“Leuke dingen voor de mensen doen”. De verkiezingsprogramma’s van links tot rechts staan er vol mee. Hoewel het maakbaarheidsdenken op de intellectuele vuilnishoop van de geschiedenis is beland, is het nog springlevend in de politiek en bij veel van de kiezers die deze woensdag naar de stembus gaan. Elke keer weer willen mensen graag voor de gek worden gehouden dat, zo ze al niet in een betere wereld leven dan ze denken, de overheid er met een aantal vrij simpele ingrepen een betere wereld van kan maken. Telkens weer komen ze dan bedrogen uit, want zo eenvoudig is het leven niet. Tot het moment dat zich een nieuwe rattenvanger of Jessias aandient die hen met zijn lokroep verleidt om te volgen naar nog onverkende mogelijkheden die het leven zullen veraangenamen, zonder dat ze er zelf iets voor hoeven op te offeren.

 

Oude wijn in nieuwe zakken

Het is oude wijn in nieuwe zakken. En dat is nog niet eens het ergste. Vergeten wordt dat het verrichten van bepaalde handelingen bepaalde consequenties heeft. Je kunt niet vrijblijvend dit of dat doen zonder vervolg(re)acties, die het tegenovergestelde kunnen bereiken van wat je oorspronkelijk wilde. Nu geldt in Nederland vaak als excuus dat als je intenties maar goed zijn, dit helemaal niet erg is. En het is helemaal in orde als je ideologische vertrekpunt deugt. Een maatregel die aan al deze criteria voldoet, is te vinden in de verkiezingsprogramma’s van PvdA, SP en GroenLinks. Zij willen het volwassen minimumloon laten ingaan bij 18 jaar. Tot voor kort was dat bij 23 jaar. Tussen 2017 en 2019 wordt dit stapsgewijs verlaagd naar 21 jaar.

Het niveau van het wettelijk minimumjeugdloon (WMJL) bij lagere leeftijden is via een bepaald percentage (of staffel) afgeleid van het volwassen minimumloon. De verlaging van de leeftijdsgrens naar 18 jaar impliceert dus ook dat deze staffel wordt aangepast en dat daarmee de beloning voor alle leeftijden waarop het WMJL van toepassing is (vanaf 15 jaar) ook flink stijgt.

Het WMJL lijkt een duidelijk geval van leeftijdsdiscriminatie. Het huidige kabinet besloot dan ook vorig jaar het lagere wettelijk minimumjeugdloon vanaf 21 jaar stapsgewijs af te schaffen, onder compenserende maatregelen voor werkgevers zodat de loonkosten voor deze groep niet te zeer zouden oplopen. De motivering hiervoor was als volgt:

Jongeren verdienen een eerlijke kans in de samenleving. Kabinet en sociale partners vinden dat daar een fatsoenlijk loon bij hoort. De huidige vormgeving van het minimumjeugdloon past niet meer bij de arbeidsmarkt- en inkomenspositie van werkende jongeren. Ook loopt Nederland internationaal uit de pas. De komende jaren gaat het minimumjeugdloon daarom in stappen omhoog, zodat jongeren van 21 het minimumloon (WML) gaan verdienen.

Naast het steunen op enkel morele overwegingen, is de verwijzing naar het internationaal uit de pas lopen in deze motivering nogal een vermakelijke. Nederland loopt niet alleen uit de pas als het gaat om het lagere minimumjeugdloon. Nederland heeft in internationaal perspectief ook een lage jeugdwerkloosheid, wat toch geen motief kan zijn om deze ook maar eens op het niveau van het internationale gemiddelde te brengen. Toch is oplopen van de jeugdwerkloosheid de consequentie van het zondermeer doorvoeren van wat de linkse partijen in hun verkiezingsprogramma hebben staan. Kijken we even over de grens, dan zien we dat Frankrijk het volwassen minimumloon laat ingaan op de leeftijd van 18 jaar en ook nog eens een relatief hoog minimumloon kent. Met dat laatste bedoel ik dat het minimumloon veel werknemers bindt en er maar niet een beetje bijhangt. In meer economische termen: Het kapt de loonverdeling aan de onderkant af, waardoor vraag en aanbod in dat deel van de arbeidsmarkt niet bij elkaar kunnen komen. Resultaat is werkloosheid. En die is dan ook torenhoog in Frankrijk onder jongeren, met alle gevolgen van dien als groepen jonge mannen de hele dag onledig op straat rondhangen. Is dat wat het kabinet met een “eerlijke kans in de samenleving” beoogt?

 

Vermeende discriminatie

Nu hebben economen zichzelf wel in de voet geschoten wat betreft de effecten van verhogen van het minimumloon. Zo’n 20 jaar geleden verschenen er allerlei studies waarin het verhogen van het minimumloon juist de werkgelegenheid leek te bevorderen. De conclusies van die studies moesten later flink worden genuanceerd en bovendien hadden zij betrekking op de situatie in de VS. Daar is het minimumloon een stukje lager dan hier en hebben mensen geen uitkeringsalternatief. De keuze die ze hebben, is dus tussen terugtrekken van de arbeidsmarkt of een laagbetaalde baan accepteren. Velen hadden in dat laatste geen zin, maar sommigen bedachten zich toen het minimumloon een aantal keren vlak na elkaar werd verhoogd. Economie is een spel van vraag en aanbod en je moet beide in je analyseren betrekken.

