Filmsterrenstatus hadden en hebben ze, de centrale bankiers. Velen kijken vol hoop naar ze voor de redding uit deze crisis. Het aanzien dat de centrale banken en centrale bankiers hebben, hebben ze te danken aan het beeld dat ze sinds begin jaren tachtig prima gepresteerd hebben. Er is alleen één klein probleempje: het beeld is onjuist.

Hij is er altijd bij als de Staats- en regeringshoofden van de eurolanden weer eens een spoedvergadering over Griekenland hebben. En niet ergens verdekt opgesteld maar pontificaal naast Angela Merkel en Francois Hollande. Ik doel op Mario Draghi, de ongekozen President van de Europese Centrale Bank (ECB). Draghi beweegt zich tussen de Europese giganten omdat hij over geld gaat. De ECB mag als enige (onbeperkt) geld drukken en verspreiden; als wij dat doen is dat strafbaar, als Draghi dat doet heet het volgens velen goed economisch beleid. Maar het is niet alleen het voorrecht als enige geld te mogen drukken. Draghi houdt ook de Griekse banken overeind en in het verleden, sinds het begin van de crisis, heeft de ECB zelfs verschillende regeringen in enkele eurolanden min of meer gechanteerd, zoals de Ierse en de Italiaanse. Die moesten akkoord gaan met de eisen van de ECB anders zou er geen steun meer zijn voor hun banken.

Centrale bankiers hebben er een handje van zich te bemoeien met allerlei zaken, zoals bijvoorbeeld nu de toestand rondom Griekenland. En hoewel die bemoeienis logisch mag lijken, is ‘Griekenland wel of niet in de euro’ uiteindelijk toch echt een politiek besluit dat genomen wordt door democratisch gekozen leiders of het volk op een volksraadpleging, maar expliciet níet door technocraten als centrale bankiers. Wat het ECB bestuur moet doen is zich bezighouden met eigen beleid en kijken wat binnen de regels wel of niet mag.

Semi-goden

Dat de centrale banken zich in het algemeen met veel meer dan het monetair beleid alleen bemoeien, is niet zonder reden. De centrale bankiers zijn ervan overtuigd dat zij een zegen zijn voor onze economieën en dat zij in tijden van crises de enigen zijn die tussen die economieën en het diepe ravijn staan. De media hebben in grote mate bijgedragen aan deze mythe. De centrale bankiers kregen van journalisten haast magische krachten toebedeeld. Veelzeggend is het commentaar van The New York Times uit 1999: ‘Wie heeft goud nodig als we Greenspan hebben’. Veel centrale bankiers hadden dezelfde status als film- of popsterren; ze werden als een soort semi-goden gezien. Eerlijk is eerlijk, de centrale bankiers en hun aanhang waren ook druk bezig met lobbyen.

 In plaats van zichzelf op de borst te kloppen en zich te mengen tussen gekozen Staatsleiders moeten de centrale bankiers zich schamen voor wat ze in loop der tijd hebben aangericht: ze hebben de waarde van het geld,  waarvoor velen zwoegen, stelselmatig en met opzet uitgehold

Niet zo lang geleden was ik weer eens bij een bijeenkomst onder meer aan de orde kwam hoe de Westerse centrale banken het in de afgelopen decennia hebben gedaan. Er waren professoren, onderzoekers en centrale bankiers die presentaties gaven. Die kwamen er allemaal op neer dat de centrale banken puik werk hebben geleverd. In loop der jaren heb ik veel van zulke conferenties mogen bezoeken. Één grafiek keert om de haverklap terug (zie hieronder). Het is de grafiek die de inflatieontwikkeling in de OESO-landen sinds de jaren tachtig weergeeft. Daarop is duidelijk te zien hoe rap de inflatie in het Westen zakt. Dat komt, is het verhaal, door de centrale bankiers. Die zijn namelijk onafhankelijk geworden van politici (als u dat gelooft dan gelooft u waarschijnlijk ook dat de aarde plat is) en onafhankelijke centrale banken zijn dé garantie voor dalende inflatie.

