar verder laten oplopen van de staatsschuld. Staatsschuld is goed; hoe meer hoe beter. Diezelfde Staat moet sparen tegelijkertijd altijd en overal bestrijden, want sparen staat haaks op consumptie: elke gespaarde euro is een niet uitgegeven euro in de ogen van de keynesianen.

Een krachtig wapen dat voor elkaar te krijgen is aanhoudende inflatie. Die maakt sparen onaantrekkelijk want inflatie knabbelt aan de koopkracht van het spaargeld. En waar inflatie de ergste nachtmerrie is voor de spaarder, is die juist de meest schitterende droom voor een schuldenaar: inflatie vreet een deel van de schulden weg omdat de schuldenaar zijn oude schulden kan afbetalen met geld dat (veel) minder waard is. Natuurlijk, in een markteconomie lopen de rentes op als spaarders inflatiegevaar op de horizon zien en ze daarvoor een compensatie eisen. Maar in een keynesiaanse staat zal dat niet gebeuren want de overheid bepaalt de rente! In een keynesiaanse staat is de spaarder de klos en staat prudent financieel gedrag gelijk aan slecht, ja zelfs gevaarlijk, gedrag.

Inflatie ontstaat wanneer de rente structureel te laag is, geld lenen is dan goedkoop waardoor men veel leent en uitgeeft wat op zijn beurt betekent dat de vraag naar goederen en diensten het aanbod overtreft. Dit vinden de keynesianen prima, sterker nog, het is hun doel. Naarmate de vraag het aanbod blijft overstijgen, moet consumptie juist aangewakkerd worden in het keynesiaans denken, dat hebben we al vastgesteld. In reactie op stijgende inflatie zal een keynesiaan dus de rente verder verlagen, lees geld lenen nóg goedkoper maken. Aangezien voor de keynesianen de rente dus haast niet te laag kán zijn, pleiten ze in feite voor aanhoudende inflatie.

De rente structureel te laag houden, komt erop neer dat een economie overspoeld wordt met geld. Dat de geschiedenis aantoont dat de prijzen stijgen als er te veel geld in omloop is, negeren de keynesianen volledig. Zonder hier uit te wijden over het verband tussen geldgroei en prijzen en de historische ontwikkeling ervan – ik verwijs daarvoor naar mijn studie ernaar die uitmondde in het boek Geldmoord: hoe de centrale banken ons geld vernietigen – wil ik slechts wijzen naar het in mijn ogen beste voorbeeld van het verband tussen die twee genoemde variabelen.

In Europa kenden we tussen het jaar 1200 en het begin van de vorige eeuw één keer een inflatiegolf, tussen circa 1550 en 1650. In de economische geschiedenis is die periode bekend als de Grote Prijsrevolutie. De prijzen stegen toen fors op het continent. Het is géén toeval dat die aanhoudende en forse prijsstijgingen samenvielen met de verovering van de Inca’s, Maya’s en de Azteken in het Midden- en Latijns Amerika door de Spanjaarden. De Spanjaarden verscheepten duizenden tonnen goud en zilver uit Midden- en Latijns-Amerika naar Europa (in het eerder genoemde boek Geldmoord zijn precieze getallen te vinden die de omvang weergeven). Aangezien in die tijd munten in Europa gemaakt waren van goud en zilver, met andere woorden goud en zilver waren het geld, zorgde die enorme aanwas van goud en zilver ervoor, dat er veel meer geld in omloop kwam en dat de prijzen fors stegen. Toen de Spanjaarden al het goud en zilver geroofd hadden en er niets meer was om naar Europa over te brengen, verdween inflatie in Europa als sneeuw voor de zon. Waarom? Simpel, er kwam geen extra geld in omloop en daarmee bleef de inflatiemotor verstoken van brandstof.