Het tegengaan van vermeende discriminatie als enig motief is een slechte raadgever op de arbeidsmarkt. Verblind door de opgave om goed te doen, worden de consequenties van dat handelen maar al te snel vergeten. De Nederlandse arbeidsmarkt bestaat niet uit een vaste hoeveelheid werk waar de overheid de prijs moet bepalen en vervolgens het aangeboden werk rantsoeneert. Ook hier werken vraag en aanbod op elkaar in. Vooropgesteld: De werkgever kan altijd meer betalen en de jongere hoeft de geboden beloning niet te accepteren. Het gaat om een minimumverplichting, waarvan naar boven kan worden afgeweken. Toch laat de beloningsstructuur in veel cao’s, die arbeid op of boven het minimumloon mogelijk maken, een soortgelijke leeftijdstaffel zien als het WMJL. De vakvolwassenleeftijd is vaak 21 jaar. En dat is niet voor niets. Deze beloningsstructuren zijn gestoeld op de ervaring dat jongeren die direct uit de schoolbanken komen soms nog niet de ervaring hebben om de productiviteit te leveren die bij een volwassenbeloning mag worden verwacht. Dat is ook niet erg. Het gaat er juist om dat ze aan de slag komen; een plaats weten te bemachtigen op de arbeidsmarkt. Dat noem ik een “eerlijke kans”. Die hogere productiviteit en dat hogere loon zijn slechts een kwestie van tijd. Op deze leeftijd is het vinden van een baan het belangrijkste. Jongeren tot 21 jaar hoeven ook niet voor een gezin te zorgen en als dat wel zo is, dan zijn er aanvullende middelen via bijvoorbeeld de bijstand.

 

Insiders op de arbeidsmarkt

Dat geduld kunnen de linkse politieke partijen niet opbrengen. Zij komen dan ook slechts op voor de insiders op de arbeidsmarkt. Degenen die een baantje weten te bemachtigen zien hun beloning stijgen. Niet alleen het WMJL neemt toe voor alle leeftijden, maar het hele loongebouw wordt opgetild. Dat er ook mensen zullen zijn die hun baan verliezen nemen ze voor lief. Het gaat dan in eerste instantie om een beperkte groep, want de loonelasticiteit is nu ook weer niet dusdanig groot dat werkgevers alle werknemers die qua productiviteit niet voldoen aan het nieuwe criterium meteen zullen ontslaan. Ook de ontslagbescherming in Nederland voorkomt dat. Er zal echter wel een reactie volgen. Toekomstige vacatures zullen minder snel of niet of door een goedkoper iemand worden opgevuld; een werkgever zal eerder kiezen voor een tijdelijk contract etc. Het zijn dezelfde mechanismen die werkgevers hanteren om te voorkomen dat zij bij het ontbinden van vaste contracten op hoge kosten worden gejaagd. En ook zullen er werkgevers zijn die zullen uitwijken naar illegale constructies, b.v. via het inhuren van Oosteuropeanen die niet op de hoogte zijn van de Nederlandse minimumloonwetgeving.

De student met een bijbaantje in de horeca zal PvdA, SP en GL dankbaar zijn. Uw biertje op het terras zal weer 50 cent duurder worden. De jongere met het MBO-diploma dat net niet lekker ligt op de arbeidsmarkt zal echter langer moeten zoeken naar een baan; de jeugdwerkloosheid neemt toe.

Het belangrijkste effect van een verhoging van het WMJL heb ik tot nu toe buiten beschouwing gelaten. Ook het kabinet en de voorstanders van een verhoging kijken hier graag aan voorbij. Uit evaluaties van de verlaging van de staffelpercentages van het WMJL in de jaren tachtig door de kabinetten Lubbers bleek dat er inderdaad een effect op de werkgelegenheid was, maar dat het effect op schooluitval groter was. Ook hier zijn het dus weer vraag en aanbod die interacteren. De vraag naar arbeid neemt af als de prijs toeneemt, maar het aanbod neemt toe. Degene die met tegenzin op school zit en een baantje langs ziet komen tegen een veel hogere beloning dan voorheen, zal zich nu minder snel bedenken om het aan te nemen. Als het baantje voorbij is en blijkt dat het gebrek aan een behoorlijke kwalificatie het vinden van een nieuwe baan ernstig belemmert, is de stap terug naar school niet snel gemaakt.  De les die geleerd moet worden is dat beloning niet het belangrijkste element moet zijn als het om werkgelegenheid voor jongeren gaat. Verhoging van het minimumjeugdloon komt ten goede aan een groep insiders die er in beloning op vooruit gaat, maar zet veel anderen die moeite hebben om aan de slag te komen of te blijven buitenspel. Het is maar wat je fatsoenlijk noemt.