Duizenden dure uren wetenschappelijk onderzoek zijn her en der besteed om paper na paper te produceren waarin de conclusie luidt dat de centrale bankiers het sinds de jaren tachtig prima hebben gedaan. Als een kritische volger heb ik daar een paar opmerkingen bij.

Inflatie verdwijnt als sneeuw voor de zon

Inflatie verdwijnt als sneeuw voor de zon

Selectief shoppen

Ten eerste valt me op dat veel centrale bankiers er als de kippen bij zijn om een daling van de inflatie als eigen succes op te eisen. Maar wanneer de inflatie stijgt, is dat vaak de schuld van iemand of iets anders: de vakbonden die te hoge looneisen stellen, de hebberige ondernemers die hun prijzen verhogen, de oliesjeiks die een hogere prijs voor hun olie vragen, het slechte weer, het ongebruikelijk warme weer, uitzonderlijke weerfenomenen zoals El Nino et cetera. Alles om de waarheid te verhullen. In werkelijkheid zijn het namelijk altijd en overal de centrale bankiers die inflatie veroorzaken. Wanneer er te veel geld in omloop is, ontstaat er vroeg of laat inflatie. In elk land bepalen de centrale banken de geldhoeveelheid.

We kunnen dit ook op een andere manier laten zien. Geld is namelijk zoals elk ander goed: als het schaars is, wordt het meer waard en als er meer van is, wordt het minder waard. Dit verschil in schaarste is waarom goud al millennia lang veel duurder is dan zilver: goud is schaarser dan zilver. Inflatie betekent dat de prijzen stijgen. Anders gezegd: je hebt meer geld nodig om hetzelfde te kunnen kopen dan een jaar daarvoor. En het geld is minder waard geworden omdat het minder schaars is. Geld is minder schaars omdat de centrale banken hebben toegestaan dat er te veel in omloop is gekomen. Het zijn dus niet de vakbonden, oliesjeiks, ondernemers of het weer die voor inflatie zorgen maar de centrale bankiers.

Een van de gevolgen van het beleid van de centrale banken sinds 1980, is de huidige crisis

Maar als de olieprijs stijgt of de lonen snel oplopen, dan wordt toch alles duurder, denkt u nu misschien? Dat is waar, maar… Benzine en energie in het algemeen worden wel duurder als de olieprijs stijgt, maar als de geldhoeveelheid niet verandert, betekent dat dat er meer geld nodig is voor energie. Dan blijft er per definitie mínder geld over voor alle andere zaken, die dan in prijs gaan dálen. Waarom? Omdat de vraag daalt, want er is minder geld om andere spullen te kopen. Omdat van inflatie sprake is als het algemene prijsniveau stijgt, is bij een stijging van de prijzen van enkele producten géén sprake van inflatie. Dus als een stijging van de olieprijs wél tot inflatie leidt, komt niet door de stijging van de olieprijs zelf, maar door het feit dat de centrale banken meer geld in omloop brengen. Om dit zeer belangrijke en door vele commentatoren en anderen in Nederland voor het gemak vergeten of vaak onbekend gegeven duidelijker te maken, kunnen we een gedachtenexperiment uitvoeren.