keynes1

Die historische feiten zijn echter niet besteed aan de keynesianen. ‘Een toename van de geldhoeveelheid zal geen invloed hebben op de prijzen zolang er enige werkloosheid bestaat en de werkgelegenheid zal één op één stijgen bij een toename van de geldhoeveelheid omdat de vraag stijgt’ schrijft Keynes, net als dat ‘als geld aan de bomen zou groeien of gemaakt zou worden zoals een auto, economische depressies tot het verleden zouden behoren’. Geen wonder dat de keynesianen in de jaren zeventig niet wisten wat ze overkwam: in dat decennium stegen namelijk de geldhoeveelheid, inflatie én werkloosheid fors, een economische depressie was het gevolg. Ruim vier decennia later ontwijken keynesianen elke vraag erover en weigeren ze de werkelijkheid te accepteren: dat veel geld bijdrukken níet voor meer welvaart en stijgende werkgelegenheid leidt. Sterker, veel geld bijdrukken voorkomt economische depressies niet, dat veróórzaakt die juist! Sinds 1971 drukken Westerse centrale banken te veel geld bij. Zo bezien zouden er, als het keynesiaanse wereldbeeld juist is, sinds 1971 geen economische crises mogen zijn geweest. Zeker omdat overheden in zo goed als alle Westerse landen sinds 1971 aanhoudende begrotingstekorten laten zien. Nederland bijvoorbeeld – toch een land met een financieel economische prudent imago – kende sinds 1971 slechts vijf keer een klein begrotingsoverschot. En telkens weer was de oorzaak een incidentele bate. Nederland zou eigenlijk, volgens het keynesianisme, geen crisis mogen kennen. En Griekenland en Italië zouden, vergeleken met Nederland, booming economies moeten zijn, gezien hun track record op het gebied van begrotingstekorten en staatsschulden!

keynes2

Niets mag de aanhoudende prijsstijgingen in de weg staan. Zelfs niet als het produceren van spullen door bijvoorbeeld technologische vooruitgang goedkoper wordt. Als produceren door ‘nieuwe technieken goedkoper wordt dan kan een land of ervoor kiezen de prijzen toe te staan te dalen en de lonen stabiel te houden of de lonen te verhogen en de prijzen stabiel te houden. Mijn voorkeur gaat naar de tweede optie onder meer doordat bij stabiele prijzen de schulden dalen’, schrijft Keynes. Ik wil hierbij twee opmerkingen plaatsen.

In de eerste plaats dat een keynesiaan het voordeel van technologische vooruitgang niet wil toestaan omdat het structurele begrotingstekorten tegengaat. In de tweede plaats: als een keynesiaan spreekt over stabiele prijzen, dan bedoelt hij daar iets heel anders mee dan u misschien zou verwachten. In het keynesiaans woordenboek zijn de prijzen stabiel als die elk jaar met ongeveer 2 procent stijgen.  Anders gezegd: voor een keynesiaan zijn de prijzen in een decennium stabiel geweest als ze na tien jaar ruim 20 procent hóger liggen! Het is géén toeval dat de centrale banken zoals de Europese Centrale Bank prijsstabiliteit nastreven en die definiëren als jaarlijkse inflatie van 2 procent. De Westerse centrale banken zijn keynesiaanse bolwerken bij uitstek en de gevolgen daarvan manifesteren zich al vier decennia lang, zonder dat de gewone man op straat het door had.

Tot slot nog één Keynes-citaat over deflatie dat ik u niet wil onthouden, namelijk dat ‘deflatie niet alleen de prijzen verlaagt maar ook de werkgelegenheid; inflatie verhoogt alleen de prijzen’. Ofwel: bij inflatie stijgt de werkloosheid niet. In de categorie onwelgevallige feiten voor de keynesianen: waarom kampten alle landen die ooit enige tijd met hoge inflatie te maken hebben gehad óók met torenhoge werkloosheid dan?

En als u nu denkt ‘maar door méér overheid en inflatie worden we nooit welvarender’: u heeft volkomen gelijk. Maar voor een keynesiaan is dat goed! Enter Keynes: ‘mensen consumeren meer als hun inkomen stijgt maar met minder dan de toename van het inkomen, dus stijgende inkomens gaan gepaard met meer besparingen’. Ofwel: als we welvarender worden, geven we niet al ons geld uit omdat we ‘te veel geld’ hebben en dus gaan we automatisch sparen. Zoals we gezien hebben is sparen voor een keynesiaan gelijk aan financieel terrorisme.

