Met de eurocrisis in eigen huis, aangekondigd vertrek van een gewaardeerde huurder uit eigen wijk (brexit), steeds meer gemor van anderen (opkomst van allerlei anti-euro en anti-EU partijen, roep om vertrek uit de EU zoals in Nederland roep om een nexit), hebben de eurozone en de Europese Unie nauwelijks tijd om hun ogen te houden op andere, zeer belangrijke ontwikkelingen in de buurt. En als die dat al doen, dan gaat er vooral veel aandacht uit naar het opwaarderen van het vrijhandelsakkoord met de Verenigde Staten (ook bekend als TTIP). Ondertussen is aan de andere kant, ten oosten van de EU, zo’n belangrijke ontwikkeling gaande.

China en Rusland zijn, na de Verenigde Staten, de grootste handelspartners van de EU. Jaarlijks gaan er spullen ter waarde van circa 270 miljard euro uit de EU naar die twee landen.

De verhoudingen tussen die twee giganten zijn van oudsher nogal stroef. De laatste jaren is dat echter rap veranderd, valt te lezen in een rapport over de handelsrelatie tussen China en Rusland van de Europese denktank Bruegel.

Deels is die verandering veroorzaakt door de toegenomen rol van China in de wereldeconomie (waardoor China (meer) met de buitenwereld handelt en vooral honger heeft naar grondstoffen en energie, precies dat wat Rusland volop te bieden heeft) en deels door de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie (waardoor handel met Rusland niet alleen goedkoper werd maar ook sommige markten opengingen door de WHO-regels).

Naarmate China en Rusland hun betrekkingen, waaronder handelsbetrekkingen, verder aanhalen, krijgen Europese bedrijven het almaar lastiger ten oosten van de Unie

Wat sinds 2014 echter ook een belangrijke rol heeft gespeeld bij het aantrekken van (handles)betrekkingen tussen Rusland en China, is de handelsoorlog tussen Rusland en de EU. Daardoor hebben Russische bedrijven noodgedwongen nieuwe markten moeten zoeken respectievelijk nieuwe leveranciers moeten vinden voor producten die niet meer naar of uit de EU gehaald mochten worden door de sancties.

Concurrenten

Hoe groot het effect van alle bovengenoemde factoren voor de Russische internationale handel is, zien we aan het aandeel van de Chinese producten in de totale invoer van Rusland. Waren de Chinese bedrijven in 2000 goed voor minder dan 5 procent van de totale Russische invoer, tegenwoordig is dat aandeel circa 20 procent.

Hoe is dit alles van belang voor de EU en de eurozone? De onderzoekers van Bruegel hebben gekeken naar twee vragen: zijn bedrijven uit de eurozone/EU en uit Rusland elkaars concurrenten op de Chinese markt en of de bedrijven uit de eurozone/EU en China elkaar beconcurreren op de Russische markt.

Het antwoord op de eerste vraag is: nee. Rusland voert vooral energie en grondstoffen uit naar China, precies die spullen die de EU zelf van Rusland koopt. De Europese landen verkopen vooral machines, chemische producten et cetera in China en hebben daarop weinig concurrentie van de Russen.

Hoe anders is de situatie op de Russische markt echter! Daar zijn de bedrijven uit de eurozone/EU en China juist elkaars grootste concurrenten. Zowel de Europeanen als de Chinezen proberen hun machines en voertuigen bijvoorbeeld aan de Russen te slijten.

Het bovenstaande betekent dat naarmate China en Rusland hun betrekkingen, waaronder handelsbetrekkingen, verder aanhalen, Europese bedrijven het almaar lastiger zullen krijgen ten oosten van de Unie.

Voorbij zijn de tijden waarin Chinese bedrijven onze bedrijven kopieerden; steeds meer innovatie vindt plaats in China zelf

De onderzoekers van Bruegel vroegen zich af wat het effect zou zijn als China en Rusland de nu geldende tarieven in hun onderlinge handel zouden afschaffen. Jaarlijks zou dat de exporteurs uit de EU 4 tot 5 miljard euro schelen.

Dat klinkt misschien niet veel, maar daarbij mogen we een aantal zaken niet uit het oog verliezen. In de eerste plaats kunnen de gevolgen voor een paar sectoren behoorlijk groot zijn, zo’n gemiddelde verbloemt dat.

In de tweede plaats kan Rusland, uit geopolitieke overwegingen, een deel van zijn energie-export verleggen van de EU-landen naar China (aan de vraag naar energie uit China zal het niet liggen).

Wees alert Europa!

De EU-landen moeten de ontwikkelingen in de relatie tussen China en Rusland goed in de gaten houden en op tijd anticiperen op de veranderingen daarin. Meer in het algemeen moeten de EU-landen nog harder aan de slag om concurrerend te blijven en om steeds betere producten te maken, want een andere trend is dat bedrijven uit een land als China ons qua technologie en kwaliteit aan het inhalen zijn. Voorbij zijn de tijden waarin Chinese bedrijven onze bedrijven kopieerden; steeds meer innovatie vindt plaats in China zelf. Willen wij als Europa onze voorsprong behouden en daarmee onze welvaart in stand houden, dan moeten we ervoor zorgen dat de consument nergens ter wereld om de kwaliteit en veiligheid van onze spullen heen kan.

Dit betekent niet bezuinigen op onderwijs maar investeren erin. Het betekent niet noodzakelijkerwijs meer subsidies maar fiscale prikkels voor bedrijven om te innoveren. Het betekent onze economieën moderniseren en flexibiliseren. Het betekent de hele wereld laten weten dat we van de euro een sterke, waardevaste valuta willen maken en niet, zoals nu, de wereld toeschreeuwen dat we ervan dromen de wisselkoers ervan almaar lager te zien gaan en de interne waarde uithollen. Het betekent samenwerken in Europa daar waar het moet, bijvoorbeeld op het gebied van onderzoek en onderwijs, desnoods meer dan we nu samenwerken, maar het betekent ook minder verregaande samenwerking op die gebieden waar dat onnodig of zelfs contraproductief is. Contraproductief in de zin dat de bevolking in veel lidstaten er genoeg van kan krijgen dat allerlei samenwerkingsvormen, formele en informele,   dat die, gedwongen te kiezen tussen meer samenwerking op alle gebieden of geen enkele samenwerking, voor dat laatste zal kiezen, met alle gevolgen van dien. En ja, het betekent onder meer ook meer juiste immigratie, hoe impopulair dat mag zijn.  Het betekent een kleiner waterhoofd in Brussel maar ook in veel hoofdsteden en meer ademruimte voor bedrijven. Het is geen of/of verhaal maar en/en: innovatie komt niet alleen van de overheid maar ook niet alleen van bedrijven. Te veel van beide is slecht en ongewenst want er zijn wel degelijk negatieve bijeffecten.

Het mag duidelijk zijn, het betekent veel zaken, zaken waar de EU doorgaans helaas maar weinig aandacht voor heeft maar zich wel bezig houdt met van alles en nog wat waarvan je je terecht af kunt vragen: moet dat echt?