Toename en afname van de vraag         

Stel, in een geïsoleerd dorp met vijftig huishoudens neemt plotseling de vraag naar graan toe, bijvoorbeeld door een geboortegolf, maar het aanbod niet. Daardoor wordt graan veel duurder. Tegelijkertijd zijn er in dat dorp 200 zilvermunten in omloop: elk huishouden heeft er vier. Vóór de stijging van de vraag naar graan kostte één kilo één zilvermunt. Na de vraagtoename is de nieuwe prijs twee zilvermunten. Omdat iedereen graan eet, gaat nu ineens de helft van in plaats van een kwart in de huishoudens op aan eten. Dus terwijl vroeger elk huishouden drie zilvermunten over had voor andere producten zoals hout, vlees en kleren, zijn dat nu nog maar twee zilvermunten. Dat betekent dat de vraag naar hout, vlees en kleren daalt. Immers, de dorpelingen hebben daar ineens minder geld voor. Door die afnemende vraag dalen dan al snel de prijzen van vlees, hout en kleren. In dit dorp is dus geen sprake van inflatie. Voedsel is weliswaar duurder, maar hout, kleren en vlees zijn goedkoper. Tellen we alles bij elkaar op, dan is het mandje goederen voor ons dorp niet duurder geworden. Economen spreken in dit geval van veranderingen van relatieve prijzen: één kilo graan is veel meer hout waard dan voorheen, maar er is geen inflatie.

Maar stel nu dat in ons dorp een dorpeling in de heuvels net buiten het dorp zilver vindt. Zo veel zilver dat de dorpssmid er 200 zilvermunten van kan maken. Per huishouden zijn er dan niet vier maar acht zilvermunten. Wanneer de graanprijs nu van één naar twee zilvermunten gaat, gaat dat niet ten koste van de vraag naar hout, vlees en kleren. Sterker nog, de vraag daarnaar stijgt ook, omdat elk huishouden na graanaankopen zes zilvermunten overheeft, en niet drie zoals in de vorige situatie. In dit geval worden zowel voedsel, hout, vlees én kleren duurder. Nu is er wél sprake van inflatie. Het enige maar cruciale verschil met de eerste situatie is dat de hoeveelheid geld is gestegen.

Perfecte omstandigheden

Ten tweede: het klopt inderdaad dat de inflatie sinds de jaren tachtig fors is gezakt. Maar besef wel wat dat betekent: in de volksmond is er sprake van inflatie als de prijzen stijgen. Dus als de inflatie laag is, wil dat niet zeggen dat de spullen waaraan we geld uitgeven goedkoper worden; nee, die worden alleen minder snel duurder dan in het verleden, maar wel duurder. Het gevolg: de koopkracht van het geld lijdt. Zelfs de als waardevast bekend staande munten als de Duitse mark of de Nederlandse gulden hebben sinds 1980 bijna de helft van hun waarde verloren (ik laat de rampzalige jaren 70 hier nog buiten beschouwing).

Er zijn geen sterke munten alleen relatief sterke munten

Er zijn geen sterke munten alleen relatief sterke munten

Bovendien: heeft dat écht te maken met de centrale banken? Sinds eind jaren zeventig zat het de centrale banken namelijk in alles mee, zonder er ook maar íets mee te maken hebben. In oktober 1978 besloot de Chinese Communistische Partij dat China uit zijn isolement mocht kruipen en mee mocht doen met de rest van de wereld. Dat was het begin van de recente periode van globalisering, die onder meer wereldwijd de prijzen in toom hield omdat China veel spullen goedkoper kon produceren dan de rest van de wereld. Een deflatoire tsunami overspoelde de planeet.

Toeval of niet maar na elke wijziging waarop de inflatie werd berekend, was de officiële inflatie lager dan op de oude manier

Minder dan een jaar later werd in Washington Paul Volcker benoemd tot de voorzitter van de Amerikaanse Centrale Bank. Zijn harde en compromisloze beleid om de torenhoge inflatie (toen circa 15 procent) in de VS te verminderen, begon enkele jaren later zijn vruchten af te werpen en bleef dat decennialang doen. China en Volcker drukten de inflatie.

