Het streven naar een rechtvaardige inkomensverdeling vormt, in wisselende formuleringen, al decennialang een doelstelling van het economische beleid in Nederland. Het staat op gelijke voet met het streven naar volledige werkgelegenheid en een aanvaardbaar inkomensniveau. Wat ‘rechtvaardig’ is, blijft echter onduidelijk. Dat is merkwaardig, omdat dan ook niet valt te meten in hoeverre een doelstelling is gehaald en of er überhaupt een beweging is in de richting hiervan. Uit armoede is daarom vaak handhaving van de bestaande inkomensverdeling het doel, met gebruikmaking van twee vuistregels: Inkomensnivellerende maatregelen zijn goed en denivellerende maatregelen zijn slecht.

 

Het aansturen op het handhaven van de status quo is in economisch beleid nooit een goed idee. Een economie gedijt bij verandering. Een proces van creative destruction zorgt ervoor dat (niet langer) bruikbare ideeën en productiemethoden verdwijnen en nieuwe ingang vinden. Zoals ik mijn bijdrage van vorige week al betoogde, weigeren velen een dergelijk perspectief te hanteren. Hun focus is op hoe de huidige welvaart is verdeeld, in plaats van hoe deze kan worden vergroot waardoor iedereen profiteert. Dat verklaart ook de instemmende reacties op de conclusies van het in 2013 verschenen boek van de Franse econoom Thomas Piketty, die betoogt dat de rijksten steeds rijker worden ten koste van de rest en dat wereldwijde hoge inkomens- en vermogensbelastingen nodig zijn om deze destructieve ontwikkeling tegen te gaan.

 

Ook Piketty hanteert een statisch perspectief, waarbij hij er vanuit gaat dat met name de huidige vermogensverhoudingen in de toekomst precies hetzelfde blijven en er geen noemenswaardige mobiliteit is van arm naar rijk (en vice versa). Alleen al een blik op de samenstelling van de lijst met grootste bedrijven en rijkste personen van een paar decennia geleden logenstraft een dergelijke conclusie en, wat veel belangrijker is, de macro-economische cijfers doen hetzelfde. De Nederlandse inkomensverdeling is al tientallen jaren stabiel, na een decennialange verkleining van die verschillen. Kijkend naar die cijfers zou je kunnen zeggen dat het beleid goed is geslaagd. In andere landen, met name in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, is de inkomensverdeling aanzienlijk ‘schever’ geworden. Dit resultaat is met name veroorzaakt door ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, die in het voordeel hebben gewerkt van goed opgeleide werknemers. In Nederland is dit proces gekeerd door het steeds verder optuigen van een riant stelsel aan uitkeringen voor alle mogelijke inkomensrisico’s. Dit wordt aangevuld met een oerwoud aan inkomensafhankelijke regelingen, alleen in het belastingstelsel telde de commissie Van Dijkhuizen er 5 jaar geleden al 54. Het huidige kabinet heeft dit aantal nog eens flink uitgebreid. Hoge belastingen en premies doen de rest.

 

Dit beleid is echter in essentie het paard achter de wagen spannen. Door inactiviteit fors te subsidiëren en (meer) werken te ontmoedigen, is er een grote groep ontstaan die niet participeert via betaald werk. Bijna 2 miljoen mensen onder de pensioengerechtigde leeftijd verblijven in een uitkering, terwijl een aanzienlijk deel van hen geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. Het streven naar een rechtvaardige inkomensverdeling heeft er dus toe geleid dat velen voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van de overheid. Dat geldt ook voor veel werkenden, die profiteren van toeslagen die voor allerlei doeleinden in het leven zijn geroepen. De nadruk op het verdelen van de welvaart heeft ertoe geleid dat de verdiencapaciteit van onze economie onder druk is komen te staan. Een tendens die is versluierd door forse aardgasinkomsten. Elk jaar geven we meer dan 100 miljard euro uit aan sociale bescherming, welke uitgaven grotendeels consumptief worden besteed en in slechts zeer geringe mate bijdragen aan het (toekomstig) verdienvermogen van onze economie.

