Recent werden Unilever en AkzoNobel belaagd door ‘roofkapitalisten’. Op de aandelen van deze bedrijven werd ongevraagd een bod uitgebracht door bedrijven uit de VS. Wie internationaal mee wil doen, zal echter zowel de lusten als ook de lasten daarvan moeten accepteren.

 

 

Minister Dijsselbloem deed een oproep aan Unilever om zich via het optuigen van beschermingsconstructies te weren tegen Kraft Heinz, achter welk bedrijf onder andere het kapitaal van de Amerikaanse miljardair Warren Buffett schuil gaat. Buffett was nog de knuffelbeer van links tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen van vorig jaar, toen hij zich uitsprak tegen Trump en partij koos voor Clinton. Links stelt zich nu echter op aan de zijde van Trump door het nationale belang te willen laten prevaleren en beperkingen op te leggen aan internationale kapitaalstromen en bedrijven. Uiteraard kunnen we gezellig schuilen achter de dijken en ons wentelen in het poldergelijk dat het concept van ‘stakeholders’ in plaats van ‘shareholders’ benadrukt. Dat gaat echter voorbij aan de realiteit dat de genoemde bedrijven hun geld toch vooral buiten Nederland verdienen en zelf geen belang hebben bij het beperken van internationale handels- en kapitaalstromen.

Er is van oudsher een afstand tussen  de vertegenwoordigers van het grootkapitaal en die van de arbeidersklasse. Het bericht dat de gemiddelde CEO bij een in de AEX opgenomen bedrijf circa 5 miljoen euro per jaar verdient en de hele discussie over bonussen hebben die verhouding er niet beter op gemaakt.

 

Stakeholderbenadering

De stakeholderbenadering in Nederland is een problematische. In het kort komt deze erop neer dat een bedrijf niet alleen van de aandeelhouders is, maar dat ook andere partijen in de samenleving een dusdanig belang hebben bij het voortbestaan dat zij mee moeten beslissen over het wel en wee van een bedrijf. Nu is het met meerdere kapiteins op een schip altijd lastig om beslissingen te nemen. Belangrijker nog is dat de positie van werknemers, leveranciers en klanten sterk afwijkt van die van aandeelhouders. Dat komt in de eerste plaats tot uiting in wie het ondernemersrisico draagt. Nadat iedereen is betaald, komt de aandeelhouder aan de beurt. Wat dan overblijft kan ook negatief zijn. Met name in Nederland hebben werknemers weinig te vrezen. Zij kunnen niet gemakkelijk ontslagen worden en als de onderneming het loon niet kan betalen, dan neemt het UWV die verplichting over. Niet alleen is het risico dat de bij een onderneming betrokken partijen lopen ongelijk verdeeld, dat geldt nog eens extra als een bedrijf in zwaar weer geraakt. Alle genoemde partijen kunnen zonder noemenswaardige gevolgen weglopen en de boel de boel laten. Uiteraard is het zaak als leverancier niet teveel krediet te hebben uitstaan, maar je kunt je verzekeren tegen wanbetaling. Als werknemer kun je gewoon weglopen en snel weer ergens anders aan de slag of een werkloosheidsuitkering aanvragen. Dat laatste is een stuk gemakkelijker geworden nu de toets op verwijtbaarheid van werkloosheid niet veel meer voorstelt. Daarmee wil ik niet de werknemers tekort doen die hun hele ziel en zaligheid in het bedrijf hebben gelegd en na jarenlange trouwe dienst moeilijk elders aan de slag komen. Ook zij hebben echter de mogelijkheid dit risico af te dekken door hun kennis en vaardigheden op peil te houden en op die manier het risico op inkomens- en baanverlies te voorkomen. Kortom, iedereen behalve de aandeelhouder kan zonder grote financiële schade het zinkende schip verlaten.

Gegeven deze rolverdeling t.a.v. het dragen van risico en de verantwoordelijkheid voor winst en verlies kan ik het moeilijk anders zien dan dat de onderneming van de aandeelhouder is en dat het de aandeelhouder is die beslist over de toekomst van de onderneming en vrijelijk dient te beschikken over het vermogen dat hij in een bedrijf heeft gestopt.

 