Naast deze twee belangrijke ontwikkelingen was er nog meer aan de hand. Maatschappijen die nog altijd getraumatiseerd waren door de vernietigende hoge inflatie van de jaren 70, eisten van hun centrale banken dat die het oplopen van inflatie zouden tegengaan. Daarnaast zorgde de globalisering voor verlaging van de kosten van bedrijven en nam de concurrentie toe. Het bovengemiddeld verhogen van prijzen om winstmarges nog meer op te krikken werd daarmee een bedrijfseconomische zelfmoordpoging.

De komst en toepassing van internet in uiteenlopende sectoren als toerisme en mijnbouw, financiële dienstverlening en visserij, drukten ook de kosten. Hoge prijsstijgingen om winst te blijven maken of te overleven hoefden niet meer. Hetzelfde doel kon voortaan ook worden bereikt met prijsverlagingen of, wat veelal gebeurde, via loonmatiging, wat op haar beurt weer mogelijk was dankzij de druk op de arbeidsmarkt. Die druk was aanwezig door toenemende immigratie(mogelijkheden) en ook het feit dat bij te veel stijgende lonen de hele productie kon worden verplaatst naar andere (lage lonen) landen.

Het zijn dus vooral factoren die niets met de centrale bankiers te maken hadden waardoor de inflatie de afgelopen decennia trendmatig is gedaald. Voor zover de daling van de inflatie sinds begin jaren 80 deels kan worden toegeschreven aan centrale bankiers, dan gaat het alleen om Volcker, maar we moeten daarbij opmerken dat Volcker een uitzondering is onder centrale bankiers.

Grootste beroving ooit

Kijkend naar de grafiek van de inflatie in de ontwikkelde landen sinds 1980, en combineer die met de berichtgeving over de centrale banken zoals die is geweest, dan kan ik me heel goed voorstellen dat je als leek inderdaad geneigd bent te concluderen dat de centrale bankiers het prima hebben gedaan. Die grafiek is echter zeer misleidend. Die grafiek had er namelijk heel anders uit moeten zien.

Waar de prijzen, als die overgelaten waren aan de markt,  fors hadden moeten dalen, zijn die sinds de jaren zeventig drie keer over de kop gegaan

Globalisering en technologische vooruitgang hadden namelijk tot aanhoudende prijsdalingen moeten leiden, net zoals dat gebeurde aan het eind van de 19de eeuw. Toen daalden de prijzen in Nederland fors. En niet alleen in Nederland. De welvaartsstijging was ongekend.

Dalende prijzen, stijgende welvaart Bron: Geldmoord

Dalende prijzen, stijgende welvaart Bron: Geldmoord

Dat de grafiek van de inflatieontwikkeling sinds begin jaren tachtig er níet heel anders uitziet, komt doordat de centrale banken de prijsdalingen die we hadden moeten zien, hebben voorkomen. Zij deden dat met opzet: de prijzen moesten elk jaar met 2 procent stijgen, ongeacht de neerwaartse druk door technologische vooruitgang en globalisering. Waar de prijzen, als die net als eind 19de eeuw zouden zijn overgelaten aan de markt (toen waren er geen centrale banken zoals we die nu kennen), fors hadden moeten dalen, zijn die sinds de jaren zeventig drie keer over de kop gegaan.

Anders gezegd: de centrale banken hebben dat effect met voorbedachte rade geneutraliseerd. Als genocide volgens de Verenigde Naties een handeling is met als doel het vernietigen, geheel dan wel gedeeltelijk, van een nationale, etnische, raciale of religieuze groepering als zodanig, dan moet een handeling of een reeks handelingen met als doel het vernietigen, geheel dan wel gedeeltelijk, van de koopkracht van het geld geldicide of – taaltechnisch correcter – pecunicide zijn.

In het Nederlands heet dat geldmoord. Dat de centrale banken dat met opzet hebben gedaan is voor mij dé reden te stellen dat de prestatie van de centrale banken sinds begin jaren negentig niet met ‘puik’ omschreven kan worden, maar eerder met ‘catastrofaal’. Ze zijn in mijn ogen schuldig zijn aan een misdrijf, aan geldmoord.