 

De behoefte aan herverdelen lijkt oneindig, want nivelleren is voor velen nog steeds een feest. Waarschijnlijk stopt deze dwangmatigheid pas als iedereen evenveel te besteden heeft aan inkomen en vermogen. Het gemiddelde inkomen en vermogen zal dan wel een stuk lager liggen dan nu. Moreel gezien zou het volstaan als ieder een dak boven zijn hoofd heeft en te eten en te drinken. Zeker in internationaal perspectief, waar velen zelfs dit moeten ontberen. In Nederland geldt echter ‘meedoen’ als criterium. Gedurende mijn tijd als ambtenaar op het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stuitte ik tot mijn verbazing op gemeenten die om die reden breedbeeld-tv en Playstation betalen voor gezinnen in de bijstand. Mijn kinderen hebben die niet en klagen ook niet over het ontbreken daarvan. Althans niet om de reden dat ze anders niet mee kunnen doen.

 

Hoezeer herverdelende maatregelen ook bepalend lijken voor het bestedingsniveau van degenen met de laagste inkomens, in dynamisch perspectief is hun bijdrage aan het verbeteren van het bestaan van de laagstbetaalden gering. Sinds 1800 is het reële gemiddelde inkomen in de westerse wereld (dus gecorrigeerd voor prijsstijgingen) gestegen met een factor 30 (ofwel 2900 procent!). Dat is in essentie gebeurd door ideeën die hun weg konden vinden in een vrije maatschappij waar oude ideeën werden vervangen door nieuwe, meer productieve ideeën. Het eerder genoemde proces van creative destruction. Zie b.v. de opkomst van ondernemingen als Google en Facebook ,die 20 jaar geleden nog niet bestonden. Het is niet door herverdeling (of door kolonialisme of slavernij zoals sommigen tegenwoordig beweren) dat dit proces tot stand is gekomen en tot zulke indrukwekkende resultaten heeft geleid.

 

Kan de overheid dan niets goed doen? Zeker wel. Overheidsbeleid heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de fenomenale groei in de afgelopen 200 jaar. Niet door inkomensherverdeling, maar door met name het slopen van economische machtsposities in de vorm van b.v. monopolies, het creëren van een betrouwbaar juridisch stelsel en ook via de aanleg van infrastructuur en uitgaven voor onderwijs e.d.

 

Wat rechtvaardig lijkt in statisch perspectief, en daarom op korte termijn door zovelen wordt omhelsd, ligt in een dynamisch perspectief heel anders. Dat geldt zowel nationaal als ook internationaal. Oxfam-Novib vestigde deze week de aandacht op het gegeven dat 80 personen op deze wereld even veel bezitten als de armste helft van de wereldbevolking (3,5 miljard mensen).  De 1,9 biljoen euro van deze 80 kan worden gebruikt om aan elk van de groep arme mensen eenmalig ruim 500 euro uit te keren. En dat is het dan. Dat is geen blijvende oplossing, zoals biljoenen aan ontwikkelingshulp hebben laten zien. Populisme is blijkbaar niemand vreemd. Het illustreert nog eens dat jaloezie en afgunst de belangrijkste drijfveren zijn achter herverdelen. In plaats van ons rechtvaardigheidsgevoel te laten leiden door statische, korte termijn inkomensverschillen is het veel productiever een dynamisch perspectief te hanteren dat zich richt op lange termijn inkomensgroei.

 

 

Noot: Zie hier en hier voor twee kritische beschouwingen over het boek van Piketty, Kapitaal in de 21ste eeuw. Aan het eerste artikel heb ik ook het getal van 2900 procent ontleend.

 

 

Afbeelding: Wikimedia / Wikipedia Commons