Beschermingsconstructies

De realiteit in Nederland is een andere. Van oudsher zijn  de meeste ondernemingen behoorlijk dichtgetimmerd als het gaat om beschermingsconstructies die de zeggenschap van aandeelhouders aantasten. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat dit zijn weerslag heeft op de prijs van  aandelen in Nederland, die lager is dan elders. Dit is de fameuze ‘Dutch discount’. Van alle aan de Amsterdamse beurs genoteerde bedrijven zijn er maar acht die dergelijke constructies niet hebben, te weten Royal Dutch Shell, Unilever, Unibail-Rodamco, Gemalto, Galapagos, RELX, Altice en ArcelorMittal. Nu zijn andere landen ook niet zo happig om ondernemingen die als nationaal bezit worden gezien aan buitenlanders te verkopen. Frankrijk is daar een ster in, maar het geldt b.v. ook voor de VS waar veel technologie- en defensiebedrijven als dusdanig cruciaal worden gezien dat zij niet in vreemde handen mogen vallen (ook niet van eeuwenoude bondgenoten). Deze landen beschermen hun bedrijven echter een stuk subtieler en bij een vriendelijk bod zijn we hier maar wat graag bereid een hele sector in de uitverkoop te doen. Dat de meeste  landelijk verschijnende kranten het bezit worden van bedrijven uit een ander land is in de meeste landen niet mogelijk. Het feit echter dat je de aandelen van een bedrijf naar de beurs brengt, impliceert dat een ander ze ook kan kopen. En waarom Nederlandse bedrijven wel buitenlandse aandelen zouden mogen kopen en andersom niet blijft dan een raadsel, want van xenofobie hebben alleen PVV-ers last.

Als de onderneming het eigendom is van de aandeelhouder, dan geeft dat ook richting aan de discussie over bonussen en beloning. De beloning van een CEO wordt namelijk opgehoest door de aandeelhouders en gaat ten koste van hun winst. Als je als overheid het mogelijk maakt of zelfs stimuleert om de invloed van aandeelhouders aan banden te leggen, dan moet je vervolgens niet gaan zeuren dat ze hun taken niet doen. In Nederland was de oplossing voor de tandenloosheid van aandeelhouders het geven van veel zeggenschap aan commissarissen, waarbij het overigens wel de bedoeling was dat zij niet door de aandeelhouders werden gekozen maar via coöptatie. Het kringetje waaruit commissarissen werden en worden gerekruteerd is behoorlijk klein.

 

Knus beeld

Wat oprijst is dus een knus beeld van ondernemingsbesturen, commissarissen en werknemers die het goed met elkaar hebben in ons land en zich beschermd weten achter de dijken van beschermingsconstructies en de verzorgingsstaat. Die knusheid is een probleem, want hierdoor worden bestuurders niet geprikkeld om hun beste beentje voor te zetten. In een land waar pamperen van de bevolking de norm is, ook als mensen prima zichzelf kunnen redden, mag een dergelijke praktijk niet verbazen. De lieve vrede werd echter zo’n 25 jaar geleden verstoord toen ondernemingsbestuurders wel de lusten maar niet de lasten van het systeem nog langer wilden dragen. Onder verwijzing naar de internationale markt die er voor hun kwaliteiten zou bestaan, wisten ze hun beloning aardig op te krikken en beloningsbestanddelen die als variabal bedoeld waren een vast karakter te geven. De uit hetzelfde kringetje afkomstige commissarissen vonden het prima en de aandeelhouders hadden het nakijken want niets in te brengen.

De kritiek die vaak wordt ingebracht tegen Angelsaksische bedrijven is hun eenzijdige focus op kostenbeperking, die alleen de aandeelhouders ten goede komt en die ten koste gaat van lange termijn doelstellingen die voordelig zijn voor iedereen. Dat roept de vraag op hoe deze bedrijven zich dan kunnen handhaven te midden van internationale concurrenten die wel aandacht hebben voor de lange termijn. En waarom sommige van de meest innovatieve bedrijven als Google, Intel en Apple Amerikaans zijn.

 

De ‘Dutch discount’ 

Feit is dat andere landen andere disciplineringssystemen hebben dan ons land, die niet perse beter of slechter zijn. Je kunt echter niet het beste van beide werelden hebben of, in meer directe taal, van twee walletjes eten. Dat geldt voor alle betrokkenen. Wie in eigen land de aandeelhouder wil muilkorven, zal er tegenaan lopen dat bedrijven lager worden gewaardeerd en houdt de ‘Dutch discount’ in stand. Dat zal de aandacht trekken van buitenlandse bedrijven die goedkoop denken te kunnen inslaan en, na instemming van de bestuurders, dat ook kunnen doen. Ook zal voor Nederlandse bedrijven hun lagere aandelenkoers een overname gefinancierd met aandelen relatief duur maken.

De tamelijk unieke manier waarop in Nederland vrijwel alle beursgenoteerde bedrijven worden beschermd, lijkt sowieso in strijd met het vrije kapitaalverkeer binnen de EU. Die heeft daar al eerder belangstelling voor getoond en, in tegenstelling tot Frankrijk, komen wij daar altijd een stuk moeilijker mee weg. Ten slotte geldt hetzelfde principe ook voor de CEO die wijst op de beloning van zijn collega’s in het buitenland en het bestaan van een internationale arbeidsmarkt voor zijn kwaliteiten. Tegen hem of haar kun je met een gerust hart “ga maar” zeggen, zodat er eindelijk een einde kan komen aan de discussie over beloning in het algemeen en bonussen in het bijzonder.

Ook in deze discussie over bescherming en beloning blijkt, net als vorige week, dat handelingen consequenties hebben en dat elk handelen zijn prijs kent.