Overigens is er nog iets anders op te merken naar aanleiding van de inflatiegrafiek van de afgelopen decennia: de manier waarop statistici in de jaren 80 en 90 inflatie berekenden, verschilt behoorlijk van hoe dat tegenwoordig gebeurt. De rekenmethode voor inflatieberekening is in loop der tijden vaak veranderd. Toen ik onderzoek deed voor mijn boek Geldmoord: hoe de centrale banken ons geld vernietigen, kwam ik erachter dat de manier waarop de inflatie in de VS wordt berekend, sinds medio jaren 90 ongeveer tien keer is aangepast. Toeval of niet, na elke wijziging was de officiële inflatie lager dan de inflatie die op de oude manier werd berekend.

Ook in Nederland gebeurt dit. In 2002 berekenden statistici de Nederlandse inflatie volgens de nieuwe methode uit 2000 en volgens de oude methode uit 1995. Wat bleek? Bij de oude manier kwam de inflatie hoger uit. Bij elke nieuwe wijziging van de samenstelling van het goederenmandje of de weging ervan komt de inflatie lager uit dan ervoor. Dat erkende het Centraal Bureau voor de Statistiek in 2005 zelf ook. Niet voor niets noemt de bekende Amerikaanse beleggingsgoeroe Bill Gross de officiële Amerikaanse inflatiecijfers ‘oplichterij’.

Geldmoord

Dat bijna alle academici, economen en centrale bankiers tegenwoordig de periode na de jaren 70 ‘de decennia van prima presterende centrale banken’ noemen omdat de inflatie na 1982 is gedaald en laag is gebleven, is treurig. Het is alles behalve een goede prestatie. In plaats van zichzelf op de borst te kloppen en zich te mengen tussen gekozen Staatsleiders, moeten de centrale bankiers zich schamen voor de schade die ze in de loop der tijden hebben aangericht: ze hebben de waarde van het geld, waar velen hard voor zwoegen, stelselmatig en met opzet uitgehold. De enige reden waarom mensen niet massaal in opstand zijn gekomen is omdat die beroving door de centrale banken werd gecamoufleerd door steeds ruimere mogelijkheden geld te lenen. De banken kregen steeds meer ruimte leningen te verstrekken en daarbij almaar meer risico’s te nemen, fiscaal gezien werd het lenen ook fors gestimuleerd – er is denk ik geen beter voorbeeld dan Nederland – en de centrale banken hielden de rentes vaak te laag, wat de vraag naar leningen ook goed deed.

Normaliter zouden structureel te lage rentes hebben geleid tot stijgende inflatie. Dat is niet gebeurd. Vreemd? Alles behalve. Tegenover de opwaartse kracht op de inflatie uit de hoek van de te lage rentes van de centrale banken stond de even sterke neerwaartse kracht op de inflatie, namelijk uit de al genoemde technologische vooruitgang en globalisering. Lange tijd kon dat zonder gevolgen blijven. Hoe lang? Zolang het Grote Lenen Circus kon doorgaan. Toen dat stopte – en het moest een keer stoppen want economische groei bouwen op een steeds grotere schuldenberg is geen houdbaar businessmodel – betekende dat een diepe crisis. De huidige crisis is dus een van de gevolgen van het planmatig uithollen van de waarde van het geld, oftewel geldmoord. Hiervoor geldt hetzelfde als voor inflatie eerder: het zijn niet de bankiers of roekeloze beleggers die de crisis veroorzaakt hebben. Ja, de banken hebben zich misdragen en ja, beleggers hebben te veel risico’s genomen. Maar ze hebben dat kunnen doen omdat de centrale bankiers dat alles op zijn minst hebben gedoogd en vaak zelfs aangemoedigd. Vele bankiers mogen moreel verwerpelijk hebben gehandeld, het zijn de centrale bankiers die dat gedrag mogelijk hebben gemaakt.