Hier introduceren we een stuk logica in het geheel: als sparen slecht voor welvaart is en men bij stijgende inkomens de neiging heeft automatisch (meer) te gaan sparen, dan betekent dat dat stijgende inkomens en dus stijgende welvaart, ongewenst zijn. Klinkt bekend, niet? Denkt u aan al die actuele pleidooien tegen deflatie en voor een inflatie-boost. Inflatie is niets anders dan een onzichtbare belasting, die ons allen, ondanks de technologische vooruitgang, armer maakt.

Slotopmerkingen

Eén ding moet wel opgemerkt worden: we mogen niet uit het oog verliezen in welke omgeving Keynes zijn pleidooi voor meer overheidsinvesteringen deed. Het aandeel van de overheden in de economie was doorgaans veel kleiner dan in afgelopen decennia en er was ook veel behoefte aan allerlei infrastructuur, van wegen tot waterleidingen tot spoorwegen. Dat is een verschil tussen Keynes en de keynesianen van nu; die laatste groep schrijft in feite hetzelfde middel aan een zieke economie voor, terwijl de economie aan een andere ziekte lijdt dan toen Keynes leefde. Waar Keynes destijds zei ‘er is massawerkloosheid en een enorm tekort aan wegen en andere infrastructuur dus leg die aan en je draagt bij aan economische ontwikkeling op de lange termijn én lost het werkloosheidsprobleem op de korte termijn op’, zeggen de keynesianen van nu: ‘ook al hebben we drie snelwegen waarvan minstens één nauwelijks wordt gebruikt, we moeten nóg een of twee aanleggen want die zijn nodig’.

Het is géén toeval dat dezelfde mensen pleiten voor zeer hoge inflatie, voor structurele en hoge begrotingstekorten bij de overheden, de staatsschuld nooit te hoog beschouwen én pleiten voor een almaar grotere overheid. Dat de bevolking, en met name de armen en de middenklasse, daardoor ongekend hard worden geraakt, dat nemen de keynesianen voor lief. Sterker nog, het past prima in hun plaatje want hoe zwakker mensen zijn, hoe meer behoefte ze aan de hulp van…inderdaad de overheid nodig hebben. En door die hulp te bieden – denk aan subsidies, toeslagen et cetera – groeit de overheid weer. Die groei kost natuurlijk geld en de keynesianen willen geen belastingverhogingen, dus worden de begrotingstekorten die toch al goed, nog wat ‘verbeterd’.

Toch nog een kanttekening bij de opmerking dat de keynesianen geen belastingverhogingen willen. Strikt genomen willen ze geen zichtbare belastingverhogingen. Ook daarom pleiten ze voor aanhoudende en hoge inflatie. Inflatie is, zoals de vermaarde Amerikaanse econoom en tegenhanger van Keynes, Milton Friedman, ooit zei: zo’n beetje de enige belasting die mensen opgelegd kan worden zonder daarvoor een wet te hoeven aannemen.  Het is een stiekeme belasting. De voormalige Amerikaanse President Ronald Reagan omschreef inflatie ooit als ‘net zo gewelddadig als een dief, net zo angstaanjagend als een overvaller  en net zo dodelijk als een huurmoordenaar.’ Wat de keynesianen in feite hebben gedaan is die onzichtbare belasting invoeren en daarmee die dief, overvaller en huurmoordenaar op de gewone man losgelaten.

‘Ik hoop dat mijn boek onbegrijpelijk zal zijn voor niet-economen.’ Zo luidt de tweede zin van het grootste werk van Keynes, The General Theory of Employment, Interest and Money waaruit ik in dit stuk geciteerd heb. Als je het hele boek gelezen hebt en dus het complete beeld hebt van waar Keynes voor pleitte en wat het ideale wereld is in de ogen van de keynesianen, dan snap ik heel goed dat je hoopt dat de gewone man op straat er geen snars van snapt.