Waarom krijgen artsen meer betaald dan andere professionals van vergelijkbaar opleidingsniveau? Zijn ze getalenteerder, werken ze harder, of hebben ze dankzij de numerus fixus eenvoudigerwijs meer monopoliemacht dan advocaten of economen?

Nieuw onderzoek door economen van de Universiteit van Gothenburg, de Universiteit van Oslo, de UVA en de VU dat zojuist is gepubliceerd in American Economic Journal: Applied Economics, een vooraanstaand academisch economietijdschrift, beantwoordt die vragen op overtuigende wijze. Het suggereert ten zeerste dat de laatste factor – marktmarcht – het leeuwendeel van de salarisverschillen verklaart, en dat het door de overheid gefaciliteerde kartelvorming is die voor de hogere dokterssalarissen zorgt.

Nadine Ketel en haar coauteurs tonen dit aan door de uiteindelijke inkomens van middelbare scholieren die geneeskunde hebben gestudeerd te vergelijken met middelbare scholieren die nooit de kans hebben gekregen omdat ze waren uitgeloot. Ze gebruiken hiervoor informatie over deelnemers aan de loting tussen 1988 en 2004 (na 1999, toen de decentrale selectie werd ingevoerd, alleen over studenten die al eerder waren uitgeloot). Deze informatie betreft demografische info zoals geslacht, leeftijd, ethnische achtergrond, en burgerlijke staat, maar ook studiegegevens en later arbeidsmarktuitkomsten.

Dat is op zich een flink detailniveau, maar je zou je kunnen voorstellen dat artsen en niet-artsen desondanks kwalititatief verschillen: wellicht zijn de artsen beter gemotiveerd, slimmer, of verschillen ze op allerlei andere manieren die in datasets lastig zijn waar te nemen. En juist daar komt de loting goed van pas. Het pure kanselement van de toelatingsprocedure zoals die tot 2000 werkte creerde een quasi-experiment dat studenten die net zo goed waren willekeurig wel of niet toeliet tot de studie geneeskunde. Dat creerde dus twee groepen: een groep toegelaten studenten, en een anderszins uitstekend vergelijkbare controlegroep. (Sommige studenten worden na meerdere pogingen toegelaten, en sommige studenten ronden de studie geneeskunde niet af, maar daar gaan de auteurs kundig mee om, door zich slechts op door de loting gecreëerde variatie te richten; de geïnteresseerde lezen kan hierover meer te weten komen in sectie III.)  Door de twee groepen studenten te volgen en te vergelijken kunnen dus we zien wat de toelatingsbonus is, dat is, hoe hoog de numerus-fixuspremie is. We kunnen op die manier bepalen hoeveel extra inkomen de restricties die de overheid oplegt aan de aanbodskant in de medische arbeidsmarkt studenten die wel arts mochten worden oplevert, en op welke leefijd ze dat inkomen ontvangen.

En de numerus-fixusbonus blijkt fors te zijn, hoewel het even duurt voordat hij in ontvangst genomen mag worden. Studenten die worden toegelaten verschillen gedurende de eerste vier jaar nadat ze de loting winnen nauwelijks van de verliezers, en tijdens de daaropvolgende periode van co-schappen verdienen ze zelfd minder dan andere studenten. Daarna worden ze echter al snel ruimschoots gecompenseerd. Zoals de figuur hieronder aangeeft, verdienen artsen nadat ze basisarts zijn geworden tussen de 10 en 20 duizend euro per jaar meer dan vergelijkbare andere professionals, en op het moment dat ze de leeftijd van 35 jaar passeren wordt dat zelfs zo’n 40.000 euro. (Schattingen voor hogere leeftijden zijn door het startpunt van 1988 niet beschikbaar.)

De auteurs becijferen dat de totale waarde van ingeloot worden zo rond het miljoen euro ligt: bijna een echte loterij dus! Slechts een klein gedeelte van dit verschil kan verklaard worden door de ietwat langere werkweek van artsen, en artsen lijken ook niet hun familieleven op te offeren: de kans dat ze getrouwd zijn en kinderen hebben is groter dan voor hun uitgelote tegenhangers.

Een belangrijk argument vóór de numerus fixus is dat de kosten die de overheid op zich neemt om een arts op te leiden stukken hoger liggen dan voor andere studierichtingen. Dat klopt: maar wat Ketel et al. laten zien is dat die investering tot zoveel hogere inkomsten leidt voor de artsen zelf dat het wellicht geen absurd idee is om meer studenten toe te laten, en die op te laten draaien voor een groter aandeel van de kosten van hun opleiding.

grafiek